Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:15490

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-10-2018
Datum publicatie
03-01-2019
Zaaknummer
NL18.17250
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gnandi bij opvolgende asielaanvraag: redelijk vermoeden van illegaal verblijf? Uitzondering op het recht op het grondgebied te verblijven in afwachting van de uitkomst van de procedure om te bepalen of de verzoeker al dan niet op het grondgebied mag verblijven. Artikel 41 en 48(8) Procedurerichtlijn / artikel 7.3, tweede lid en artikel 3.1, tweede lid, aanhef en onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.17250

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser]

(gemachtigde: mr. D. Gürses),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. D. Waaijer).


Procesverloop

Bij besluit van 20 september 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, en tevens onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep strekt van rechtswege ook tot toekenning van schadevergoeding.

Verweerder heeft op 21 september 2018 de maatregel van bewaring opgeheven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A.O. Madu. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

2. Eiser voert aan dat zijn staandehouding onrechtmatig was omdat geen sprake was van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf als bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de Vw. Hij stelt – onder verwijzing naar het Gnandi-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 juni 2018 (ECLI:EU:C:2018:465) – dat hij rechtmatig verblijf had/heeft.

2.1.

Artikel 50, eerste lid, van de Vw, voor zover van belang, bepaalt dat de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen bevoegd zijn op grond van feiten en omstandigheden die, naar objectieve maatstaven gemeten, een redelijk vermoeden van illegaal verblijf opleveren, personen staande te houden ter vaststelling van hun identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie.

2.2.

Eiser is op 20 september 2018 om 7.35 uur staande gehouden. De stand van zaken was toen aldus:

Eiser heeft op 26 juni 2018 een herhaalde asielaanvraag ingediend, die bij beschikking van 31 augustus 2018 niet-ontvankelijk is verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw. Daarbij is overwogen dat bij beschikking van 4 januari 2016 tegen eiser een terugkeerbesluit is uitgevaardigd waarbij is aangegeven dat hij Nederland binnen vier weken moet verlaten, dat niet is gebleken dat aan die terugkeerverplichting is voldaan, dat het uitgevaardigde terugkeerbesluit daarom nog steeds geldt en dat de vertrektermijn inmiddels is verlopen. In de afwijzende beslissing staat ook dat, indien eiser een verzoek om een voorlopige voorziening indient, de behandeling daarvan niet in Nederland mag worden afgewacht, waarbij van belang is dat er sprake is van een derde of latere asielaanvraag,

terwijl de tweede aanvraag definitief niet-ontvankelijk is verklaard met toepassing van artikel 30a, eerste lid, onder d, van de Vw.

Op 11 september 2018 heeft eiser daartegen beroep ingesteld bij deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, en heeft hij ook een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

Vóór de aanvraag van 26 juni 2018 diende eiser een herhaalde asielaanvraag in op 14 december 2017, die werd afgewezen op 20 december 2017 (waartegen eiser kennelijk geen beroep heeft ingesteld, zo begrijpt de rechtbank uit het in de maatregel van bewaring opgenomen procedureoverzicht).

Vóór die aanvraag heeft eiser nog een herhaalde asielaanvraag ingediend, die op 4 januari 2017 is afgewezen. Het daartegen gerichte beroep en hoger beroep is ongegrond verklaard door de rechtbank respectievelijk de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State bij uitspraak van 6 juli 2017 respectievelijk 11 augustus 2017.

2.3.

De vraag is of het Gnandi-arrest onverkort toepassing vindt in de onderhavige zaak waarin het gaat om een herhaalde asielaanvraag. De rechtbank is van oordeel is dat dat niet het geval is.

2.3.1.

In artikel 41, tweede lid, aanhef en onder c, van de Procedurerichtlijn is bepaald dat de lidstaten in de in artikel 41, eerste lid van de richtlijn omschreven situaties kunnen afwijken van het gestelde in artikel 46, achtste lid, van de Procedurerichtlijn, waarin is bepaald dat de lidstaten het de verzoeker toestaan om op het grondgebied te verblijven in afwachting van de uitkomst van de procedure om te bepalen of de verzoeker al dan niet op het grondgebied mag verblijven.

Genoemd artikel 41, tweede lid, aanhef en onder c, van de Procedurerichtlijn heeft de Nederlandse wetgever geïmplementeerd in artikel 7.3, tweede lid, van het Vb en artikel 3.1, tweede lid, aanhef en onder a, van het Vb.

Artikel 7.3, eerste lid, van het Vb bepaalt dat, indien een verzoek om een voorlopige voorziening is gedaan teneinde uitzetting of overdracht te voorkomen voordat is beslist op een beroep gericht tegen een besluit dat is genomen naar aanleiding van een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, het de vreemdeling is toegestaan de uitspraak op dit verzoek hier te lande af te wachten.

Het tweede lid van dat artikel bepaalt dat van het eerste lid kan worden afgeweken indien uitzetting niet achterwege wordt gelaten op de in artikel 3.1, tweede lid, onder a en e bedoelde gronden.

Artikel 3.1, tweede lid, aanhef en onder a, van het Vb, bepaalt, voor zover hier van belang, dat het indienen van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd tot gevolg heeft dat de uitzetting achterwege blijft, tenzij de vreemdeling een opvolgende aanvraag heeft ingediend nadat een eerdere opvolgende aanvraag definitief is afgewezen met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht, definitief niet-ontvankelijk is verklaard met toepassing van artikel 30a, eerste lid, onderdeel d, van de Wet of definitief als kennelijk ongegrond of als ongegrond is afgewezen met toepassing van artikel 30b of 31 van de Wet, en geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag.

2.3.2.

