Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:15503

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-09-2018
Datum publicatie
04-01-2019
Zaaknummer
AWB 17/4844
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2019:2973, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) heeft niet goed genoeg uitgelegd waarom de asielvergunning van een Afghaanse man is geweigerd. De 20-jarige Afghaanse asielzoeker had een aanvraag gedaan, omdat hij bescherming wilde tegen leden van de Taliban die achter hem aan zouden zitten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/4844

[persoonsnummer]

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 7 september 2018 in de zaak tussen

[de persoon] ,

geboren op [geboortedatum] 1998, van Afghaanse nationaliteit, eiser

(gemachtigde mr. E. van Kempen),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. I. Boon).

Procesverloop

Bij besluit van 3 februari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 12 december 2015 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 afgewezen. Op 2 maart 2017 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting door de enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 12 juni 2017. Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de enkelvoudige kamer het onderzoek heropend en de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.

Het onderzoek ter zitting door de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 6 februari 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. J.A. Nijland, waarnemend voor zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig M. Rastegar, tolk in de taal Dari. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten

Vervolgens heeft de rechtbank aanleiding gezien het onderzoek op 23 maart 2018 te heropenen, om partijen te laten reageren op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 21 maart 20181 over de algemene veiligheidssituatie in Afghanistan. Bij brieven van 5 april 2018, 14 mei 2018 en 3 juli 2018 heeft verweerder gereageerd. Bij brieven van 6 april 2018, 29 mei 2018 en 6 juli 2018 heeft eiser gereageerd. Partijen hebben toestemming gegeven om de zaak zonder nadere zitting af te doen. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Asielrelaas

1. Eiser heeft het volgende asielrelaas aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd. Eiser heeft de Oezbeekse etniciteit en is afkomstig uit de provincie Kunduz, [dorp] . Terwijl eiser op school zat zijn 100 tot 200 leden van de Taliban zijn school binnengekomen. Eiser is vervolgens, samen met ongeveer vijftien andere leerlingen, zes maanden gegijzeld in zijn school. In die periode heeft eiser les gekregen over de jihad en het omgaan met wapens. Hij leerde wapens in en uit elkaar te halen en schoonmaken en hoe hij een vest kon laten ontploffen. Ook is eiser tijdens die periode drie keer meegegaan met de Taliban om dorpen aan te vallen. Hij is tijdens deze gevangenhouding door de Taliban veelvuldig mishandeld. Omdat eiser geen les wilde krijgen in religie en/of wapens, heeft hij geprotesteerd. Hierop is eiser mishandeld. Ook werd hij onder toezicht gezet. Eiser heeft de broer van de commandant doodgeschoten nadat deze boos op hem afkwam. Hierop is eiser met een motor weggereden naar huis. Na tien dagen is de Taliban met ongeveer 50 of 60 leden naar zijn dorp gekomen om hem te zoeken. Hierbij zijn eisers moeder en [familie] mishandeld. Hierna heeft eiser Afghanistan verlaten.

Standpunt verweerder

2.1.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 afgewezen.

Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder de volgende elementen als relevant aanmerkt:

  1. de nationaliteit van eiser;

  2. de gestelde herkomst van eiser uit het [dorp] in het [district 1] in de provincie Kunduz;

  3. het gestelde onderwijs tussen [jaren] aan de Koranschool;

  4. e inname van de school door de Taliban;

  5. de behandeling door de Taliban;

  6. de gestelde ontsnapping aan de Taliban.

2.2.

Verweerder acht de Afghaanse nationaliteit en de herkomst van eiser geloofwaardig. De overige elementen, dus de elementen c tot en met f, acht verweerder niet geloofwaardig. Omdat het relaas van eiser ongeloofwaardig is, heeft hij bij terugkeer ook geen gegronde vrees voor vervolging wegens een vervolgingsgrond en is hij dus geen vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Eiser komt daarom niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 Voorts heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade. Er is bij uitzetting van eiser geen reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM2. In Afghanistan, en meer specifiek Kunduz, is geen sprake van een dusdanig hoge mate van algemeen willekeurig geweld dat die valt onder artikel 15c van de Definitierichtlijn. Eiser komt daarom ook niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

Standpunt eiser

3. In beroep heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat verweerder zijn aanvraag ten onrechte heeft afgewezen. Eiser heeft tegen verweerders afwijzing een aantal beroepsgronden ingebracht. Deze beroepsgronden zullen hierna door de rechtbank worden genoemd en vervolgens beoordeeld.

4. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Dossier [familie]

5.1.

Eiser heeft aangevoerd dat het dossier van zijn [familie] door verweerder dient te worden overgelegd op grond van artikel 8:42, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Indien verweerder dit dossier niet wil overleggen, verzoekt eiser de rechtbank op grond van 8:29 van de Awb beperkt kennis te nemen van het dossier. Eiser beroept zich daarbij op het beginsel van “equality of arms” dan wel het gelijkheidsbeginsel.

5.2.

Op grond van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb zendt verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter. Het gaat hierbij om alle stukken die relevant kunnen zijn voor de zaak. Verweerder heeft aan het verzoek van eiser om een afschrift van het dossier van zijn [familie] geen gehoor gegeven met verwijzing naar de Wet bescherming persoonsgegevens. De rechtbank stelt vast dat het dossier van eisers [familie] een rol heeft gespeeld in de procedure, en dat verweerder na inzage in dit dossier, niet langer aan eiser tegenwerpt dat verweerder de gestelde herkomst van eiser niet geloofwaardig vindt. Nu eisers herkomst (thans) geen geschilpunt meer is, merkt de rechtbank het dossier van eisers [familie] niet aan als een voor de zaak van eiser relevant stuk. Verweerder was dan ook niet gehouden om de stukken uit het dossier van eisers [familie] over te leggen. Nu niet is voldaan aan het relevantiecriterium, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van het verzoek om op grond van artikel 8:29 van de Awb beperkt kennis te nemen van de stukken. De beroepsgrond slaagt niet.

Tolk

6.1.

Eiser heeft aangevoerd dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld nu hij expliciet heeft gevraagd om een Afghaans-Oezbeekse tolk, maar hij in de taal Dari is gehoord, een taal die hij niet optimaal spreekt. Eiser heeft zich hierbij beroepen op artikel 24, eerste lid, sub b van de Procedurerichtlijn en de nationale implementatie daarvan. Eiser heeft uitspraken van verschillende rechtbanken overgelegd waarin ook tolkenperikelen speelden en waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat verweerder de besluiten onzorgvuldig heeft voorbereid.

6.2.

De rechtbank stelt voorop dat het belangrijk is dat een vreemdeling die heeft verzocht om asiel tijdens de verschillende gehoren in de asielprocedure wordt bijgestaan door een tolk in een taal die hij beheerst. Artikel 15, derde lid, sub c van de herziene Procedurerichtlijn 2013/32 bepaalt hierover dat de lidstaten een tolk dienen te kiezen die in staat is de communicatie tussen de verzoeker en de hoorambtenaar goed te doen verlopen. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de taal waaraan de verzoeker de voorkeur geeft tenzij er een andere taal kan worden gebruikt die hij begrijpt en waarin hij helder kan communiceren.

6.3.1.

De rechtbank stelt ten aanzien van het horen van eiser met hulp van een tolk het volgende vast. Bij het aanmeldgehoor was een Oezbeekse tolk, niet zijnde een registertolk, aanwezig. Eiser heeft bij aanvang (en aan het eind) van dit gehoor meegedeeld de tolk Oezbeeks goed te begrijpen. Bij het gehoor aanmeldfase was een registertolk in de taal Dari aanwezig. Ook tijdens dit gehoor heeft eiser meegedeeld dat hij de tolk in de taal Dari goed kon begrijpen en verstaan. Eiser heeft, zo staat vermeld op pagina drie van dit gehoor, meegedeeld dat hij de talen Oezbeeks en Dari goed spreekt. Hij heeft ook meegedeeld dat het niet uitmaakt in welke taal hij wordt gehoord, omdat hij beide talen goed spreekt. Op pagina vijf van dit gehoor heeft eiser meegedeeld dat hij de strekking van de woorden in de vertaling van de tolk goed heeft kunnen begrijpen.

