Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:15614

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-03-2018
Datum publicatie
10-01-2019
Zaaknummer
NL17.6535 en NL17.6541
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

asiel - bankwerkzaamheden voor milities en ontvoering ongeloofwaardig - Libië - geen 15-c - ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Team Bestuursrecht 3

zaaknummers: NL17.6535 en NL17.6541, V-nummers: [v-nummer] , [v-nummer] , [v-nummer] en [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 maart 2018 in de zaak tussen

[eiser 1] , eiser,

[eiseres] , eiseres,

mede namens haar minderjarige kinderen [eiser 2] en [eiser 3],

hierna gezamenlijk te noemen eisers,

gemachtigde: mr. W. Spijkstra,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. E. Izaks.

Procesverloop

Bij besluiten van 21 juli 2017 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen op grond van artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000.

Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2018. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is verschenen A. Fawzy, tolk.

De rechtbank heeft besloten de zaken met de zaaknummers NL17.6535 en NL17.6541 te voegen op grond van artikel 8:14, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Overwegingen

1. Eiser is op 10 november 1980 geboren en bezit de Libische nationaliteit. Eiseres is op 18 maart 1982 geboren en bezit eveneens de Libische nationaliteit. De minderjarige kinderen van eiser en eiseres zijn geboren op 12 juni 2013 en op 5 januari 2016 en bezitten ook de Libische nationaliteit. Eisers hebben de asielverzoeken op 13 november 2016 ingediend.

2. Verweerder heeft in het asielrelaas van eiser de volgende relevante elementen onderscheiden:

- identiteit, nationaliteit en herkomst;

- eiser heeft verklaard werkzaam te zijn geweest bij de [bank 1] , welke

later [bank 2] heette;

- eiser heeft verklaard dat hij werd gedwongen om aanvragen voor rekeningen door te

zetten, vermoedelijk voor milities;

- eiser heeft verklaard twee keer te zijn bedreigd, namelijk middels de ontvoering op

23 oktober 2016 en middels het telefoongesprek van 4 november 2016. Eiser heeft verklaard dat hij naar aanleiding van dit laatste gesprek besloot om op 11 november 2016 uit Libië te vertrekken;

- eiser heeft verklaard te zijn vertrokken uit Libië vanwege de algemene

veiligheidssituatie aldaar.

Verweerder heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. Ook volgt verweerder eiser vooralsnog in zijn gestelde werkzaamheden bij de [bank 2] . Tevens volgt verweerder vooralsnog dat eiser kennelijk door zijn leidinggevende werd bewogen om rekeningen te openen, terwijl de aanvragen niet conform de regels waren. Verweerder volgt eiser echter niet in zijn verklaring dat hij problemen heeft ondervonden vanwege zijn werkzaamheden en dat hij daardoor ontvoerd is geweest en bedreigd werd door milities. De verklaring van eiser dat in Libië sprake is van een verslechterde situatie wordt gevolgd, maar dat is voor eiser geen reden geweest voor zijn vertrek uit Libië, aldus verweerder.

Verweerder heeft in het asielrelaas van eiseres de volgende relevante elementen onderscheiden:

- identiteit, nationaliteit en herkomst;

- eiseres heeft verklaard dat haar echtgenoot (eiser) problemen heeft ondervonden op

zijn werk;

- eiseres heeft verklaard problemen te hebben ondervonden vanwege de aanwezigheid

van IS en de algemene veiligheidssituatie in Libië.

Verweerder heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig geacht. De verklaringen van eiseres over de problemen van eiser volgt verweerder niet. De verklaring van eiseres dat in Libië sprake is van een verslechterde situatie wordt gevolgd, maar dat is voor eiseres geen reden geweest voor haar vertrek uit Libië, aldus verweerder.

3. Eisers voeren in de eerste plaats aan dat hetgeen in het eerste gehoor, het rapport nader gehoor en in de zienswijze van 10 juli 2017 naar voren is gebracht in beroep als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd. De rechtbank constateert dat verweerder in de bestreden besluiten op de verklaringen tijdens deze gehoren en op de zienswijze van eisers is ingegaan. Met de enkele verwijzing naar deze verklaringen en de zienswijze hebben eisers de bestreden besluiten niet gemotiveerd bestreden. De enkele verwijzing naar de verklaringen en zienswijze leidt daarom niet tot een geslaagd beroep.

4. Eiseres voert, onder verwijzing naar haar zienswijze, aan dat zij in Libië als vrouw ernstig wordt gediscrimineerd. Verweerder heeft hierop niet gereageerd. Hierdoor staat onweersproken vast dat zij in Libië wordt gediscrimineerd, aldus eiseres.

