Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:15610

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-08-2018
Datum publicatie
21-01-2019
Zaaknummer
C/09/530356 / HA ZA 17-385
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2019/189
INS-Updates.nl 2019-0084
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/530356 / HA ZA 17-385

Vonnis van 22 augustus 2018

in de zaak van

MARTIJN MAURICE HOVING Q.Q.

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [BV I],

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. K.E. Beerlage te Leiden,

tegen

1 [BV II] ,

gevestigd te [plaats] ,

2. [gedaagde A],

wonende te [plaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. S.I.P. Schouten te Amsterdam.

Eiser zal hierna de curator worden genoemd en gedaagden zullen hierna gezamenlijk [BV II c.s.] en ieder afzonderlijk [BV II] en [gedaagde A] worden genoemd. De gefailleerde vennootschap zal hierna [BV I] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 31 maart 2017, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 17 januari 2018, waarin een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 22 mei 2018, met de daarin genoemde stukken;

  • -

    de akte uitlaten producties van [BV II c.s.]

1.2.

Het proces-verbaal van comparitie is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld correcties van feitelijke aard per brief aan de rechtbank kenbaar te maken. De curator heeft bij brief van 7 juni 2018 van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Deze brief maakt deel uit van het procesdossier en het vonnis wordt gewezen met inachtneming van deze brief, voor zover het correcties van feitelijke aard betreft.

1.3.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

Bij vonnis van 24 januari 2017 heeft de rechtbank Den Haag [BV I] in staat van faillissement verklaard en de curator benoemd. Enig aandeelhouder en bestuurder van [BV I] is [BV II] . [gedaagde A] is enig aandeelhouder en bestuurder van [BV II] .

2.2.

In de jaren voorafgaand aan het faillissement exploiteerde [BV I] meerdere horecaondernemingen, waaronder café-diner [het Café] (hierna: [het Café] ). [het Café] was gevestigd in een bedrijfspand aan de [adres 1] . Dit pand was tot de zomer van 2016 eigendom van [BV I] (hierna: het bedrijfspand).

2.3.

Boekhoudkantoor [X] (hierna [X] ) verzorgde de administratie van [BV I]

2.4.

Over de boekjaren vanaf 2009 beschikt de curator over conceptjaarrekeningen. Hierin is opgenomen dat [BV I] eind 2008 een negatief eigen vermogen had van € 437.862. Per 31 december 2012 was dit negatieve vermogen opgelopen tot € 1.362.546. In deze conceptjaarstukken is voorts opgenomen dat [BV I] in de jaren 2009 tot en met 2012 een verlies leed. De omzet over 2008 bedroeg € 2.424.000, over 2009 € 1.980.000, over 2010 € 2.141.000, over 2011 € 2.085.000 en over 2012 € 1.855.000.

2.5.

De jaarrekeningen van [BV I] over 2013 tot en met 2016 zijn niet gedeponeerd.

2.6.

In 2015 heeft één van de schuldeisers van [BV I] , de Belastingdienst, executoriaal beslag gelegd ten laste van [BV I] , voor een vordering van € 1.700.000. Op 20 mei 2015 heeft een executieverkoop plaatsgevonden, waarbij de inventaris van [het Café] voor een bedrag van € 20.000 is verkocht. [het Café] mocht van de koper na de verkoop gebruik blijven maken van de inventaris.

2.7.

In de zomer van 2015 heeft [BV I] de heer [Q] ingeschakeld om haar te adviseren over een reorganisatie. Zij was tot de conclusie gekomen dat [X] zijn werkzaamheden als administrateur niet goed had verricht en dat de financiële situatie van [BV I] slecht was.

2.8.

Eveneens in 2015 heeft [gedaagde A] hem in privé toebehorend onroerend goed verkocht en met de opbrengst een deel van de belastingschuld van [BV I] en (een deel van) de hypotheekschuld van [BV I] bij ING voldaan.

2.9.

