Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:15533

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-11-2018
Datum publicatie
16-01-2019
Zaaknummer
C-09-541434-HA ZA 17-1099
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige overheidsdaad. Begaclaim-vordering van notaris.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0085
NJF 2019/132
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/541434 / HA ZA 17-1099

Vonnis van de meervoudige kamer van 14 november 2018

in de zaak van

1 [eiser 1] ,

te [plaats 1] ,

2. [BV I] in liquidatie,

te [plaats 2] ,

3. [BV II] (voorheen [BV II (a)] ) B.V. in liquidatie,

te [plaats 3] ,

eisers,

advocaat mr. J.G. Geertsma te Amsterdam,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. I.C. Engels te Den Haag.

Partijen zullen hierna [eiser 1 c.s.] . en de Staat genoemd worden. Eisers zullen afzonderlijk worden aangeduid met [eiser 1] , [BV I] en [BV II] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 6 oktober 2017 met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 10 januari 2018, waarin een comparitie van partijen is bevolen;

  • -

    het proces-verbaal van de op 18 september 2018 gehouden comparitie van partijen en de daarin genoemde stukken.

1.2.

Het proces-verbaal van de comparitie is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om op de inhoud van het proces-verbaal te reageren voor zover het feitelijke onjuistheden betreft. Partijen hebben hier geen gebruik van gemaakt.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[eiser 1] oefende tot mei 2013 het ambt van notaris uit. [eiser 1] voerde via indirect eigendom van [BV II] en direct eigendom van [BV I] een praktijk in [plaats 3] , die was gelieerd aan [Advocaten- en notarissenkantoor] . Hij was de enige notaris die aan het voormelde kantoor verbonden was en had de leiding over de notariële diensten. Bij [Advocaten- en notarissenkantoor] was tevens werkzaam mevrouw [A] (hierna: [A] ). Zij was kandidaat-notaris op het kantoor en trad tevens op als waarnemer voor [eiser 1] als deze wegens afwezigheid door ziekte of vakantie niet beschikbaar was.

2.2.

In de periode 2009-2015 heeft een strafrechtelijk onderzoek plaatsgevonden naar illegale vastgoedhandel, hypotheekfraude en witwassen met zogeheten ABC-constructies. Het onderzoek droeg de naam “Peseta”. [eiser 1] was een van de verdachten in de strafzaak.

2.3.

De verdenking jegens [eiser 1] omvatte – samengevat – deelname aan een criminele organisatie, witwassen en valsheid in geschrifte. [eiser 1] en [A] zouden betrokken zijn bij verdachte ABC-transacties in relatie tot een drietal panden in Amsterdam. De rol van [eiser 1] was volgens het Openbaar Ministerie de volgende. Een woningbouwvereniging in Amsterdam verkocht met een starterskorting voormalige sociale huurwoningen met als doel het eigenwoningbezit in bepaalde wijken te stimuleren. [X] (hierna: [X] ) kocht (een deel van) deze woningen op via stromannen, die zich voordeden als “starters” dan wel “doorstromers” op de huizenmarkt. Vervolgens werden de woningen door [X] met winst doorverkocht. De verkoop door de woningbouwvereniging aan de stroman werd aangeduid als een AB-transactie. De (door)verkoop van de woningen aan een derde werd aangeduid als de BC-transactie. De stroman ontving ongeveer € 1.500 van [X] .

2.4.

