Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:15518

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-10-2018
Datum publicatie
04-01-2019
Zaaknummer
AWB 18/3310 en AWb 18/3311
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een 16-jarige Nigeriaanse jongen en zijn moeder mogen voorlopig in Nederland blijven, in ieder geval totdat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning opnieuw heeft bekeken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 18/3310 (beroep)

AWB 18/3311 (voorlopige voorziening)

[persoonsnummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 11 oktober 2018 in de zaken tussen

[de minderjarige persoon]

geboren op [geboortedatum] 2002,

van Nigeriaanse nationaliteit, eiser en verzoeker (eiser)

(gemachtigde: drs. F.W. King),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. V.A.M.W. ’t Hoen).

Procesverloop

Bij besluit van 6 februari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 21 september 2016 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 onder de beperking ‘humanitair niet tijdelijk’ afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 1 mei 2018 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Op 2 mei 2018 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen. Bij brief van dezelfde datum heeft eiser de rechtbank verzocht om verweerder te verbieden hem uit te zetten totdat op het beroep is beslist (voorlopige voorziening). Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ter zitting was ook aanwezig [naam] , moeder van eiser. Ook was ter zitting aanwezig A.M. Koopmans, als tolk in de taal Engels. De rechtbank/voorzieningenrechter (rechtbank) heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Ten aanzien van het beroep

Voorgeschiedenis

1. Eiser is samen met zijn moeder in 2011 naar Nederland gekomen. Daarvoor verbleven zij in Italië met een Italiaanse verblijfsvergunning. Eiser heeft geen rechtmatig verblijf in Nederland gehad.

2. Eiser heeft op 21 december 2012 om uitstel van vertrek op medische gronden gevraagd. Uit het advies van Bureau Medische Advisering (BMA) van 4 april 2013 blijkt onder andere dat eiser in 2007 in Italië is behandeld voor een kwaadaardige tumor en dat zijn rechteroog operatief is verwijderd. Hoewel sprake is van langdurige complete remissie wordt eiser nog gecontroleerd in het VUmc op late effecten. Bij terugkeer naar het land van herkomst zal naar alle waarschijnlijkheid geen sprake zijn van een medische noodsituatie op korte termijn. Verweerder heeft onder verwijzing naar dit advies de aanvraag om uitstel van vertrek afgewezen op 2 mei 2013. Eiser is niet tegen deze beslissing opgekomen. Op
14 april 2014 deed eiser een nieuwe aanvraag die verweerder op 2 juli 2014 buiten behandeling heeft gesteld. Een derde aanvraag om uitstel van vertrek van 13 februari 2015 werd administratief afgesloten op 14 april 2015.

Verloop van de procedure

3. Op 21 september 2016 heeft eiser de aanvraag gedaan waar dit beroep over gaat. Eisers moeder heeft op dezelfde dag ook een aanvraag gedaan om een verblijfsvergunning voor verblijf bij eiser op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Op 6 februari 2017 zijn beide aanvragen afgewezen.

4. Op 27 februari 2017 heeft eiser nogmaals om uitstel van vertrek verzocht. Op 25 april 2017 heeft het BMA een advies uitgebracht (het BMA-advies). Het BMA vermeldt dat eiser een oogprothese heeft. Eiser krijgt een prothetische behandeling en moet drie keer per jaar op controle te komen voor de noodzakelijke nazorg. Dit zal allebei levenslang zijn. Volgens het BMA zal uitblijven van deze behandeling niet leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn en kan eiser met deze klachten reizen. Verweerder heeft de aanvraag om uitstel van vertrek afgewezen. Het beroep over het uitstel van vertrek op medische gronden, net als het beroep dat gaat over de verblijfsaanvraag van eisers moeder, zijn tegelijkertijd met dit beroep behandeld op de zitting van 30 augustus 2018. Op deze beroepen wordt bij afzonderlijke uitspraken van vandaag beslist.

5. Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats van 20 juni 2017 (AWB 17/2954) heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen. Verweerder is de gelegenheid gesteld om te onderzoeken of eisers toestand in Nigeria gemonitord kan worden en, in verband met de groei van verzoeker, te onderzoeken of eventuele noodzakelijke aanpassingen van verzoekers oogprothese in Nigeria mogelijk zijn. Eiser en zijn moeder zijn in de gelegenheid gesteld om te onderzoeken of, en zo ja onder welke voorwaarden, zij opnieuw in Italië verblijfsvergunningen kunnen krijgen en of verzoeker in Italië opnieuw medische behandeling zou kunnen krijgen.

Bestreden besluit

6. Verweerder heeft het BMA-advies meegenomen in de beoordeling van het bezwaar van eiser. De afwijzing in het primaire besluit heeft verweerder gehandhaafd. Eiser beschikt niet over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en ook na bezwaar bestaat geen reden om hem van het mvv-vereiste vrij te stellen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het recht op familie- dan wel privéleven zoals opgenomen in artikel 8 van het EVRM daartoe geen aanleiding geeft. Er is geen sprake van inmenging in het familieleven, omdat eiser en zijn moeder samen moeten vertrekken en dus niet van elkaar worden gescheiden. In het kader van eisers recht op privéleven valt de belangenafweging in het nadeel van eiser uit.

Het beroep van eiser

7. Eiser heeft aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft onvoldoende onderzocht wat de mogelijkheden van monitoring van eisers medische situatie in Nigeria zijn. Omdat deze onduidelijkheid niet is weggenomen heeft verweerder niet alle relevante omstandigheden betrokken in zijn belangenafweging op grond van artikel 8 van het EVRM. Eiser doet een beroep op het [arrest]1 en de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 20 juni 2017 in deze procedure. Ook verwijst eiser naar artikel 16, derde lid, van de Terugkeerrichtlijn2, het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 19 juli 2018.3

Beginselen die van belang zijn bij het oordeel van de rechtbank

8. In artikel 8 van het EVRM wordt het recht op eerbiediging van privé, familie- en gezinsleven geregeld. Hoewel artikel 8 van het EVRM geen recht op verblijf of toegang tot de territoria van lidstaten regelt, kan het ontzeggen daarvan onder bepaalde omstandigheden in strijd zijn met een positieve verplichting om verblijf toe te staan. Of hiervan sprake is hangt af van verschillende factoren, zoals de banden met het land van verblijf, de banden met het land van herkomst, objectieve belemmeringen van het uitoefenen van de rechten onder artikel 8 van het EVRM in het land van herkomst en het respecteren van wetgeving van immigratie en openbare orde.4

9. Van belang bij de beoordeling is verder dat eiser minderjarig is. De rechtbank moet bij beslissingen over kinderen hun belangen tot de kern van haar overwegingen maken en daar aanzienlijk gewicht aan toekennen. De rechtbank moet met name rekening houden met de leeftijd van eiser, de situatie in het land van herkomst en de mate waarin het kind afhankelijk is van zijn moeder.5

10. Verweerder heeft echter – ook ten aanzien van kinderen – gerechtvaardigde belangen bij het handhaven van de vreemdelingenwetgeving. Artikel 8 van het EVRM geeft vreemdelingen geen recht om zelf te kiezen waar zij hun privé, familie- en gezinsleven uit willen oefenen. Ook mag worden meegewogen de omstandigheid dat het vanaf het begin van het verblijf duidelijk was dat het in het land van verblijf opgebouwde leven een onzekere toekomst zou hebben. In dat geval rust alleen onder uitzonderlijke bijkomende omstandigheden een positieve verplichting op de lidstaat.6

11. Het voorgaande laat onverlet dat verweerder zelf ook een verantwoordelijkheid heeft om zijn gerechtvaardigde belangen waar te nemen. Zoals volgt uit vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM)7 en de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling)8 moet verweerder aandacht besteden aan eventueel stilzitten van de overheid.

12. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling9 volgt verder dat de rechter moet beoordelen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, indien dit het geval is, of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen enerzijds het belang van de vreemdeling bij de uitoefening van het privéleven hier te lande en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse samenleving bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Deze maatstaf impliceert dat de toetsing door de rechter enigszins terughoudend moet zijn.