Op 4 mei 2016 heeft de Belastingdienst het faillissement aangevraagd van [BV I] De aanvraag van de Belastingdienst werd ondersteund door twee schuldeiseres van [BV I] , te weten [X] voor een bedrag van € 143.430,40 en Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland voor een bedrag van € 141.277,08.

2.10.

Eind mei 2016 heeft [gedaagde A] aan hem in privé toebehorend onroerend goed aan de [adres 2] geleverd aan een derde. Met een deel van de koopsom zijn onder meer beide steunvorderingen en ook andere schuldeisers van [BV I] betaald.

Op 17 juni 2016 heeft de Belastingdienst het faillissementsverzoek, bij gebrek aan steunvorderingen, weer ingetrokken.

2.11.

Op 6 juli 2016 heeft [BV I] het bedrijfspand waarin [het Café] werd geëxploiteerd, overgedragen aan [BV II] . Na de overdracht is voor het bedrijfspand een huurovereenkomst gesloten tussen [BV II] en [BV I]

2.12.

In 2015 of 2016 zijn twee horecagelegenheden die [BV I] exploiteerde, [1] en [2] , gesloten.

Enkele andere van de door [BV I] geëxploiteerde horecaondernemingen zijn per 1 augustus 2016 overgedragen aan daarvoor speciaal opgerichte dochtervennootschappen van [BV II] . Het betreft café [3] , café [4] , café [5] en café [6] . Uit de boekhouding van [BV I] blijkt niet welke koopsom voor de overgedragen cafés is betaald en hoe deze koopsom is betaald.

[BV I] behield alleen de exploitatie van [het Café] .

2.13.

Op 2 november 2016 hebben (i) de Stichting Pensioenfonds Horeca & Catering B.V., schuldeiser voor een bedrag van € 200.000, en (ii) een (voormalige) energieleverancier, schuldeiser voor een bedrag van ongeveer € 60.000, het faillissement van [BV I] aangevraagd.

2.14.

De curator heeft TKB Administraties gevraagd een quick scan te verrichten van de door [BV I] na het faillissement aangeleverde financiële en administratieve bescheiden. TKB heeft onder meer het volgende geconcludeerd:

- Afschrijvingen zijn meerdere jaren niet of onvolledig geboekt.

- Loonjournaalposten werden al meerdere jaren niet geboekt.

- Over de jaren 2013, 2014 en 2015 komen de beginstanden in de balans niet overal overeen met de eindbalansen van de voorafgaande jaren.

- Vanaf jaar 2016 werd de beginbalans niet meer geboekt.

- De debiteurenadministratie werd niet meer in de boekhouding bijgehouden.

- De crediteurenadministratie werd onvolledig bijgehouden.

- De grootboekrekeningen vraagposten, kruisposten en overlopende activa werden niet uitgezocht en/of gecorrigeerd.

2.15.

Bij brief van 3 februari 2017 heeft de curator de overdracht van het bedrijfspand vernietigd. Bij vonnis van deze rechtbank van 1 november 2017, C/09/529080 / HA ZA 17-309, is voor recht verklaard dat deze vernietiging rechtsgeldig heeft plaatsgevonden. [BV II] is van dit vonnis in hoger beroep gegaan.

3 Het geschil

3.1.

De curator vordert, samengevat en bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

A. de verklaring voor recht dat [gedaagde A] en/of [BV II] hun taak als statutair bestuurder van [BV I] kennelijk onbehoorlijk hebben vervuld en de in de dagvaarding omschreven feiten en omstandigheden een onrechtmatige daad opleveren van [gedaagde A] en/of [BV II] jegens de gezamenlijke crediteuren van [BV I] ;

B. de hoofdelijke veroordeling van [BV II c.s.] tot betaling van:

i) primair het totale boedeltekort van [BV I] , nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

ii) subsidiair de totale door [BV I] dan wel de gezamenlijk crediteuren van [BV I] geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

iii) meer subsidiair een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag,

te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding;

C. de veroordeling van [BV II c.s.] in de proceskosten.

3.2.