De voor de levering BC noodzakelijke notariële aktes zijn in de gevallen van de drie panden door het notariskantoor van [eiser 1] opgesteld. [eiser 1] werd ervan verdacht dat hij medewerking heeft verleend aan [X] om door misleiding van de verkopende woningbouwvereniging sociale huurwoningen te kopen tegen een sterk gereduceerde prijs en die binnen een half jaar door te verkopen met een aanmerkelijke winst. De verdenking was dat [eiser 1] heeft meegewerkt aan het opzettelijk opmaken van authentieke akten waarin een valse voorstelling van zaken werd gegeven. Op het moment van doorlevering zou [eiser 1] hebben geweten dat [X] met gebruikmaking van stromannen de woningbouwvereniging misleidde. Tevens werd hij ervan verdacht dat hij hierbij uitvoering heeft gegeven aan notariële afrekeningen die strijdig waren met de inhoud van de door hemzelf verleden akten bij (door)levering. De verdenking tegen [eiser 1] was onder meer gebaseerd op getuigenverklaringen van [Y] (hierna: [Y] ).

2.5.

De drie panden die het betreft zijn alle drie gepasseerd bij [A] als waarnemer voor [eiser 1] . Het ging hierbij om de [pand 1] (hierna: het eerste pand) en de [pand 2] (hierna: het tweede pand) en de [pand 3] (hierna: het derde pand), alle gelegen in Amsterdam. De akten betreffende de eerste twee panden zijn op 11 juni 2007 respectievelijk 12 juni 2007 gepasseerd, de akte betreffende het derde pand is op 16 april 2008 gepasseerd.

2.6.

Op 31 oktober 2011 is [eiser 1] aangehouden als verdachte. Op die dag hebben tevens verschillende doorzoekingen plaatsgevonden, waaronder op het woon- en werkadres van [eiser 1] . [eiser 1] is die dag in verzekering gesteld. Het Openbaar Ministerie heeft op diezelfde datum een persbericht uitgebracht, waarin vermeld stond dat 14 mannen en 4 vrouwen zijn aangehouden, waaronder twee notarissen en een advocaat, die worden verdacht van vastgoed- en hypotheekfraude, valsheid in geschrift, deelname aan een criminele organisatie, medeplichtigheid aan illegaliteit en witwassen van crimineel geld. De naam van [eiser 1] is daarbij niet vermeld.

2.7.

Op 3 november 2011 is de inverzekeringstelling verlengd met drie dagen. Tevens is [eiser 1] op die dag voorgeleid aan de rechter-commissaris waar de officier van justitie de bewaring heeft gevorderd. De rechter-commissaris heeft de vordering tot bewaring afgewezen. Tegen deze beslissing is de officier van justitie in beroep gegaan bij de rechtbank. De rechtbank heeft alsnog het bevel tot bewaring gegeven voor een termijn van 12 dagen, ingaande op 5 november 2011. Bij beslissing van 16 november 2011 is op vordering van de officier van justitie de gevangenhouding van [eiser 1] bevolen. Van deze beslissing is [eiser 1] in hoger beroep gekomen. Het gerechtshof heeft deze beslissing vernietigd en daarbij geoordeeld dat wel sprake was van ernstige bezwaren, maar niet van collusiegevaar, zodat geen grond bestond om [eiser 1] gevangen te houden.

2.8.

[eiser 1] heeft om zijn ontslag als notaris met ingang van 1 mei 2013 verzocht. Dit verzoek is gehonoreerd.

2.9.

Bij vonnis van 16 februari 2015 van de rechtbank Midden-Nederland is [eiser 1] vrijgesproken van de hem ten laste gelegde feiten. De strafrechter heeft tevens geoordeeld dat aan de wijze waarop [Y] is verhoord en de wijze waarop die verhoren terecht zijn gekomen in het proces-verbaal, ernstige gebreken kleven. Dit heeft de betrouwbaarheid van de verklaringen van [Y] aangetast. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de wijze van verhoren en het onderhouden van mailcontact, het horen op een afwijkende locatie, het niet auditief registreren van een deel van de verhoren en het niet dan wel onjuist verbaliseren van de verklaringen van [Y] ertoe heeft geleid dat de wijze waarop de verklaringen van [Y] tot stand zijn gekomen achteraf niet controleerbaar meer is. Naar het oordeel van de rechtbank was sprake van een ernstig vormverzuim, maar diende dit vormverzuim niet te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Tegen het strafvonnis is geen hoger beroep ingesteld. Het vonnis is op 1 maart 2015 onherroepelijk geworden.