6.3.2.

Bij het eerste gehoor was een tolk Dari aanwezig, niet zijnde een registertolk. Eiser heeft volgens pagina twee van het verslag van dit gehoor tijdens dit gehoor meegedeeld dat hij de tolk goed kon verstaan en begrijpen in de taal Dari, maar dat een Oezbeekse tolk beter zou zijn. Aan het eind van het eerste gehoor heeft eiser meegedeeld dat hij de tolk goed heeft kunnen volgen in de taal Dari en ook dat een Oezbeekse tolk beter is.

6.3.3.

In de correcties en aanvullingen op het eerste gehoor heeft de gemachtigde opgemerkt dat eiser redelijk Dari beheerst, maar het Afghaans-Uzbeki dialect zeer goed. De gemachtigde verzoekt om voor het nader gehoor een tolk in deze taal in te zetten.

6.3.4.

In het nader gehoor is er blijkens het verslag daarvan getolkt door een tolk Dari en er staat bij dat is geprobeerd om een Oezbeekse tolk te regelen maar dat dit niet is gelukt. Op de vraag of het goed is dat er een Dari tolk bij het gehoor is heeft eiser het volgende meegedeeld: “het zou kunnen zijn dat ik sommige woorden in Dari niet kan begrijpen”. Eiser heeft meteen hierna ook meegedeeld dat hij de tolk Dari ‘tot nu toe wel’ goed begrijpt. Aan het eind van het gehoor heeft eiser echter “nee” geantwoord op de vraag of hij de tolk goed heeft begrepen en verstaan.

6.3.5.

In de zienswijze is aangevoerd dat tijdens het nader gehoor eiser en tolk elkaar niet goed konden verstaan. Verweerder gaat hierop in op pagina drie van het besluit. Volgens verweerder is eisers “nee” op de vraag of hij de tolk goed heeft begrepen en verstaan is sprake van een kennelijke verschrijving , om drie redenen: a) het verslag van het gehoor geeft verder geen blijk van communicatieproblemen, b) de bij het gehoor aanwezige medewerker van Vluchtelingenwerk heeft niet gewezen op communicatieproblemen en c) de gehoormedewerker zou na het antwoord “nee” zeker verder hebben doorgevraagd en daarvan verslag hebben gedaan.

6.4.

De hierboven beschreven gang van zaken ten aanzien van het horen van eiser van hulp van tolken in aanmerking genomen volgt de rechtbank eiser niet in zijn stelling dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door hem, ondanks een verzoek daartoe, niet te horen met een Afghaans-Oezbeekse tolk. Eisers stelling dat tijdens het nader gehoor eiser en tolk elkaar niet goed konden verstaan, steunt naar het oordeel van de rechtbank op veronderstellingen en vermoedens. Eiser heeft niet geconcretiseerd op welke momenten tijdens de gehoren sprake is geweest van niet goed lopende communicatie tussen eiser en de tolk. Ook het verslag van het nader gehoor biedt geen aanknopingspunten voor de stelling van eiser hij de tolk niet goed heeft verstaan. Dat laatste blijkt ook niet uit de verslagen van de andere gehoren. De rechtbank leidt uit het hierboven genoemde artikel 15, derde lid, sub c van de herziene Procedurerichtlijn af dat op verweerder een inspanningsverplichting rust om een tolk in te zetten in de taal waaraan een verzoeker de voorkeur geeft. Verweerder heeft geprobeerd om een tolk te krijgen in de Oezbeekse taal, maar dat is niet gelukt en toen heeft verweerder een tolk ingezet in de taal waarvan eiser zelf had meegedeeld dat hij die ook beheerste, namelijk het Dari. Verweerder heeft hiermee voldaan aan zijn uit de Richtlijn volgende inspanningsverplichting.

6.5.

De rechtbank concludeert met verweerder, dat het antwoord ‘nee’ op de vraag of eiser de tolk goed kon verstaan, moet worden gezien als een kennelijke verschrijving, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en omdat een ‘nee’ van eiser op de betreffende vraag niet valt te rijmen met zijn bevestiging dat hij tevreden is over de manier waarop het gesprek is verlopen en hij desgevraagd geen op- of aanmerkingen heeft gemaakt over de manier waarop het gesprek was verlopen en over de hoorder of de tolk. Er is overigens ook geen klacht ingediend over de tolk. De beroepsgrond slaagt niet.