De curator doet primair een beroep op artikel 2:248 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Niet alleen heeft [BV I] de jaarrekeningen over 2013 tot en met 2017 niet opgemaakt, laat staan gepubliceerd, maar ook ontbreken vele primaire administratieve bescheiden zoals kasboeken en diverse contracten (waaronder contracten met financiers en leveranciers). Uit de boekhouding kunnen niet de rechten en plichten van [BV I] worden afgeleid. Daardoor is niet voldaan aan het bepaalde in artikel 2:10 lid 1 en lid 2 BW en evenmin aan de bewaarplicht van artikel 2:10 lid 3 BW. Door de jaarrekeningen niet te publiceren, is artikel 2:394 BW geschonden.

3.3.

[BV II c.s.] voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

kennelijk onbehoorlijk bestuur

4.1.

Vaststaat dat de jaarrekeningen van [BV I] over de jaren 2013 tot en met 2017 niet zijn gepubliceerd. Van deze jaren zijn zelfs in concept de jaarrekeningen niet opgesteld, althans niet aan de curator ter beschikking gesteld. De curator beschikt alleen over de grootboekadministratie over deze periode.

Voorts staat hetgeen TKB administraties heeft geconcludeerd over de administratie van [BV I] (zie onder 2.14) tussen partijen vast, nu [BV II c.s.] de bevindingen van TKB administraties niet hebben bestreden. De door TKB administratie geconstateerde tekortkomingen in de administratie van [BV I] en het ontbreken van jaarrekeningen vanaf (in ieder geval) 2013 rechtvaardigen de conclusie dat het bestuur van [BV I] niet heeft voldaan aan de boekhoudplicht zoals opgenomen in artikel 2:10 BW.

Hiermee staat vast dat het bestuur van [BV I] zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en vermoed wordt dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement is.

andere oorzaak van het faillissement

4.2.

[BV II c.s.] hebben aangevoerd dat externe oorzaken het faillissement van [BV I] hebben veroorzaakt, zodat geen sprake is van aansprakelijkheid van [BV II c.s.] Zij beroepen zich daartoe nadrukkelijk op het volgende. De economische crisis van 2008, die zes jaar heeft geduurd en het in die periode ingevoerde rookverbod hebben geleid tot dalende omzetcijfers in 2009, die zich nooit meer echt hebben hersteld. Hierdoor was de exploitatie van de horecaondernemingen van [BV I] gedurende een langere periode verlieslatend. Ook het in 2014 ingevoerde alcoholverbod voor kinderen onder 18 jaar heeft effect gehad op [BV I] , want [BV I] exploiteerde twee horecaondernemingen die echte jongeren cafés waren en de omzet van deze cafés kwam onder druk te staan.

4.3.

De rechtbank is van oordeel dat [BV II c.s.] niet aannemelijk hebben kunnen maken dat een van buiten komende gebeurtenis de oorzaak is van het faillissement.

Allereerst is daarbij van belang dat [BV II c.s.] , zoals ook overwogen onder 4.1., tegen de inhoud van het rapport van TKB administraties geen verweer hebben gevoerd en de inhoud ervan tussen partijen vaststaat. Dit betekent dat de conclusie gerechtvaardigd is dat de boekhouding van [BV I] vanaf ongeveer 2013 eigenlijk niet meer werd bijgehouden. Beginbalansen klopten niet met eindbalansen, crediteurenadministraties en debiteurenadministraties werden niet bijgehouden, en grootboekrekeningen, vraagposten, kruisposten en overlopende activa werden niet uitgezocht.

4.4.

Mede in het licht van deze gebrekkige administratie, is, zonder nadere toelichting, die [BV II c.s.] niet hebben gegeven, niet duidelijk geworden hoe [BV I] in de periode vanaf 2008 tot 2017 eerst de crisis en het rookverbod van 2008 heeft doorstaan met een in 2009 dalende, maar daarna in 2010 en 2011 weer stijgende omzet, en desondanks toch mede als gevolg van de economische crisis en het rookverbod in 2017 alsnog failliet is gegaan.