2.10.

[eiser 1] heeft na afloop van zijn strafzaak verzoeken tot schadevergoeding ex artikel 89, 591 en 591a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) ingediend bij de rechtbank Midden-Nederland. Bij beschikkingen van 20 oktober 2015 heeft de rechtbank uit hoofde van artikel 89 Sv een vergoeding van € 16.500 en uit hoofde van artikelen 591 en 591a Sv een vergoeding van € 926,10 aan [eiser 1] toegekend. Het daartegen ingestelde hoger beroep van [eiser 1] is verworpen bij beschikkingen van 15 augustus 2016 van het hof Arnhem-Leeuwarden. Het hof heeft de eerdere beschikkingen van de rechtbank bekrachtigd.

2.11.

Bij brief van 19 oktober 2016 heeft [eiser 1] de Staat aansprakelijk gesteld voor het verlies van zijn ambt, zijn notariskantoor en zijn eer en goede naam. Verder heeft [eiser 1] de Staat aansprakelijk gesteld voor de schade die [BV I] en [BV II] hebben geleden.

2.12.

De Staat heeft aan [eiser 1] laten weten dat hij geen aanleiding ziet voor een schadevergoeding, anders dan de vergoeding die op grond van de artikelen 89 Sv, 591 en 591a Sv aan [eiser 1] als gewezen verdachte wordt toegekend.

3 Het geschil

In de hoofdzaak

3.1.

[eiser 1 c.s.] . vordert, samengevat:

I. te verklaren voor recht dat de Staat door het strafrechtelijk optreden tegen [eiser 1] , alsmede het verschaffen van inzage in het strafdossier aan de media, onrechtmatig heeft gehandeld;

II. de Staat te veroordelen om een schadevergoeding van € 1.855.136 te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente,

III. de Staat te veroordelen om aan [BV I] en [BV II] te betalen een bedrag van € 80.586,55, te vermeerderen met wettelijke rente, terzake van de geleden schade, bestaande uit kosten voor rechtsbijstand aan haar directeur-grootaandeelhouder,

IV. de Staat te veroordelen in de (na)kosten van deze procedure.

3.2.

Aan zijn vorderingen legt [eiser 1 c.s.] . ten grondslag dat [eiser 1] ten onrechte als verdachte is aangemerkt en dat van meet af aan een redelijk vermoeden van schuld als bedoeld in artikel 27 Sv heeft ontbroken. Voorts blijkt uit de einduitspraak waarbij [eiser 1] is vrijgesproken de onschuld van [eiser 1] . De schade die [eiser 1] door het strafvorderlijk optreden door de Staat heeft geleden, moet worden vergoed. Het gaat daarbij om inkomensschade, goodwillschade, pensioenschade en immateriële schade. De Staat heeft eveneens jegens [BV I] en [BV II] onrechtmatig gehandeld. Deze vennootschappen zijn te kwalificeren als gedupeerde derden. Zij zijn niet vervolgd of als verdachte betrokken geweest, maar wel ten volle geraakt door de gevolgen van het optreden van de Staat jegens [eiser 1] . Er is sprake van onevenredig nadeel als bedoeld in het arrest Hoge Raad (hierna: HR) 30 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0801 (hierna: Staat/Lavrijsen-arrest), aldus steeds [eiser 1 c.s.] .

3.3.

De Staat voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

In het incident:

3.5.

[eiser 1] vordert de Staat te veroordelen tot betaling aan [eiser 1] van een voorschot op de in de hoofdzaak toe te wijzen schadevergoeding van € 250.000.

4 De beoordeling

Juridisch kader in verband met de vordering tot schadevergoeding wegens strafvorderlijk optreden

4.1.