4.1

Dit betoog slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit voor eiseres heeft verwezen naar het bestreden besluit voor eiser. In het bestreden besluit voor eiser stelt verweerder zich voor eiseres op het standpunt dat hoewel eiseres kan worden gevolgd in de verslechterde omstandigheden in Libië, niet kan worden gevolgd dat eiseres persoonlijk gediscrimineerd is in de zin van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag). Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat in haar persoonlijke situatie sprake was van discriminatie en daarom van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Niet is gebleken dat de door eiseres ondervonden problemen een dusdanig ernstige beperking van de bestaansmogelijkheden oplevert dat het voor eiseres onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren. Aldus heeft verweerder, anders dan eiseres stelt, het standpunt van eiseres dat zij wordt gediscrimineerd, beoordeeld en weersproken.

5. Eisers betogen dat eiser in zijn zienswijze voldoende aanwijzingen heeft gegeven op grond waarvan hij mocht aannemen dat hij te maken had met een militie. Dat één persoon voor dertien verschillende bedrijven op dezelfde dag een rekeningnummer aanvraagt is ook in Nederland verdacht. Verder is van belang dat toen eiser tegen zijn baas zei dat het openen van deze rekeningnummers onwettig is, zijn baas hem toch opdroeg deze rekeningnummers te openen. Dat hij later ontvoerd is door de militie geeft juist wel het verband met de milities weer. Verweerder betrekt ten onrechte het feit dat eiser ontvoerd is geweest en telefonisch is bedreigd niet bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de aanvragen voor rekeningen door de milities. Uit de in beroep overgelegde informatie over de [bank 2] blijkt dat er wel rekeningen voor private bedrijven worden geopend, maar dat er al een jaar geen transacties plaatsvinden. Dit betekent dat er iets niet klopt met deze rekeningen, aldus eisers.

5.1

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat niet aannemelijk is gemaakt dat de aanvragen om rekeningen te openen afkomstig zijn van milities. Eisers leggen geen causaal verband tussen de namen van de bedrijven en hebben niet nader onderbouwd in hoeverre de door eiser genoemde bedrijven gelieerd zijn aan de milities in Libië. Daarbij heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat voor het openen van rekeningen voor dertien bedrijven tal van redenen kunnen zijn, anders dan het behoren tot een militie. Dat zijn baas hem opdroeg de rekeningnummers te openen, maakt dit niet anders. Het standpunt dat er al een jaar geen transacties plaatsvinden op bepaalde rekeningen voor private bedrijven en er daarom iets niet klopt met deze rekeningen, leidt niet tot een ander oordeel. Voorts stelt de rechtbank, anders dan eiser, vast dat verweerder de gestelde ontvoering en bedreigingen wel bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de aanvraag voor de rekeningen heeft betrokken. Verweerder heeft zich immers op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is gemaakt dat eiser persoonlijk noodzakelijk was voor het akkoord van de aangevraagde rekeningnummers. Daardoor valt niet in te zien dat eiser dertig minuten werd ontvoerd om op die wijze onder druk te worden gezet. De enkele stelling ter zitting dat de handtekening van eiser wel vereist was, geeft de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. De in de gronden van beroep ingelaste passages uit de zienswijze doen geen afbreuk aan de bestreden besluiten. Het betoog van eisers slaagt niet.

6. Eisers voeren aan dat verweerder inzake de ontvoeringen duidelijk geen weet heeft van de positie van eiser binnen de bank. Op 20 november 2016 was eisers handtekening noodzakelijk. Daarom is zijn korte ontvoering begrijpelijk. Waarom eiser door een lid van de militie is gewaarschuwd, staat niet ter bepaling van verweerder en eiser. Verder stelt verweerder ten onrechte dat eiser reeds in het bezit was van een visum en dus onmiddellijk kon vertrekken. Op alleen een visum kun je niet reizen. Er zijn ook geld en vliegtickets nodig. Verder zijn er niet veel vluchten, aldus eisers.