Traumatisering

7.1.

Eiser heeft aangevoerd dat sprake is van traumatisering omdat hij last heeft van herbelevingen en nachtmerries. Verweerder had hier rekening mee moeten houden tijdens het horen van eiser. Door dit niet te doen, heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld.

7.2.

De rechtbank stelt vast dat het FMMU3 (een arts en een verpleegkundige) op 8 april 2016 heeft geconstateerd dat bij eiser sprake is van medische klachten, maar dat deze geen belemmering vormen voor het horen. Eiser heeft aangevoerd dat hij is getraumatiseerd, maar hij heeft ter onderbouwing van deze stelling geen medische stukken overgelegd. Ook is hij niet onder behandeling. Gelet hierop hoefde verweerder geen aanleiding te zien voor nader medisch onderzoek. Verder is eiser tijdens het nader gehoor uitvoerig gehoord, van 9.15 tot 17.45 uur, onderbroken door een drietal pauzes. De rechtbank ziet, gelet op het voorgaande, geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld.

Verweerders beoordeling van de geloofwaardigheid, Werkinstructie (WI) 2014/10.

8.1.

Volgens eiser heeft verweerder niet gehandeld in overeenstemming met WI 2014/10. Verweerder heeft de verklaringen van eiser met name niet geloofwaardig geacht omdat eiser zich de details van de gebeurtenissen niet altijd exact kan herinneren en niet altijd een bevredigende verklaring heeft. Verweerder had de verklaringen van eiser moeten bezien tegen de achtergrond van eisers jonge leeftijd, de ingrijpende gebeurtenissen en het feit dat hij analfabeet is. Ook heeft verweerder bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van eisers verklaringen onvoldoende kenbaar beschikbare informatie uit openbare bron over de situatie in Afghanistan betrokken; ook dat is niet in overeenstemming van WI 2014/10.

8.2.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser op zichzelf terecht opgemerkt dat in voornemen noch beschikking er melding van is gemaakt dat verweerder bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van eisers relaas gebruik heeft gemaakt van informatie uit openbare bronnen over de situatie in Afghanistan. Dat is – zoals eiser eveneens terecht heeft opgemerkt – niet in lijn WI 2014/10, waarin beschreven staat dat bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas in aanmerking worden genomen de verklaringen van de asielzoeker, informatie over de situatie in het land van herkomst en eventueel door de asielzoeker overgelegde documenten.

8.3

Dat verweerder in het besluit en het voornemen geen informatie uit openbare bronnen over de situatie in Afghanistan heeft genoemd levert een motiveringsgebrek op. Nadat de rechtbank het onderzoek heeft heropend heeft verweerder echter gewezen op informatie over de situatie in Afghanistan uit verschillende openbare bronnen. Verweerder heeft daarbij uitvoerig stilgestaan bij de vraag wat deze informatie betekent voor de zaak van eiser. Het geconstateerde motiveringsgebrek is daarmee geheeld.

De geloofwaardigheid van eisers verklaringen

9.1.

Verweerder heeft eisers relaas ongeloofwaardig geacht, hoofdzakelijk omdat eiser vaag en summier heeft verklaard over zaken die de kern van eisers relaas vormen. Ook is sprake van een aantal tegenstrijdigheden, eveneens in de kern van eisers relaas.

9.2.

Eiser meent dat geen sprake is van vaagheden en tegenstrijdigheden die betrekking hebben op de kern van eisers relaas. Volgens eiser gaat het eerder om de periferie van het relaas, de bijzaken, waar verweerder vaagheden en tegenstrijdigheden ziet. Die mogen eiser niet worden aangerekend.