Deze nadere toelichting ontbreekt eveneens voor wat betreft het verhogen van de alcoholgrens in 2014. [BV II c.s.] stelt dat het verhogen van de alcoholgrens met name de omzet van twee van de horecaondernemingen van [BV I] , Café [7] en [8] , heeft beïnvloedt. Deze cafés bedienden met name de jongere doelgroep en verlaging van de alcoholgrens heeft geleid tot de sluiting van Café [7] , aldus [BV II c.s.] .

Gelet op de andere, in ieder geval zeven, horecaondernemingen die [BV I] exploiteerde en die dan kennelijk geen nadeel ondervonden van de verlaging van de alcoholgrens, is een nadere toelichting nodig om te kunnen begrijpen dat de dalende omzet in twee horecaondernemingen van [BV I] het faillissement van [BV I] (mede) heeft veroorzaakt.

4.5.

Gelet op dit een en ander is de rechtbank van oordeel dat [BV II c.s.] onvoldoende feiten en of omstandigheden hebben gesteld die het bewijsvermoeden dat de onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement kunnen ontkrachten. Dit betekent dat zij op grond van artikel 2:248 leden 1 en 2 in principe hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het bedrag van de schulden van [BV I] voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan.

beroep op matiging

4.6.

Artikel 2:248 lid 4 BW bepaalt dat de rechter het bedrag waarvoor de bestuurders aansprakelijk zijn kan verminderen indien hem dit bovenmatig voorkomt, gelet op de aard en de ernst van de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur, de andere oorzaken van het faillissement, alsmede de wijze waarop dit is afgewikkeld. [BV II c.s.] doen een beroep dit artikel en verzoeken de rechtbank het bedrag waarvoor zij aansprakelijk zijn te matigen.

4.7.

[BV II c.s.] voeren daartoe onder meer aan dat zij, als (indirect) bestuurder van [BV I] , voor wat betreft de administratie volledig hebben vertrouwd op [X] , naar wie zij ter afwikkeling alle administratieve bescheiden stuurden. Achteraf is [BV II c.s.] gebleken dat [X] weinig tot niets met de administratie deed. Dit kwam medio 2015 aan het licht. Nu [BV II c.s.] de administratieve werkzaamheden hadden uitbesteed, mochten zij veronderstellen dat [X] op correcte wijze uitvoering gaf aan haar werkzaamheden. Dit blijkt niet het geval te zijn geweest.

4.8.

De rechtbank ziet in deze omstandigheid geen grond voor matiging. [BV II c.s.] als (indirect) bestuurders waren verplicht om op een zodanige wijze administratie te voeren dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van [BV I] konden worden gekend.

[BV II c.s.] hadden klaarblijkelijk echter geen zicht op de financiële situatie en namen kennelijk beslissingen zonder te weten hoe de individuele horecaondernemingen die [BV I] exploiteerde er financieel voorstonden. In ieder geval vanaf 2013 zijn geen jaarrekeningen meer vastgesteld. Ook voor de periode vanaf 2009 beschikt de curator slechts over concept jaarrekeningen. Dit sluit aan bij de stelling van [BV II c.s.] dat [X] met de door [BV I] maandelijks aangeleverde administratie helemaal niets heeft gedaan. Tijdens de comparitie van partijen heeft [gedaagde A] voorts gezegd dat hij één maal per jaar met [X] sprak en dat iemand anders de cijfers aan [X] aanleverde. Hij heeft niet aangevoerd dat hij via andere weg dan [X] , op meer regelmatige basis een compleet beeld kreeg van de financiële positie van de onderneming op basis waarvan [BV I] op verantwoorde basis kon worden bestuurd.

Pas nadat de Belastingdienst in 2015 executoriaal beslag had gelegd, is onderzoek ingesteld naar de financiële situatie van [BV I] Toen is pas ontdekt, aldus [BV II c.s.] , dat enkele horecaondernemingen zwaar verlieslatend waren.