6.1

De rechtbank is van oordeel dat de enkele stelling dat verweerder duidelijk geen weet heeft van eisers positie binnen de bank, geen afbreuk doet aan de bestreden besluiten. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat eisers gestelde ontvoering, gelet op de datum van 20 november 2016, begrijpelijk is. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat uit de verklaringen van eiser blijkt dat hij de aanvragen voor de rekeningnummers reeds had doorgezet, op aandringen van zijn leidinggevende, en dat deze nog bij de afdeling controle lagen (pagina 4 verslag nader gehoor). Tevens neemt de rechtbank hierbij, gelet op het verslag van het nader gehoor, in aanmerking dat eiser heeft verklaard dat personen op het werk werden vervangen, maar dat eiser zijn functie bleef uitoefenen, dat eiser zijn salaris kreeg doorbetaald en dat eisers verlofaanvraag op 8 of 9 november 2016 voor de duur van zes maanden is goedgekeurd. Verweerder heeft zich aldus niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is gemaakt dat de gestelde ontvoering heeft plaatsgevonden, dan wel dat eiser problemen met de milities heeft ondervonden. De enkele stelling dat verweerder en eiser niet kunnen bepalen waarom een lid van de militie eiser heeft gewaarschuwd, leidt niet tot een ander oordeel. Voorts heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser reeds in het bezit was van een geldig visum en eerder had kunnen vertrekken. Weliswaar kan worden gevolgd dat eiser eerst geld moest zien te verkrijgen om te kunnen vertrekken, maar eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij in de tussenliggende week (tussen 4 november 2016 waarop de gestelde waarschuwing voor de ontvoering van zijn kinderen plaatsvond en 11 november 2016 waarop eisers Libië hebben verlaten) geen aanleiding heeft gezien om eerder te vertrekken, dan wel zich op andere wijze te onttrekken aan eventuele problemen. De enkele stelling dat er ook vliegtickets nodig zijn en dat er niet veel vluchten zijn, maakt dit niet anders. Het betoog van eisers slaagt niet.

7. Eisers betogen dat zich in Libië, en met name in Tripoli, een situatie voordoet als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van Richtlijn 2011/95/EU (Definitierichtlijn). In Libië is sprake van een binnenlands conflict. Uit de laatste update van Armed Conflict Location and Event Data Project (ACLED) van 22 juni 2017 blijkt dat het aantal incidenten en doden in het eerste kwartaal van 2017 is toegenomen. Verder blijkt uit een artikel van de BBC van 6 juni 2017 dat het aantal ontvoeringen in Libië schrikbarend is toegenomen. Het Rode Kruis schatte het aantal ontheemden per 1 februari op 500.000 binnenlandse ontheemden en op 450.000 buitenlandse ontheemden. Verweerder verwijst ten onrechte naar het ambtsbericht inzake Libië van 10 december 2014. Dit ambtsbericht is gedateerd. Voor de beoordeling van de situatie in Libië, en voor de uitwerking van het begrip ‘uitzonderlijke situatie in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, is voorts de ‘Country Guidance AT&Others’ van het Britse Upper Tribunal van juli 2014 en de uitspraak van het Britse Upper Tribunal van 28 juni 2017 van belang. Tevens zij verwezen naar de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 17 februari 2009 inzake Elgafaji (C-465/07; ECLI:EU:C:2009:94). Ten minste negen andere lidstaten van de Europese Unie (EU) geven een ruimere uitleg dan Nederland aan artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn en tevens wordt een ‘glijdende schaal’ gebruikt. Bij de beoordeling van het risico moet verweerder eveneens het risico betrekken dat de situatie in een gebied binnenkort zal verslechteren. De dreiging om getraumatiseerd te raken door getuige te zijn van geweld is ook een dreigende schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In artikel 9, tweede lid, aanhef en onder a, van de Definitierichtlijn is bepaald dat geestelijk geweld als een daad van vervolging moet worden beschouwd. Hiervoor hoeft verweerder niet van het vreemdelingenbeleid af te wijken. Ter ondersteuning zij verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 26 januari 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:6031). De Afdeling heeft eerder uitgesproken dat aan het oordeel van andere EU-lidstaten slechts beperkt gewicht toekomt bij een beoordeling of zich een 15-c situatie voordoet. Verwezen zij naar de uitspraak van de Afdeling van 20 juli 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2124). Ook heeft de Afdeling bij uitspraak van 5 december 2016 geoordeeld dat het feit dat omringende landen de situatie in Libië anders beoordelen geen reden is voor het stellen van prejudiciële vragen (ECLI:NL:RVS:2016:3231). Dit betekent echter niet dat aan de goed onderbouwde uitspraak van het Britse Upper Tribunal geen betekenis toekomt. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn mag niet per EU-lidstaat verschillend worden uitgelegd. Dit is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en zal, in strijd met het Europees beleid, gedifferentieerde vluchtelingenstromen teweegbrengen. Voorts citeert verweerder slechts gedeeltelijk uit het ambtsbericht van 19 mei 2016 inzake Libië. Tevens zij verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 20 juli 2017 (ECLI:NL:RBNNE:2017:2719) en naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 14 augustus 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:9577). Het standpunt van verweerder dat het willekeurig geweld wordt bepaald aan de hand van de doden en gewonden onder de burgerbevolking als gevolg van de gewapende strijd, is een zeer beperkte uitleg van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Verweerder concludeert eveneens ten onrechte dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij in het land van herkomst gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Gelet op het voorgaande zal hun gedwongen verwijdering tevens een schending van artikel 33 van het Vluchtelingenverdrag (verbod van réfoulement) opleveren, aldus eisers.