9.3.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht het standpunt heeft ingenomen dat eiser vaag en summier heeft verklaard over de inname en bezetting van zijn school door de Taliban, alsmede de detentie en behandeling door de Taliban aldaar. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze elementen de kern van eisers relaas en geen bijzaken. De rechtbank noemt als voorbeeld dat eiser vrijwel niets concreets heeft verklaard over de behandeling door de Taliban tijdens de bezetting van zijn school. Hij heeft verklaard dat hij van de Taliban deel moest nemen aan gevechtshandelingen, maar heeft daarbij niet kunnen vertellen hoe vaak dat gebeurde, in welke plaatsen die gevechtshandelingen plaatsvonden en geen namen kunnen noemen van de Talibanstrijders die hem en andere jongens dwongen om hieraan mee te doen.

9.4.

Ook heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van een tegenstrijdigheid die betrekking heeft op de kern van eisers relaas. Ook hier gaat het om de behandeling van eiser en de andere jongens op school door de Taliban tijdens de bezetting. Eiser heeft verklaard dat hij op zeker moment met een geweer op wacht is gezet door de Taliban. Eiser heeft hierover enerzijds verklaard dat hij alleen op wacht moest staan en anderzijds verklaard dat er nog twee andere wachters stonden.

Veiligheidssituatie in Kunduz

10.1.

Volgens eiser is de veiligheidssituatie in Kunduz verslechterd en is sprake van een situatie als bedoeld in artikel 15c van de Definitierichtlijn. Eiser heeft een aantal recente stukken overgelegd ter onderbouwing van dit standpunt. Uit deze stukken blijkt volgens eiser dat het gebied waar eiser vandaan komt en waar hij naar terug moet keren, één van de gevaarlijkste gebieden is van Afghanistan. In dit gebied is de Taliban zeer actief en rekruteert zij jonge mensen als eiser. Eiser loopt hiermee een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.

10.2.

Verweerder heeft zich, onder verwijzing naar de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 21 maart 2018, op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een 15c situatie in Afghanistan en meer specifiek in Kunduz. De door eiser overgelegde stukken die dateren van na deze uitspraak geven geen ander beeld.

10.3.

De rechtbank overweegt dat de Afdeling in haar uitspraak over de veiligheidssituatie in Afghanistan heeft uiteengezet dat hoewel de veiligheidssituatie in sommige delen van Afghanistan zorgelijk is, er geen sprake is van een situatie waarbij een burger die in het geheel niet verbonden is met één van de strijdende partijen louter door zijn aanwezigheid

daar een reëel risico loopt. De Afdeling heeft bij de beoordeling gebruik gemaakt van de destijds meest recent bekende en beschikbare informatie, die de periode bestrijkt tot en met december 2017. De Afdeling heeft zich niet specifiek over de veiligheidssituatie in de provincie Kunduz uitgelaten. Sinds de uitspraak van de Afdeling is er nieuwe landeninformatie beschikbaar is gekomen, waaronder een thematisch ambtsbericht over de veiligheidssituatie in Afghanistan (juni 2018) en twee nieuwe EASO4 rapporten, van mei 2018 en van 21 juni 2018.

10.4.

In het nieuwe ambtsbericht staat onder meer het volgende over de provincie Kunduz.

“De provincie Kunduz is van strategisch belang omdat het grenst aan Tadjzikistan en zo toegang heeft tot andere Centraal-Aziatische landen. De politie was hier in 2017 meer zichtbaar in de stedelijke gebieden. Hoewel de stad Kunduz één van de provinciesteden is die de meeste druk ervaart van de Taliban, bleek de groepering niet in staat om de stad of de districtshoofdsteden in te nemen. In oktober 2017 zouden in één week circa 25.000 ontheemden naar de hoofdstad Kaboel en de buurlanden zijn gevlucht. In Kunduz werden in 2017 een aantal belangrijke Taliban-leiders gedood en op veel plekken werd de Taliban teruggedreven. In het [district 2] had de Taliban in augustus 2017 circa tachtig procent van het grondgebied onder controle. De opstandelingen waren zeer actief in het gebied. In het [district 3] wisselde de controle diverse malen tussen 2015 en 2017. Het gebied heeft volgens UNOCHA een hoge concentratie van veiligheidsincidenten. De opstandelingen hebben controleposten langs de snelweg tussen Kunduz en Takhar en probeerden herhaaldelijk de weg te blokkeren. Desondanks zou de veiligheidssituatie in 2017 beter zijn geweest dan in 2016. Van 1 september 2016 tot en met 31 mei 2017 vonden in de provincie Kunduz 488 veiligheidsincidenten plaats. UNAMA noteerde de eerste helft van 2017 in totaal 190 burgerslachtoffers: 39 mensen overleden en 151 raakten gewond. Een daling van zeven procent ten opzichte van hetzelfde tijdsbestek een jaar eerder”.