Naar vaste rechtspraak kan een voormalige verdachte in een civielrechtelijke procedure op grond van onrechtmatige overheidsdaad van de Staat vergoeding vorderen van de schade die hij als gevolg van strafrechtelijk optreden van politie en justitie heeft geleden, indien vanaf aanvang af een rechtvaardiging voor dat optreden heeft ontbroken doordat dit optreden in strijd was met een publiekrechtelijke rechtsnorm, neergelegd in de wet of in het ongeschreven recht, waaronder het geval dat van de aanvang af een redelijk vermoeden van schuld heeft ontbroken (de zogenoemde a-grond) en indien achteraf blijkt van het ongefundeerd zijn van de verdenking waarop dat optreden berustte en hij aldus ten onrechte als verdachte is aangemerkt (de zogenoemde b-grond) (HR 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6956, hierna: Begaclaim-arrest).

4.2.

[eiser 1] heeft zich zowel op de a-grond als de b-grond beroepen. De rechtbank is van oordeel dat het beroep op de b-grond slaagt. Ter toelichting dient het volgende.

4.3.

Het gebleken onschuldcriterium is een restrictief criterium. Enerzijds is dat ingegeven door de gedachte dat een risicoaansprakelijkheid niet kan worden aanvaard in die zin dat de Staat het risico draagt schade te moeten vergoeden, indien de strafvervolging ten slotte – om welke reden dan ook – niet tot een veroordeling leidt. Anderzijds houdt het verband met de onwenselijkheid dat de burgerlijke rechter in de regel vragen onder ogen krijgt, in een daarop niet toegesneden procedure, terwijl tot het beantwoorden ervan bij uitstek de strafrechter is toegerust en geroepen, en dat de strafrechter deze, in geval van vrijspraak, veelal reeds heeft beantwoord.

4.4.

De beoordeling of uit het strafvorderlijk onderzoek van de onschuld van de gewezen verdachte is gebleken kent voor de burgerlijke rechter beperkingen. Deze is niet bevoegd zijn eigen oordeel omtrent de uitleg van in de betrokken delictsomschrijving voorkomende bestanddelen in de plaats te stellen van dat van de strafrechter. De burgerlijke rechter mag wel, in het geval het vrijsprekend vonnis daarover geen duidelijkheid geeft, mede aan de hand van de volgens hem juiste uitleg van de (bestanddelen van de) delictsomschrijving beoordelen of uit het vrijsprekend vonnis of het strafdossier blijkt van de onschuld.

4.5.

In het vrijsprekend vonnis van [eiser 1] heeft de strafrechter niet volstaan met de motivering dat wettig en overtuigend bewijs ontbreekt. Hij heeft uitvoerig gemotiveerd waarom [eiser 1] is vrijgesproken. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit deze motivering de gebleken onschuld van [eiser 1] met betrekking tot de deelname aan een criminele organisatie en het leiding geven aan een organisatie die zich schuldig maakt aan witwassen en aan valsheid in geschrifte. Daarbij neemt de rechtbank het volgende meer in het bijzonder in aanmerking.

4.6.

Het Openbaar Ministerie heeft [eiser 1] verweten dat hij feitelijk leiding zou hebben gegeven aan het valselijk opmaken van de leveringsaktes en hypotheekaktes met betrekking tot drie panden. Voorts werd hem verweten dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan het witwassen van de betreffende panden en hypotheekbedragen. De strafrechter heeft ten aanzien van de eerste twee panden vastgesteld dat:

  1. de panden zijn gepasseerd bij [A] ;

  2. dat zij daarbij optrad als waarnemer voor [eiser 1] ;

  3. dat [eiser 1] op dat moment met vakantie was.

In beide gevallen ging het om een BC-transactie en werd de verkoopsom behorend bij de transactie van een van de kwaliteitsrekeningen van het notariskantoor overgemaakt op een rekening van [X] .

4.7.