Standpunt verweerder

13. Verweerder heeft in het bestreden besluit een belangenafweging gemaakt tussen het belang van eiser bij het uitoefenen van zijn recht op privéleven in Nederland en het belang van de Nederlandse overheid bij een restrictief toelatingsbeleid. Er zijn volgens verweerder weliswaar banden met Nederland omdat eiser op negenjarige leeftijd hier is gekomen en hier naar school is gegaan, maar die zijn onvoldoende. De keuze van eisers moeder om naar Nederland te komen zonder verblijfsvergunning wordt eiser aangegerekend om het risico van misbruik door eisers moeder te voorkomen. Er is geen sprake van een uitzonderlijke situatie waarin ondanks ontbreken van rechtmatig verblijf een verplichting bestaat tot het laten voortzetten van eisers privéleven in Nederland. Daarbij is van belang dat eiser is geboren en getogen in Italië en in het bezit was van een verblijfsvergunning, waardoor al sprake is van een sterkere band met Italië. Dat eiser dit verblijfsrecht niet kan herkrijgen is niet voldoende onderbouwd. Eiser heeft voorts de Nigeriaanse nationaliteit, wordt geacht via zijn moeder bekend te zijn met de Nigeriaanse cultuur en heeft familie in dat land. Dat eiser een sterkere band heeft met Nederland dan met Nigeria of Italië is geen uitzonderlijke omstandigheid. De banden met Nederland zijn inherent aan langdurig verblijf. Hoewel enig aanpassingsvermogen zal worden gevergd en sprake zal zijn van een ‘certain degree of hardship’ doordat eiser zijn vertrouwde leefomgeving achter zal moeten laten, verwacht verweerder van eiser dat hij privéleven buiten Nederland met de hulp van zijn moeder op kan bouwen. Er zijn geen bijzondere of onoverkomelijke obstakels voor eiser om zich in Italië dan wel Nigeria te vestigen. Wat betreft de medische situatie van eiser stelt verweerder dat niet is gebleken dat de voor hem benodigde behandeling niet in Nigeria beschikbaar is. Daarbij verwijst verweerder naar algemeen beschikbare informatie waaruit blijkt dat de overheid in 2015 zes ziekenhuizen heeft aangewezen als behandelcentra voor oncologie. Verder blijkt dat er twintig locaties zijn waar controle mogelijk is. Dat uitzetting schade in eisers emotionele ontwikkeling zal veroorzaken is niet onderbouwd, aldus verweerder.

Oordeel rechtbank

14. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat geen sprake is van inmenging in het familieleven tussen eiser en zijn moeder, omdat zij niet van elkaar worden gescheiden. Eiser heeft daar geen gronden tegen gericht. De rechtbank acht dit standpunt juist. Verweerder heeft niet betwist dat eiser privéleven in Nederland heeft opgebouwd. Wel heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het recht van eiser op eerbiediging van zijn privéleven minder zwaar weegt dan de belangen van de Nederlandse staat. De vraag die moet worden beantwoord is dus of deze belangenafweging van verweerder te verenigen is met de hierboven genoemde beginselen.

15. Eiser is zestien jaar en is op negenjarige leeftijd naar Nederland gekomen met zijn moeder. Eiser heeft nooit rechtmatig verblijf gehad, zodat zijn uitzetting alleen in strijd met artikel 8 van het EVRM kan zijn als er sprake is van uitzonderlijke omstandigheden. In dit geval is daarbij volgens de rechtbank van belang dat op het moment dat hij en zijn moeder vertrokken uit Italië en zelfs tot 2014 in het bezit waren van een Italiaanse verblijfsvergunning. Eisers moeder heeft er desondanks voor gekozen om naar Nederland te komen, zonder dat zij daarvoor een verblijfsvergunning had. Dat zij, zoals op zitting door eisers gemachtigde is gesteld, dacht dat zij hier makkelijk een verblijfsvergunning kon krijgen, is onvoldoende om daaraan af te doen. Nadat gebleken was dat dit niet het geval was, is zij namelijk niet teruggekeerd naar Italië. Dat het eisers moeder is geweest die de keuze heeft gemaakt om het verblijf in Nederland niet te legaliseren kan daarbij niet in het voordeel van eiser wegen.10

Uit rechtspraak van het EHRM blijkt dat om zwaarwegende redenen van migratiebeleid het gedrag van een ouder aan zijn/haar kinderen kan worden toegerekend, omdat die ouder anders verblijfsrechtelijk mee zou kunnen profiteren van een eventueel verblijfsrecht van zijn of haar kind.11 Nu inwilliging van de aanvraag van eiser zou betekenen dat zijn moeder ook in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning, doet die situatie zich voor.