10.5.

In het rapport van het EASO, 'Country of Origin Information Report Afghanistan, Security Situation', van mei 2018 staat onder meer het volgende over de provincie Kunduz.

“2.19 Kunduz

2.19.1

Actors in the conflict

Insurgent groups in Kunduz

Taliban fighters, in particular members of the Red Unit, a Taliban unit which is attacking more and more government bases, operate in Kunduz province. Some districts, such as the newly established districts Atqash, Gultapa, Gulbad, are under Taliban control. Taliban militants are also active in parts of the [district 3] and [district 2] districts.

According to a BBC study of January 2018 based on research conducted between 23 August and 21 November 2017, the Taliban have a ‘high’ ‘active and physical presence’ (districts attacked at least twice a week) in [district 3] and [district 2] . (…) In November 2017, local authorities and residents claimed 4,000 Taliban had arrived in [district 3] and controlled most of the territory, restricting the freedom of movement of residents.

ISKP-related security incidents were recorded in sources consulted by ACLED in the period from 1 January 2017 to 31 January 2018.

(Pro-)Government forces and military operations in Kunduz

Military operations are being conducted in the province. Air strikes take place regularly. Sometimes, Taliban fighters are arrested. There are clashes between the insurgents and Afghan security forces.

2.19.2

Recent security trends and impact on the civilian population

(…)

UNOCHA considered Kunduz as one of the ‘most conflict affected’ provinces. In a map depicting ‘conflict severity’ in 2017 - a combination of three indicators: security incidents, civilian casualties, and conflict-induced displacement - UNOCHA places the districts of Khanabad and Kunduz in the highest category, and the rest of the province in the category below. UNOCHA considered Kunduz as one of the four provinces of ‘very high protection concern’, defined as: ‘new IDPs, natural disaster affected people, returnees, refugees and vulnerable members of the host community’, as well as ‘non-displaced conflict affected people’. These are people living in close proximity (1 km) to explosive hazards resulting from conflict.

In the period from 1 January 2017 to 31 March 2018, 211 incidents related to insurgents in Kunduz province were found in open media sources by the Global Incidents Map website.

UNAMA highlights that there is a link between the number of victims from explosive remnants of war and the use of indirect weapons, such as mortars, rockets and grenades. Kunduz is among the provinces with a high number of incidents of detonation of explosive remnants of war causing civilian casualties, and also among the provinces with the highest use of indirect weapons.

(…)

UNOCHA and press reports reported military operations, including air strikes, that lasted for more than a week in Imam Sahib, [district 3] and Kunduz in October 2017.

Without reported civilian casualties, operation ‘Pamir 14’ in Imam Sahib displaced thousands of people and reportedly residential homes were destroyed (971).

(…)”

10.6.

In het EASO rapport (Country guidance: Afghanistan. Guidance note and common analysis) van 21 juni 2018 staat onder meer het volgende over de provincie Kunduz.

“Looking at the indicators, it can be concluded that indiscriminate violence is taking place in the province of Kunduz. A real risk of serious harm under Article 15(c) QD may be established where the applicant is specifically affected by reason of factors particular to his or her personal circumstances”.

10.7.

De rechtbank overweegt dat uit de hierboven aangehaalde passages over de situatie in de provincie Kunduz een beeld naar voren komt van een “hotspot” met twee gezichten. Er lijkt enerzijds een verbetering te zien en anderzijds een verslechtering. De verbetering blijkt uit de daling van het aantal veiligheidsincidenten ten opzichte van 2016, hoewel dat aantal nog hoog is. De verslechtering blijkt uit de beschrijving van UNOCHA5, die Kunduz aanmerkt als een van de vier provincies met ‘very high protection concern’ vanwege het grote aantal ontheemden, mensen getroffen door natuurrampen, terugkeerders en kwetsbare personen binnen de inheemse gemeenschap. Kunduz is ook een van de provincies waar veel incidenten plaatsvinden als gevolg van ontploffingen van mijnresten en waar indirect wapengebruik veel voorkomt. Op grond van dit alles merkt de rechtbank de situatie in Kunduz aan als zeer precair.