Het feit dat de transacties bij [A] als waarnemer van [eiser 1] hebben plaatsgevonden, betekent dat [eiser 1] op dat moment onbevoegd was om met betrekking tot die transacties het notarisambt uit te oefenen (zie artikel 29 lid 7 van de Wet op het notarisambt). Dat ontslaat [eiser 1] weliswaar niet van zijn eventuele civielrechtelijke aansprakelijkheid jegens cliënten van zijn kantoor (artikel 29a van de Wet op het notarisambt), maar dat is naar het oordeel van de rechtbank een wezenlijk andere vraag dan de vraag of [eiser 1] in strafrechtelijke zin een verwijt kan worden gemaakt met betrekking tot het passeren van die aktes. Het enkele feit dat een transactie op het kantoor van de notaris plaatsvindt, impliceert nog niet dat [eiser 1] zelf daarvan op de hoogte was of redelijkerwijze daarvan op de hoogte had moeten zijn en daarmee reeds strafrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld in de zin van de aan hem tenlastegelegde feiten. Dat heeft de strafrechter ook met zoveel woorden geoordeeld. Daar komt bij dat de waarnemer tijdens de waarneming immers dezelfde bevoegdheden als de notaris heeft en uitoefent.

4.8.

De strafrechter heeft overwogen dat hij de betrokkenheid van [eiser 1] bij de vastgoedhandel van [X] niet kan vaststellen. Hoewel de Staat terecht opmerkt dat de strafrechter hier niet met zoveel woorden heeft geoordeeld dat [eiser 1] niet betrokken is geweest, volgt uit het vonnis ook dat de strafrechter heeft meegewogen dat [X] heeft verklaard dat hij [eiser 1] niet heeft ingelicht over hoe zijn handel met gebruikmaking van strolieden had opgezet. Bovendien kan uit het strafdossier worden opgemaakt dat het vertrekpunt van het strafrechtelijke onderzoek werd gevormd door de getuigenissen van [Y] . [Y] heeft – zo is gedurende de strafvervolging tegen [eiser 1] pas duidelijk geworden – evenwel over de betrokkenheid van [eiser 1] bij de handel van [X] juist verklaard dat het hem in ieder geval niet bekend was dat [eiser 1] van die vastgoedhandel af wist, terwijl het hem met betrekking tot een andere notaris wel bekend was dat deze van voormelde handel af wist. In de uitwerking van de audio-opname van het verhoor van [Y] van 13 juli 2010 is daarover het volgende opgenomen:

“(…)

Verbalisant (m): Ja, nee, dat is perfect. Weet u zelf, van uw eigen wetenschap, dus wat u ziet, hoort, noem maar op, waar u zegt van: Nou dat is heel duidelijk waardoor ik zelf persoonlijk gezien heb dat die notaris [eiser 1] fout is.

[Y] : Nee, nee.

Verbalisant (m): Heeft u bijvoorbeeld gesprekken gehoord? Als het wel is horen we het heel graag.

[Y] : Nee, nee, nee. Nee, ik ben medewerker geweest en het is, uhm, als twee directeuren iets met elkaar bespreken zit ik er nooit bij, ik ben er nooit bij betrokken geweest. Je bent iemand in het veld, dus je gaat er gewoon naartoe.

Verbalisant (m): Ja.

[Y] : En je neemt de klant mee of je neemt je familie mee, that’s it.

Verbalisant (m): Maar ik kan me voorstellen als je er een aantal jaar werkt dat je mensen onderling weleens wat hoort zeggen. heeft u mensen onderling, [X] , […] , of anderen wel eens erover horen praten waarbij ze bewijs van spreken zeggen, nou…

[Y] : Nee, ik heb er nooit in die hoedanigheid iets over gehoord.

Verbalisant (m): Nee, ook niet van andere notarissen?

[Y] : Nee, ja, wel van meneer (…). Ja, dat hij dus wel afwist van die ABC-constructies, en dat soort dingen. (…) Als je vroeg: Hé, bij wie kun je terecht voor een ABC-constructie, nou, dan was het meestal (…) ”

4.9.