De rechtbank is van oordeel dat, indien [BV II c.s.] hun verantwoordelijkheden voor wat betreft de boekhouding op de juiste wijze hadden gedragen, waarschijnlijk al veel eerder was ontdekt dat de boekhouding niet goed werd bijgehouden en dus al eerder inzicht was gekregen in de resultaten van de horecaondernemingen en eerder duidelijk was geworden hoe deze ondernemingen ervoor stonden en welke maatregelen moesten worden genomen.

Een grond voor matiging vormen deze omstandigheden dan ook niet.

4.9.

[BV II c.s.] voeren voorts aan dat [gedaagde A] , toen hij in 2015 erachter kwam dat [X] zijn werkzaamheden kennelijk niet naar behoren verrichtte, Promaco heeft ingeschakeld, in de persoon van de heer [Q] . Deze adviseur kwam tot de conclusie dat de slechte invulling door [X] onder meer ertoe had geleid dat de loonbelastingaangifte die [X] gedurende meerdere jaren had gedaan, niet in lijn was met de feitelijke situatie, waardoor jarenlang stelselmatig te veel loon is opgegeven voor de loonbelasting. Promaco heeft voor de maand juli 2015 een exploitatieoverzicht opgesteld waaruit bleek dat enkele horecaondernemingen van [BV I] zwaar verlieslatend waren. Vervolgens is in samenspraak met Promaco een plan van aanpak gemaakt om alle schuldeisers te voldoen. Dit heeft ertoe geleid dat twee horecaondernemingen zijn gesloten en het besluit is genomen om andere horecaondernemingen over te dragen aan aparte exploitatievennootschappen, aldus nog steeds [BV II c.s.]

Ook heeft [gedaagde A] privé onroerend goed te gelde gemaakt ter delging van schulden van [BV I] Zo heeft [gedaagde A] in september 2015 privé panden verkocht en is de opbrengst onder meer gebruikt om een hypothecaire lening op het bedrijfspand af te lossen. Ook in juni 2016 heeft [gedaagde A] panden verkocht en met de opbrengst schulden van [BV I] voldaan. Hij heeft ook een deel van de koopsom aan [BV I] laten uitkeren, daarvan is de koopsom betaald voor de cafés die zijn overgedragen aan de aparte exploitatie B.V’s. Uiteindelijk is een bedrag van € 106.000 in [BV I] als extra kapitaal achtergebleven, aldus [BV II c.s.]

4.10.

Ook in deze omstandigheden ziet de rechtbank geen grond voor matiging. De ontdekking in 2015 van de financiële situatie van [BV I] heeft ertoe geleid dat reorganisatieplannen zijn opgesteld en zijn uitgevoerd. Daarbij is onder meer het bedrijfspand geleverd aan [BV II] . In het vonnis van deze rechtbank van 1 november 2017, C/09/529080 / HA ZA 17-309, is geconcludeerd dat paulianeus is gehandeld.

Verder zijn cafés overgedragen aan aparte exploitatie B.V.’s onder [BV II] , zonder dat inzichtelijk is geworden op welke wijze de koopprijs voor deze cafés is vastgesteld en zonder dat in de boekhouding van [BV I] inzichtelijk is gemaakt dat de koopprijs is betaald. [BV II c.s.] heeft nog wel aangevoerd dat een deel van de koopsom van een door [gedaagde A] in privé verkocht onroerend goed op een rekening van [BV I] is gestort en dat dit bedrag is gebruikt voor een betaling van de koopprijs van de horecaondernemingen die in aparte exploitatie B.V.’s zijn ondergebracht. De curator heeft echter onweersproken gesteld dat deze betalingen in de boekhouding van [BV I] niet zijn te traceren, zodat [BV II c.s.] op dit punt onvoldoende heeft gesteld.