10.8.

Van groot belang acht de rechtbank voorts dat EASO in het rapport van 21 juni 2018 schrijft dat er in Kunduz sprake is van willekeurig geweld in de zin van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. Volgens EASO kan sprake zijn van een reëel risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 15c wanneer er persoonlijke factoren in het spel zijn die de kans op schade beïnvloeden.

10.9.

Eiser is een jonge man en daardoor kwetsbaar in geval van rekrutering door strijdende groeperingen, die zou moeten terugkeren naar een gebied waar de Taliban – zo volgt uit de hierboven aangehaalde informatie – stevig aanwezig is. Eiser is bovendien terugkeerder vanuit het Westen naar een provincie die – zo volgt uit de hierboven aangehaalde informatie – qua ontheemdenproblematiek al onder grote druk staat.

10.10.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich onder deze omstandigheden ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de algemene veiligheidssituatie in de provincie Kunduz nu niet zo slecht is dat eiser, gelet ook op zijn persoonlijke kenmerken, reeds om die reden daarnaar niet kan terugkeren.

10.11.

Het voorgaande betekent dat het besluit op dit punt onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd.

11. Hieruit volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Awb. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken. De rechtbank geeft verweerder mee dat, nu de hierboven genoemde informatiebronnen geen volstrekt eenduidig beeld laten zien, het wellicht in de rede ligt om UNHCR6 te raadplegen over de situatie in de provincie Kunduz en de mogelijkheid van terugkeer daarheen.

12. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.252,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en een 0,5 punt voor het indienen van schriftelijke inlichtingen met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.252,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, voorzitter, en mrs. A.E.J.M. Gielen en L.H. Waller, rechters, in aanwezigheid van mr. S.M. Koning, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 september 2018.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

BIJLAGE Wettelijk kader

Vreemdelingenwet (Vw) 2000

Op grond van artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, is verweerder bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen, niet in behandeling te nemen, niet-ontvankelijk te verklaren dan wel buiten behandeling te stellen.

Op grond van artikel 29, eerste lid, kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van deze wet, worden verleend aan de vreemdeling:

a die verdragsvluchteling is; of

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade, bestaande uit:

1°. doodstraf of executie;

2°. folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; of

3°. ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

Op grond van artikel 31, eerste lid, wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 29 van deze wet, afgewezen als ongegrond in de zin van artikel 32, eerste lid, van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 8.29

1. Partijen die verplicht zijn inlichtingen te geven dan wel stukken over te leggen, kunnen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, het geven van inlichtingen dan wel het overleggen van stukken weigeren of de rechtbank mededelen dat uitsluitend zij kennis zal mogen nemen van de inlichtingen onderscheidenlijk de stukken.

2. Gewichtige redenen zijn voor een bestuursorgaan in ieder geval niet aanwezig, voor zover ingevolge de Wet openbaarheid van bestuur de verplichting zou bestaan een verzoek om informatie, vervat in de over te leggen stukken, in te willigen.

3. De rechtbank beslist of de in het eerste lid bedoelde weigering onderscheidenlijk de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.

4. Indien de rechtbank heeft beslist dat de weigering gerechtvaardigd is, vervalt de verplichting.

5. Indien de rechtbank heeft beslist dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is, kan zij slechts met toestemming van de andere partijen mede op de grondslag van die inlichtingen onderscheidenlijk die stukken uitspraak doen. Indien de toestemming wordt geweigerd, wordt de zaak verwezen naar een andere kamer.

1 ECLI:NL:RVS:2018:915

2 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

3 Forensisch Medische Maatschappij Utrecht .

4 European Asylum Support Office.

5 United Nations Office for the Coordination of Humanitarian Affairs.

6 United Nations High Commissioner for Refugees