De verklaring van [X] dat [eiser 1] niet bekend was met zijn vastgoedhandel wordt dus door [Y] bevestigd.

4.10.

De strafrechter heeft vervolgens geoordeeld dat [eiser 1] voor de handelingen op zijn kantoor ten aanzien van de eerste twee panden ook verwijtbaar in strafrechtelijke zin zou handelen, indien hij nalatig zou zijn geweest in het controleren van de bedrijfsvoering en het toezicht op zijn medewerkers. De strafrechter heeft evenwel geoordeeld dat daarvoor onvoldoende aanwijzingen bestaan. Bij die formulering heeft de strafrechter het niet gelaten. De rechtbank heeft daaraan immers toegevoegd dat [A] en een andere medewerker hebben verklaard over de werkwijze op het kantoor, dat [eiser 1] er juist op was gebrand dat er volgens de regels zou worden gewerkt. Bovendien heeft de strafrechter overwogen dat ook in algemene zin niet is gebleken dat [eiser 1] een verwijt treft met betrekking tot de algemene werkwijze en bedrijfsvoering op het kantoor. Dit, terwijl het Openbaar Ministerie het bedrijfspand heeft doorzocht en kennelijk niets heeft aangetroffen dat daarop duidt.

4.11.

De conclusie is dan ook dat het enige aanknopingspunt voor betrokkenheid van [eiser 1] bij deze twee – incidentele – transacties was, dat deze hebben plaatsgevonden op het kantoor waar [eiser 1] de leiding had. Bovendien zijn de akten verleden in een vakantieperiode van [eiser 1] , terwijl [eiser 1] zijn praktijk voor die periode had overgedragen aan de waarnemer en dus niet bevoegd was als notaris met betrekking tot deze transacties. Daar komt bij dat zowel [X] als [Y] hebben verklaard dat [eiser 1] niet op de hoogte was van de vastgoedhandel. Het vrijsprekend vonnis van de strafrechter verschaft – alles afwegende – dan ook voldoende duidelijkheid over de onschuld van [eiser 1] ten aanzien van de beschuldiging dat [eiser 1] leiding heeft gegeven aan het witwassen en de valsheid in geschrifte met betrekking tot de eerste twee panden.

4.12.

Ten aanzien van het derde pand heeft de strafrechter geoordeeld dat geen sprake was van een strafrechtelijke gedraging, zodat voor dat feit de onschuld eveneens is gebleken.

4.13.

Ten aanzien van het eerste tenlastegelegde feit (deelname aan een criminele organisatie) ging het om het volgende. Buiten de hiervoor besproken drie panden, heeft het Openbaar Ministerie erop gewezen dat er leveringen van drie andere panden ten overstaan van [eiser 1] hebben plaatsgevonden die van doen zouden hebben met de vastgoedhandel van [X] . Van die leveringen heeft de strafrechter geoordeeld dat geen van de indicatoren die zouden duiden of witwassen aanwezig was en dat onduidelijk is welk verwijt [eiser 1] met betrekking tot die panden kan worden gemaakt. Uit de wijze waarop de strafrechter de vrijspraak voor het derde feit heeft gemotiveerd, volgt dat het Openbaar Ministerie de transacties van deze panden onder de aandacht van de strafrechter heeft gebracht, maar heeft nagelaten te onderbouwen welk strafrechtelijk verwijt [eiser 1] ten aanzien van die panden kan worden gemaakt. Het voert te ver om het restrictieve criterium van de b-grond ook op een dergelijke situatie toe te passen, ook al heeft de strafrechter bewoordingen gekozen dat er “onvoldoende aanknopingspunten” zijn om aan te nemen dat [eiser 1] op de hoogte was dat een crimineel samenwerkingsverband zou bestaan. Daarbij weegt de rechtbank mee dat het vrijsprekend vonnis van de strafrechter niet tot doel heeft de gebleken onschuld in de zin van het Begaclaim-arrest vast te stellen.