Bij deze reddingsoperaties wreekt zich bovendien dat de ontdekking van de achterstanden in de boekhouding in de zomer van 2015 kennelijk niet ertoe heeft geleid dat vanaf dat moment de administratie op juiste wijze werd bijgehouden. Daardoor zijn de door [BV II c.s.] aangevoerde reddingsacties niet op eenduidige en voor de curator duidelijk traceerbare wijze in de boekhouding verwerkt. Gelet hierop kan de rechtbank thans niet oordelen wat de gevolgen van deze reddingsacties voor het faillissement van [BV I] zijn geweest en of deze reddingsacties een matiging van de aansprakelijkheid van [BV II c.s.] rechtvaardigen, voor zover de wet hiervoor al ruimte biedt.

Bovendien kan de vraag worden gesteld of [BV II c.s.] met deze reddingsacties juist niet het faillissement heeft versneld doordat zij [BV I] vrijwel geheel heeft leeggehaald waardoor haar verdiencapaciteit grotendeels verdween.

Het beroep op matiging voor zover dit is gerelateerd aan de reddingsacties van [BV II c.s.] , wijst de rechtbank dan ook af.

4.11.

Als grond voor matiging voeren [BV II c.s.] nog aan dat de curator hen na het uitspreken van het faillissement onvoldoende de gelegenheid geeft tot inzage in de administratie van [BV I] Deze toegang zou zij vrijelijk moeten krijgen om haar eigen belangen te kunnen verdedigen. De curator heeft deze stelling weersproken en gesteld dat [BV II c.s.] toegang kan krijgen tot de administratie, mits zij hiervoor een redelijke boedelbijdrage betaalt. Een medewerker van het kantoor van de curator moet immers ter plekke aanwezig zijn om toezicht te houden. De rechtbank is van oordeel dat dit geen onredelijke eis van de curator is. Onbewaakte toegang tot de administratie kan hij niet bieden, nu hij hiervoor thans verantwoordelijk is.

Deze stelling wijst de rechtbank dan ook af.

4.12.

[BV II c.s.] voeren tot slot nog aan dat de door de Belastingdienst opgelegde aanslagen voor de loonbelasting en de omzetbelasting ten onrechte zijn opgelegd en dat [BV I] eigenlijk een bedrag van de Belastingdienst moet terugkrijgen.

Vanaf de zomer van 2016 heeft [gedaagde A] alles in het werk gesteld om nieuwe suppletieaangiften te kunnen doen, om zo de schuld aan de Belastingdienst omlaag te krijgen naar een niveau in lijn met de werkelijkheid. Ook na het faillissement van [BV I] heeft hij hiervoor nog adviseurs ingeschakeld. Hij heeft voor het faillissement ook privé hypothecaire zekerheid gegeven voor de schulden van [BV I] aan de Belastingdienst. Dat de Belastingdienst te hoge aanslagen heeft opgelegd en dat de curator hiertegen onvoldoende is opgetreden, is een reden voor matiging van het bedrag waarvoor zij aansprakelijk is, aldus [BV II c.s.]

4.13.

De rechtbank oordeelt op dit punt als volgt. Na het faillissement van [BV I] heeft de Belastingdienst onderzoek gedaan naar de door [X] gedane aangifte omzetbelasting. De Belastingdienst heeft in een (concept-)rapport dat zij hiervan heeft opgesteld van 20 september 2017 geconcludeerd dat [BV I] een te laag bedrag aan omzet heeft opgegeven en dat een hogere aanslag omzetbelasting moet worden opgelegd.

4.14.

[BV II c.s.] hebben in deze procedure tegen de uitkomsten van dit rapport fel geprotesteerd. Zij hebben daartoe onder meer aangevoerd dat de Belastingdienst ten onrechte ervan is uitgegaan dat de bierprijs in alle horecagelegenheden van [BV I] op hetzelfde niveau ligt als de bierprijs in [het Café] . Ten onrechte heeft de Belastingdienst voor alle horecaondernemingen gerekend met deze (te) hoge bierprijs waardoor de omzet veel hoger is uitgevallen dan in werkelijkheid is gerealiseerd. Hun bezwaar dat de curator haar niet de gelegenheid heeft gegeven op het concept rapport van de Belastingdienst te reageren, hebben [BV II c.s.] moeten laten varen op het moment dat hen bleek dat de curator een concept-rapport naar de fiscale adviseur had gestuurd met het verzoek om een reactie en daarop niet is gereageerd.