7.1

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld de algemene veiligheidssituatie in Libië – of in specifieke delen van Libië – niet zodanig slecht is dat eisers reeds om die reden niet kunnen terugkeren. Weliswaar is de situatie in Libië onzeker en instabiel en zijn de door partijen overgelegde stukken niet eenduidig over het aantal dodelijke slachtoffers in Libië als gevolg van de gewapende strijd, maar hieruit is niet gebleken dat in Libië sprake is van een uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Toepassing van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vw 2000 (een 15c-situatie) is uitsluitend geboden in de uitzonderlijke situatie dat de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict zodanig hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, louter door zijn aanwezigheid daar een reëel risico loopt op de in dat artikelonderdeel bedoelde bedreiging. Van een dergelijke situatie is in Libië niet gebleken. Dit is bevestigd in de uitspraak van de Afdeling van 4 januari 2018 inzake de veiligheidssituatie in Libië (ECLI:NL:RVS:2018:1). Bij deze uitspraak zijn de gegevens van ACLED en de uitspraak van het Britse Upper Tribunal van 28 juni 2017 betrokken. In de verwijzing van eisers naar de bevindingen van de BBC en het Rode Kruis, die dateren van vóór de voormelde uitspraak van de Afdeling, en in de door eisers ingeroepen uitspraak van 20 juli 2017 van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, en de uitspraak van 14 augustus 2017 van deze rechtbank en zittingsplaats, ziet de rechtbank geen aanleiding om tot een ander oordeel dan de Afdeling in de voormelde uitspraak van 4 januari 2018 te komen. De enkele betwisting van deze uitspraak van de Afdeling door de gemachtigde van eisers ter zitting geeft de rechtbank onvoldoende grond voor een ander oordeel. Aldus hebben eisers onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de algehele veiligheidssituatie in Libië, en in het bijzonder Tripoli, zo slecht is dat zij voor asielbescherming in aanmerking komen.

De omstandigheid dat enkele andere EU-lidstaten een ruimere uitleg dan Nederland aan artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn geven en een ‘glijdende schaal’ gebruiken, doet geen afbreuk aan de bestreden besluiten. Hoewel een afwijkende juridische duiding door de lidstaten en een verschillende toepassing van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn niet wenselijk is in het licht van Unierechtelijke harmonisatie, neemt de rechtbank in aanmerking dat het ambtsbericht van 2016 inzake Libië geen gezamenlijk met andere lidstaten opgesteld ambtsbericht is. Hierdoor is er geen sprake van de situatie dat lidstaten de feiten in hetzelfde ambtsbericht anders duiden. De omstandigheid dat EU-lidstaten de veiligheidssituatie in Libië verschillend beoordelen maakt op zichzelf niet dat het standpunt van verweerder ondeugdelijk is. Hierbij neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat de vraag wanneer zich een uitzonderlijke situatie voordoet door het Hof beantwoord is in het voormelde arrest van het Hof inzake Elgafaji. De vraag of zich, in dit geval in Libië, een dergelijke uitzonderlijke situatie voordoet gaat uitsluitend over de beoordeling van een feitelijke situatie, die is voorbehouden aan de lidstaten (zie ook de voornoemde uitspraak van de Afdeling van 4 januari 2018). Het standpunt dat hierdoor in strijd met het Europees beleid gedifferentieerde vluchtelingenstromen kunnen ontstaan, maakt dit niet anders. Het bestreden besluit is hierom evenmin in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

De enkele stelling dat het risico op geestelijk geweld als een dreigende schending van artikel 3 van het EVRM, dan wel als een daad van vervolging, kan worden aangemerkt, biedt onvoldoende grond voor een vernietiging van de bestreden besluiten. De verwijzing naar de voormelde uitspraak van de Afdeling van 26 januari 2010 maakt dit niet anders. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij in het land van herkomst gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. De rechtbank ziet in hetgeen eisers hebben aangevoerd evenmin grond voor het oordeel dat de verwijdering van eisers een schending van verbod van réfoulement zal opleveren.

Het betoog van eisers slaagt niet.

8. In hetgeen overigens door eisers is aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.P.M. Weerdesteijn, rechter, in aanwezigheid van mr. J.G. Bos, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2018.

griffier rechter

Afschrift digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na plaatsing daarvan in het digitaal dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.