4.14.

Gelet op dit oordeel behoeven de stellingen en weren ten aanzien van het a-criterium geen bespreking meer.

4.15.

Dat betekent dat de vordering van [eiser 1] te verklaren voor recht dat de Staat door het strafrechtelijk optreden jegens [eiser 1] onrechtmatig heeft gehandeld kan worden toegewezen, omdat de onschuld van [eiser 1] is gebleken. De vordering te verklaren voor recht dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door inzage in het strafdossier aan de media te verstrekken zal worden afgewezen, al was het maar omdat [eiser 1] op geen enkele wijze heeft onderbouwd dat de Staat de media inzage in dat dossier heeft verschaft. Ook uit het persbericht volgt niet dat de Staat de naam van [eiser 1] kenbaar heeft gemaakt. De naam van [eiser 1] wordt daarin immers niet vermeld.

4.16.

De rechtbank acht aannemelijk dat [eiser 1] schade heeft geleden door het handelen van de Staat. De rechtbank acht zich evenwel op dit moment onvoldoende voorgelicht om de schade te begroten. Met de Staat is de rechtbank van oordeel dat [eiser 1] zijn schade thans onvoldoende heeft onderbouwd. Om die reden kan thans ook het gevorderde voorschot niet worden toegewezen. De rechtbank stelt [eiser 1] in de gelegenheid om bij akte te reageren op het verweer van de Staat ten aanzien van de schade en een nadere onderbouwing van zijn schade te geven. De rechtbank geeft [eiser 1] daarbij in overweging om zijn schade gedocumenteerd te begroten, voorzien van een door een terzake deskundige opgestelde onderbouwing, waarbij rekening wordt gehouden met het feit dat [eiser 1] thans als kandidaat-notaris inkomen genereert. De Staat mag daarop bij antwoordakte reageren. De rechtbank geeft partijen evenwel uitdrukkelijk in overweging om met elkaar in minnelijk overleg te treden.

4.17.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

Vorderingen [BV I] en [BV II]

4.18.

[BV I] en [BV II] hebben aan hun vorderingen ten grondslag gelegd dat zij kwalificeren als gedupeerde derden. Zij zijn niet vervolgd of als verdachte betrokken geweest, maar zijn wel ten volle geraakt door de gevolgen van het optreden van de Staat jegens [eiser 1] . Zij stellen als derde onevenredig nadeel te hebben geleden. Zij hebben daarbij verwezen naar het arrest Staat/Lavrijsen.

4.19.

De rechtbank volgt [BV I] en [BV II] niet in hun betoog. Met de Staat is de rechtbank van oordeel dat deze vennootschappen niet als onschuldige derden kunnen worden aangemerkt. Feitelijk waren deze vennootschappen het vehikel waarmee [eiser 1] zijn praktijk heeft gevoerd. Nu [BV I] en [BV II] niet als derden kunnen worden aangemerkt, ontbreekt de grondslag aan de vorderingen van deze vennootschappen. Deze vorderingen zullen dan ook bij eindvonnis worden afgewezen. Bij eindvonnis zal de rechtbank ook beslissen over de proceskosten.

5 De beslissing

De rechtbank

In het incident en in de hoofdzaak

In de zaak van [eiser 1] tegen de Staat

5.1.

verwijst de zaak naar de rol van 9 januari 2019 voor het nemen van een akte door [eiser 1] over hetgeen is vermeld onder 4.16,

5.2.

bepaalt dat de Staat op de rol van 6 maart 2019 een antwoordakte zal kunnen nemen,

5.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

In de zaak van [BV I] en [BV II] tegen de Staat

5.4.

houdt iedere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass, mr. J.S. Honée en mr. H.J. van Harten en in het openbaar uitgesproken op 14 november 2018.