4.15.

Naar de aangifte loonbelasting is tijdens het faillissement nog helemaal geen onderzoek gedaan. [BV II c.s.] voeren aan dat dit wel zou moeten: zij hebben iemand ingeschakeld die dit heeft onderzocht en die is tot de conclusie gekomen dat [X] ook op dit punt verkeerde aangiftes heeft gedaan. De onderliggende stukken van dit onderzoek hebben [BV II c.s.] echter niet in het geding gebracht en evenmin heeft zij deze aan de curator overhandigd.

4.16.

De rechtbank is van oordeel dat [BV II c.s.] , gelet op hetgeen zij onder 4.13 tot en met 4.15 heeft overwogen, in deze procedure onvoldoende feiten en of omstandigheden hebben aangevoerd die het oordeel rechtvaardigen dat de Belastingdienst onjuiste aanslagen heeft opgelegd en/of de curator in dat opzicht een verwijt kan worden gemaakt van de wijze waarop hij zijn taak op dit punt heeft uitgevoerd.

Naar de aanslagen omzetbelasting is opnieuw onderzoek gedaan en dat onderzoek heeft niet geleid tot een vermindering van de aanslagen. De omstandigheid dat [BV II c.s.] , ondanks daartoe te zijn uitgenodigd, geen commentaar op het conceptrapport heeft geleverd, komt voor haar rekening en risico.

Naar de aanslagen loonbelasting is geen nieuw onderzoek gedaan, maar [BV II c.s.] heeft de documenten waaruit blijkt dat dit zou moeten, niet overgelegd en ook overigens geen specifieke feiten en of omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat dit wel zou moeten. De enkele omstandigheid dat de Belastingdienst in de zomer van 2016 bereid was om een schikking te treffen voor het bedrag van de aanslagen betekent niet dat dus kan worden geconcludeerd dat de aanslagen te hoog waren en nader onderzoek vereist is. De Belastingdienst kan ook op andere gronden bereid zijn geweest om een schikking te treffen.

Ook deze grond vormt derhalve geen aanleiding zijn om het bedrag waarvoor [BV II c.s.] aansprakelijk zijn te matigen.

conclusie

4.17.

De rechtbank is van oordeel dat [BV II] en [gedaagde A] (op grond van artikel 2:11 BW) hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het boedeltekort. Dit boedeltekort staat thans nog niet vast. De rechtbank zal de procedure dan ook verwijzen naar de schadestaat, zoals ook de curator heeft gevorderd.

Bij de vaststelling van de hoogte van het boedeltekort kunnen [BV II c.s.] overigens hun bezwaren tegen de hoogte van de belastingaanslagen nader toelichten. Mochten die daadwerkelijk lager zijn, dan leidt dit uit dien hoofde tot een lagere aansprakelijkheid van

4.18.

Gelet op deze conclusie behoeven de overige stellingen en weren van partijen geen nadere bespreking.

4.19.

[BV II c.s.] verzoekt nog het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Hiertegenover heeft de curator gesteld dat een eventueel door [BV II c.s.] te betalen bedrag op de derdengeldrekening zal worden gezet totdat een onherroepelijke uitspraak in deze procedure is gedaan. Gelet op deze toezegging ziet de rechtbank geen aanleiding de op te nemen veroordeling niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.20.

Een veroordeling in de proceskosten wordt niet uitgesproken, nu [BV II c.s.] worden veroordeeld het boedeltekort te betalen.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

verklaart voor recht dat [gedaagde A] en [BV II] hun taak als statutair bestuurder van [BV I] kennelijk onbehoorlijk hebben vervuld;

5.2.

veroordeelt [BV II] en [gedaagde A] hoofdelijk, – aldus dat indien en voor zover de één betaalt, de ander zal zijn bevrijd – tot betaling van het totale boedeltekort van [BV I] , nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

5.3.

verklaart de veroordeling onder 5.2. uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Bordes en in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2018.1

1 type: 1958