Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:15826

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-11-2018
Datum publicatie
01-03-2019
Zaaknummer
NL18.19900 en NL18.19902
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vw, asiel, hava, verblijf in Mosul tot oktober 2015 ongeloofwaardig

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: NL18.19900 en NL18.19902


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [V-nummer] ,

[eiseres] , eiseres, V-nummer [V-nummer] ,

Mede namens haar minderjarige kinderen

[minderjarig kind 1] , geboren op [geboortedatum] 2013 en

[minderjarig kind 2] , geboren op [geboortedatum] 2014

(samen te noemen: eisers)

(gemachtigde: mr. A.J.P. Lemmen),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: drs. F. Gieskes).


Procesverloop
Bij afzonderlijke besluiten van 24 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw) niet-ontvankelijk verklaard.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen O. Al Othman. Verder zijn [X] en [Y] verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1990 en eiseres op [geboortedatum] 1990. Eisers stellen beiden de Iraakse nationaliteit te hebben en met elkaar te zijn gehuwd.

2. Eisers hebben op 6 december 2015 asielaanvragen ingediend. Bij afzonderlijke besluiten van 9 november 2017 zijn de aanvragen afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, gelezen in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw. Verweerder heeft, kort samengevat, aan de afwijzingen ten grondslag gelegd dat niet geloofwaardig wordt geacht dat eisers in oktober 2015 uit Mosul zijn vertrokken. Eisers hebben hierover vage en tegenstrijdige verklaringen afgelegd. Om die reden gaat verweerder ervan uit dat eisers sinds juni 2014 in Bagdad woonachtig waren. Derhalve kan volgens verweerder evenmin geloof worden gehecht aan de door eisers gestelde problemen met IS in Mosul , aangezien deze problemen pas in september 2015 zouden zijn begonnen. Daarnaast hebben eisers daarover vaag en tegenstrijdig verklaard.

Bij uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 19 januari 2018 zijn de hiertegen gerichte beroepen ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 29 januari 2018 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) het hoger beroep tegen voornoemde uitspraak kennelijk ongegrond verklaard. De afzonderlijke besluiten van 9 november 2017 staan daarmee in rechte vast.

3. Op 6 juli 2018 hebben eisers opnieuw een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Eisers hebben bij hun herhaalde aanvraag de volgende documenten overgelegd;

- een document met als onderwerp “Aangifte van bedreiging”, afgegeven door het politiebureau in de wijk Sumer, Mosul te Irak op 4 maart 2018;

- een document met als onderwerp “Onderzoekstukken”, afgegeven door de Onderzoeksrechtbank van Nineveh op 6 maart 2018;

- een document met als onderwerp “Arrestatie”, welke is afgegeven door de organisatie Al‑Hashed Al‑Sha’abi op 1 mei 2018.

4. Verweerder heeft de aanvragen van eisers met toepassing van artikel 31, gelezen in samenhang met artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de door eisers overgelegde documenten en hetgeen zij in de onderhavige procedure hebben aangevoerd geen nieuwe feiten of omstandigheden betreffen, welke een ander licht op de beoordeling in de voorgaande procedure zouden kunnen werpen.

5. Eisers stellen zich op het standpunt dat verweerder de aanvragen ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daartoe voeren eisers aan dat zij voldoende hebben bewezen dat zij pas in oktober 2015 vertrokken zijn uit Mosul . Eisers zijn van oordeel dat de rechtbank Roermond de bewijzen niet goed heeft geduid. Eisers stellen dat verweerder ten onrechte de door hen aangedragen getuigen, die kunnen verklaren wanneer eisers Mosul definitief hebben verlaten, niet heeft gehoord. Voorts wijzen eisers op de door hen in deze procedure overgelegde documenten. Hieruit blijkt dat zij gevaar lopen in Irak. Zij worden niet alleen door de overheid gezocht, maar ook door andere stammen, omdat eiser internetgegevens heeft door moeten geven aan IS. Dit is een nieuwe asielgrond, die in de vorige procedure nog niet voorlag, aldus eisers.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

6.1

Het is vaste jurisprudentie dat het begrip ‘nieuwe elementen of bevindingen’ geen andere betekenis heeft dan het begrip ‘nieuw gebleken feiten of omstandigheden’. Dit betekent dat de rechtbank voor de uitleg van het begrip ‘nieuwe elementen of bevindingen’ aansluiting zoekt bij de bestaande jurisprudentie over het begrip ‘nieuw gebleken feiten of omstandigheden’.