In het geval van eiser is sprake van een opvolgende aanvraag (te weten de aanvraag van 26 juni 2018) nadat een eerdere opvolgende aanvraag definitief (als kennelijk ongegrond of als ongegrond) is afgewezen (namelijk de op 4 januari 2017 afgewezen aanvraag en de aanvraag van 14 december 2017 die op 20 december 2017 werd afgewezen). Ten tijde van zijn staandehouding op 20 september 2018 was de stand van zaken dat eiser de beroepsprocedure gericht tegen de afwijzende asielbeschikking van 31 augustus 2018 en het verzoek om een voorlopige voorziening (beide ingediend om 11 september 2018) niet in Nederland mocht afwachten en dat hij – anders dan de hoofdregel die volgt uit het Gnandi-arrest en overeenkomstig de uitzonderingen daarop zoals hiervoor geschetst – geen rechtmatig verblijf in Nederland had. Ten tijde van de staandhouding was dus sprake van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf. De staandehouding was rechtmatig.

3. Verweerder heeft de maatregel van bewaring zowel gebaseerd op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw, als op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw. Beide gronden zijn – indien aan de daarvoor gestelde eisen is voldaan – afzonderlijk voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.

3.1.

Voor de grondslag van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw geldt dat verweerder heeft overwogen dat de bewaring noodzakelijk was met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
3j. aan de grens te kennen heeft gegeven een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te willen indienen, en zijn aanvraag met toepassing van de grensprocedure niet in behandeling is genomen, niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

3.2.

Voor de grondslag artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder onder c, van de Vw geldt dat verweerder heeft overwogen dat eiser in bewaring is gesteld, omdat hij:

- in bewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn;

- reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad en;

- op redelijke gronden aangenomen kan worden dat hij de aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen.

4. De beroepsgrond dat de zware gronden 3a. en 3b. en de lichte gronden 4a. en 4c. ten onrechte aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, faalt.

4.1.

Op grond van artikel 5.1c, tweede lid, van de Vb is de grond voor bewaring, bedoeld in artikel 59b, eerste lid, onderdeel b, van de Wet, aanwezig, indien door middel van bewaring de gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een aanvraag tot het verkrijgen van een verblijfsvergunning kunnen worden verkregen, en zich ten minste twee van de gronden, bedoeld in artikel 5.1b, derde en vierde lid, voordoen.

4.2.

Eiser laat de zware gronden 3c., 3i. en 3j. en de lichte gronden 4b. en 4d. onbetwist. Deze gronden, in samenhang bezien, heeft verweerder terecht aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegd en zijn al voldoende om het risico aan te nemen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en kunnen in beginsel de maatregel van bewaring dragen. De overige betwiste gronden kunnen daarom onbesproken blijven.

Overigens is de grondslag van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw in beroep onbestreden gebleven. Die enkele grondslag kan de maatregel van bewaring ook al dragen.

5. De beroepsgrond dat de belangenafweging in het voordeel van eiser had moeten uitvallen en dat met een lichter middel volstaan had kunnen worden, faalt eveneens.

5.1.

Bij beantwoording van de vraag of de feitelijk juiste gronden de maatregel van bewaring ook in het geval van de betrokken vreemdeling daadwerkelijk kunnen dragen speelt een rol de vraag of andere, minder verstrekkende maatregelen zijn of nog kunnen worden toegepast en het gedrag van de betrokken vreemdeling en de overige feiten en omstandigheden.

5.2.

Gelet op de onbestreden, aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegde zware en lichte gronden en de hierna te bespreken omstandigheden bestaat het risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en heeft verweerder terecht geen aanleiding gezien om met een lichter middel dan inbewaringstelling te volstaan en het risico te nemen dat eiser zich niet meer zal melden zodra de uitzetting daadwerkelijk in zicht zal komen.

Op 4 januari 2017 heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van 28 dagen opgelegd. Dit terugkeerbesluit staat in rechte vast. In ieder geval door afwijzing van de asielaanvraag op 31 augustus 2018 is het terugkeerbesluit herleefd. De daarin bepaalde vertrektermijn is verstreken. Eiser had dus (in ieder geval vanaf die laatste datum) de plicht Nederland (en de Europese Unie) te verlaten maar dat heeft hij niet gedaan. Er zijn vertrekgesprekken gevoerd, voor het laatst op 12 september 2018, die niet tot (handelingen resulterend in) vertrek van eiser hebben geleid.

Dat eiser ten tijde van het opleggen van de maatregel van bewaring nog een procedure bij deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, had – en heeft – lopen (beroep tegen de afwijzing van 31 augustus 2018 en verzoek om een voorlopige voorziening) doet niets af aan zijn vertrekplicht en het feit dat hij zich daaraan niet heeft gehouden.

6. Met het betoog dat bewaring dient tot uitzetting en dat (ook gelet op het Gnandi-arrest) uitzetting in zijn geval (nog) niet aan de orde is, miskent eiser dat de grondslag van de hier ter toetsing voorliggende maatregel van bewaring niet artikel 59 maar artikel 59b van de Vw is en dat hij als asielzoeker in bewaring is gesteld. Uitzetting speelt daarbij geen rol.

7. Het betoog van eiser dat hij tijdens het gehoor voorafgaand aan het opleggen van de maatregel van bewaring is gedwongen om een nieuwe asielaanvraag in te dienen (terwijl de beroepsprocedure tegen de afwijzing van 31 augustus 2018 nog liep) gaat niet op, al omdat de rechtbank daarvoor geen aanwijzingen vindt in het van dat gehoor opgemaakte proces-verbaal, waarin eiser diverse malen de vraag is voorgehouden of hij een nieuwe asielaanvraag wilde indienen.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Bouter, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Groeneveld, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.