16. De door de gemachtigde van eiser ter zitting herhaalde ontwikkelingsschade die eiser zou ondervinden als gevolg van vertrek uit Nederland is op geen enkele wijze onderbouwd. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat dat daarom niet aan het bestreden besluit kan afdoen. Wat betreft het standpunt van eiser dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht wat de mogelijkheden van monitoriting van eisers medische situatie in Nigeria zijn, overweegt de rechtbank als volgt. Uit het bestreden besluit blijkt dat uit algemeen beschikbare informatie (Society of Oncology and Cancer Research of Nigeria/Private Health Alliance of Nigeria) volgt dat de Nigeriaanse overheid in 2015 zes ziekenhuizen heeft aangewezen als behandelcentra voor oncologie en er twintig locaties bestaan waar controle mogelijk is. Eiser heeft twee verklaringen overgelegd van de ‘Medical and Dental council of Nigeria’ waaruit blijkt dat in Nigeria geen gespecialiseerde ziekenhuizen bestaan om de specifieke tumor (rhabdomysarcoom) die eiser heeft gehad te behandelen. Tevens blijkt uit één van de verklaringen dat de kans groot is dat de specifieke tumor van eiser terugkomt. Uit het advies van het BMA van 8 januari 2018 blijkt eiser om de twee jaar gecontroleerd wordt door het VUmc. Verder blijkt uit dit advies en het de verkregen informatie van de behandelaars van eiser dat de eerdere behandeling van eiser het risico op zogenaamde late effecten met zich brengt, zoals de kans op secundaire maligniteiten, hormonale problemen en hartschade. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat eisers medische toestand in Nigeria gemonitord kan worden. Dit wordt ook niet betwist in de door eiser overgelegde verklaringen. Deze beroepsgrond faalt dus. De rechtbank merkt nog op dat eiser met de overgelegde verklaringen weliswaar een begin van bewijs heeft geleverd dat er in Nigeria geen behandeling bestaat voor een rhabdomysarcoom, maar de stelling dat er een grote kans bestaat dat de rhabdomysarcoom terugkeert onvoldoende onderbouwd is.

17. De rechtbank is evenwel van oordeel dat verweerder niet alle relevante feiten en omstandigheden voldoende kenbaar in zijn belangenafweging heeft betrokken. Daarbij speelt allereerst een tegenstrijdigheid in de genoemde banden met Italië en Nigeria. Op pagina 6 van het bestreden besluit staat: “U had daar wel een vergunning hetgeen reeds betekent dat uw binding met Italië sterker is.” Op pagina 7 volgt echter: “De omstandigheid dat u een sterkere band met Nederland hebt dan met Nigeria of Italië is als zodanig geen bijzondere omstandigheid.” Hoewel verweerder op zitting zich op het standpunt heeft gesteld dat steeds bedoeld is te zeggen dat de binding met Nederland sterk is, maar niet sterker dan met Italië, is dat onvoldoende om af te doen aan deze tegenstrijdigheid. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de banden met de verschillende landen een te belangrijk onderdeel van de belangenafweging om op deze wijze te herstellen. Zolang niet geheel duidelijk is met welk land verweerder vindt dat eiser een sterkere band heeft kan de rechtbank niet beoordelen of de belangenafweging op de juiste wijze heeft plaatsgevonden. Hierbij is voorts van belang dat verweerder op zitting heeft aangegeven dat hij uitgaat van Nigeria als land van herkomst. Dat hij dan de banden met Italië afweegt tegen die van Nederland maakt de motivering nog minder inzichtelijk.