Onder nieuwe elementen of bevindingen moeten daarom worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan doen zich niettemin geen feiten of veranderde omstandigheden voor die een - hernieuwde - toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

6.2

In de vorige procedure heeft de rechtbank overwogen dat verweerder het verblijf van eisers in Mosul tot oktober 2015 niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Dit oordeel staat in rechte vast. Voor zover eisers hebben betoogd dat de rechtbank de door eisers overgelegde bewijzen over hun verblijf in Mosul niet juist zou hebben geduid, wordt overwogen dat de Afdeling geen aanleiding heeft gezien voor een ander oordeel. De kwalificatie van die bewijsstukken kunnen in deze procedure dan ook niet aan de orde komen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder ten onrechte de nieuwe problemen niet als nieuwe asielgrond heeft aangemerkt, nu deze gestelde problemen samenhangen met de in de vorige procedure naar voren gebrachte problemen.

6.3

Met betrekking tot de door eisers in deze procedure overgelegde documenten, wordt overwogen dat verweerder er terecht op heeft gewezen dat uit de Verklaring van onderzoek van 10 juli 2018 van Bureau Documenten is gebleken dat de authenticiteit van de documenten met als onderwerp “Aangifte van bedreiging” en “Onderzoekstukken” wegens het ontbreken van referentiemateriaal niet kan worden vastgesteld en dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraken van 2 december 2015; ECLI:NL:RVS:2015:3804) een document geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid is, indien de authenticiteit daarvan niet is vastgesteld. Verder heeft Bureau Documenten blijkens haar Verklaring van onderzoek ten aanzien van het document met als onderwerp “Arrestatie” geoordeeld dat dit document met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet is opgemaakt en afgegeven door de in het document genoemde organisatie, en dat niet kan worden vastgesteld dat het document inhoudelijk juist is. Derhalve kan ook dit document niet worden beschouwd als nieuw gebleken feit en/of omstandigheid. Dat eiser geen mogelijkheden ziet voor bewijs van de authenticiteit van de stukken, omdat hij in Irak wordt gezocht en geen documentenexpert kan betalen voor een onderzoek naar de echtheid, maakt bovenstaande niet anders.

6.4

Eisers hebben verweerder verzocht de broer van eiser, [X] , en een derde, [Y] , als getuigen te horen over het verblijf van eiser in Mosul tot oktober 2015. Met betrekking tot het horen van de broer van eiser heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser dit verzoek in de vorige procedure had kunnen en moeten indienen. Ter zitting is gebleken dat de broer van eiser ook ten tijde van de vorige procedure al in Nederland aanwezig was, maar toen in verband met zijn eigen procedure niet wilde getuigen. Dit komt voor rekening en risico van eisers. Verder heeft verweerder ter zitting gewezen op de uitspraak van 29 juni 2018 van de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2018:2174), waarin is overwogen dat hoewel de bewijskracht van getuigenverklaringen in veel gevallen beperkt is, aan dergelijke verklaringen niet iedere betekenis kan worden ontzegd als zij stroken met bewijsstukken met grotere bewijskracht. Verweerder heeft zich daarbij terecht op het standpunt gesteld dat dergelijk bewijs ontbreekt. Verweerder heeft zich dan ook niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het horen van de getuigen niet zou kunnen leiden tot een ander oordeel. Gelet op vorenstaande heeft de rechtbank evenmin aanleiding gezien de door eisers ter zitting meegebrachte getuigen als zodanig te horen en komt aan de door hen ter zitting afgelegde verklaringen niet de betekenis toe die eisers daaraan gehecht wensen te zien.

6.5.

Gelet op voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eisers geen feiten of veranderde omstandigheden naar voren hebben gebracht die een hernieuwde toetsing rechtvaardigen.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. G. van Zeben - de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.