18. Daar komt bij dat verweerder bij de vraag of sprake is van uitzonderlijke omstandigheden geen overweging heeft gewijd aan de pogingen die de Nederlandse overheid heeft gedaan tot uitzetting van eiser en zijn moeder. Dit terwijl eiser al vanaf 2011 in Nederland verblijft en hij hier dus zeven jaar lang privéleven heeft kunnen opbouwen. Zoals volgt uit het hierboven genoemde beginselen moet dat wel tot de overwegingen gemaakt worden. Verweerder heeft zich op de zitting op het standpunt gesteld dat niet is overgegaan tot uitzetting omdat eiser steeds bleef procederen. Dat acht de rechtbank onvoldoende. Eiser is in 2011 hier gekomen. Uit het dossier blijkt dat tussen de aanvragen van eiser meerdere periodes zitten waarin eiser had kunnen worden uitgezet. Tussen de beslissingen op de eerste aanvraag om uitstel van vertrek en de daaropvolgende aanvraag zit een periode van bijna één jaar. Tussen de beslissing op de tweede en de derde aanvraag een periode van een half jaar. Tussen de beslissing op de derde aanvraag en de huidige aanvraag zit een periode van ongeveer één jaar en vier maanden. Met het bestreden besluit is daarmee onvoldoende gemotiveerd waarom verweerder ondanks zijn belang bij handhaving van de vreemdelingenwetgeving geen pogingen heeft gedaan tot uitzetting van eiser en zijn moeder.

19.
Hieruit volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

20. De rechtbank zal daarnaast gebruik maken van de in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb opgenomen bevoegdheid tot het treffen van een voorlopige voorziening. Deze voorlopige voorziening houdt in dat eiser niet wordt uitgezet tot dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar heeft genomen. Hiervoor is redengevend dat een bezwaar tegen het primaire besluit op grond van artikel 73, eerste lid, gelezen in samenhang met het tweede lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 geen schorsende werking heeft, omdat de aanvraag is afgewezen op de grond dat eiser niet beschikt over een geldige mvv.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

21. Eiser heeft verzocht om verweerder te verbieden hem uit te zetten zolang als nog niet op het beroep is beslist. Omdat nu op het beroep wordt beslist is daar geen reden meer voor. Het verzoek zal dus worden afgewezen.

Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening

22. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.503,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,--, en een wegingsfactor 1). Als aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlener.

Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 18/3310,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- treft de voorlopige voorziening dat eiser niet wordt uitgezet totdat verweerder een nieuw besluit op bezwaar heeft genomen.

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 18/3311,

- wijst het verzoek af.

De rechtbank/ voorzieningenrechter,

in alle zaken,

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.503,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak el Idrissi, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B.V.A. Corstens, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

1 Arrest van 8 november 2016, [arrest] tegen Zwitserland, zaaknummer 56971/10, te vinden op www.echr.coe.int.

2 richtlijn 2008/115/EG van het Europees parlement en de raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven.

3 ECLI:NL:RBDHA:2018:8757.

4 Arrest van het EHRM van 3 oktober 2014, 12738/10, JV 2014/343

5 Zie het arrest van het EHRM [arrest] tegen Zwitserland van 8 november 2016, nr. 56971/10 (www.echr.coe.int) en de door eiser eveneens aangehaalde uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats van 20 juni 2017, AWB 17/2954.

6 Zie bijvoorbeeld bovengenoemd arrest Rodrigues da Silva en Hoogkamer en het arrest Jeunesse tegen Nederland van 3 oktober 2014, nr. 12738/10 van het EHRM (www.echr.coe.int).

7 Zie bijvoorbeeld het arrest van het EHRM Nunez tegen Noorwegen van 28 juni 2011, nr. 55597/09, rechtsoverweging 82; Kaplan tegen Noorwegen van 24 juli 2014, nr. 32504/11, rechtsoverweging 95 en verder en Jeunesse tegen Nederland van 3 oktober 2014, nr. 12738/10, rechtsoverweging 116 (www.echr.coe.int).

8 Uitspraak van 25 maart 2015, 201302969/1/V1, ECLI:NL:RVS:2015:1044, rechtsoverweging 5.5.

9 Zie onder meer de uitspraak van 25 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1044.

10 Zie bijvoorbeeld bovengenoemd arrest Rodrigues da Silva en Hoogkamer en het arrest Jeunesse tegen Nederland van 3 oktober 2014, nr. 12738/10 van het EHRM (www.echr.coe.int).

11 Zie het arrest van 4 december 2012, Butt tegen Noorwegen, nr. 47017/09 van het EHRM (www.echr.coe.int).