Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:15438

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-12-2018
Datum publicatie
27-12-2018
Zaaknummer
7301376 RP VERZ 18-50583
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek ontbinding e of g grond. Uiteindelijk diagnose gesteld. Afwijzing wegens verband tussen gedrag en ziekte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-1439
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Gravenhage

HvB

Zaaknr.: 7301376 RP VERZ 1850583

Uitspraakdatum (bij vervroeging): 19 december 2018

Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EMERSON PROCESS MANAGEMENT B.V.,

gevestigd te Rotterdam, kantoorhoudende te Rijswijk,

verzoekende partij,

verder te noemen: de werkgever dan wel Emerson,

gemachtigde: mr. M.R. Huijbers,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verwerende partij,

verder te noemen: de werknemer dan wel [verweerder] ,

gemachtigde: mr. R. van Heusden.

1 Het procesverloop

1.1.

Emerson heeft de kantonrechter bij verzoekschrift, bij de griffie ingekomen op 24 oktober 2018, verzocht de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden en daarbij een aantal nevenverzoeken gedaan. [verweerder] heeft een verweerschrift ingediend.

1.2.

Op 10 december 2018 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek plaats gevonden. Verschenen zijn de heer [betrokkene 1] en [betrokkene 2] namens Emerson, en [verweerder] in persoon, bijgestaan door hun gemachtigden. Daarbij zijn door Emerson pleitaantekeningen overgelegd. Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt die zich in het procesdossier bevinden.

2 De feiten

2.1.

Emerson maakt onderdeel uit van een wereldwijde onderneming die zich toelegt op automatiseringsoplossingen en veiligheid van systemen. De vestiging in Rijswijk houdt zich voornamelijk bezig met verkoop van producten.

[verweerder] is geboren op [geboortedag] 1969. Hij is sinds 3 oktober 1995 in dienst bij Emerson, laatstelijk in de functie van [functie] tegen een salaris van € 4.997,00 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag van 8% en een bonusregeling.

2.2.

Tot eind 2017 heeft [verweerder] steeds goed gefunctioneerd.

Eind 2017 kwam daar verandering in door een aantal incidenten.

In loop van 2017 werd [verweerder] geconfronteerd met een schuldenproblematiek. Ook liep zijn relatie op de klippen.

[verweerder] heeft aan Emerson een geldlening gevraagd van € 50.000,00. Die lening is hem geweigerd.

Vervolgens heeft [verweerder] goedkeuring gevraagd voor het opnemen van 3 à 4 maanden onbetaald verlof met als reden dat hij elders een hoger inkomen zou kunnen generen. Ook dit verzoek van [verweerder] is door Emerson van de hand gewezen.

2.3.

Op 18 januari 2018 heeft [verweerder] zich ziekgemeld.

2.4.

Het bedrijfsmaatschappelijk werk heeft daarna aangegeven dat er sprake was van een disbalans tussen draagkracht en draaglast bij [verweerder] .

Daarop is een door Emerson bekostigt traject gevolgd bij HSK, een organisatie gespecialiseerd in psychische zorg voor werknemers.

2.5.

Op 5 juli 2018 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de maatschappelijk werker, de leidinggevende van [verweerder] , de heer [betrokkene 2] en [verweerder] zelf.

Daarbij is [verweerder] aangesproken op de omstandigheid dat hij inmiddels twintig bekeuringen had gekregen wegens snelheidsovertredingen en fout parkeren.

Ook daarna heeft [verweerder] nog achttien bekeuringen gekregen. Het bedrag van die boetes beloopt € 3.487,00.

2.6.

Eind augustus 2018 heeft Emerson [verweerder] aangezegd dat de bedrijfsauto zou worden ingenomen, hetgeen op 13 september 2018 is geschied. Op 31 oktober 2018 zijn door Dekra de herstelkosten van de schade aan bedrijfsauto begroot op € 10.420,45.

2.7.

De bedrijfsarts van Emerson heeft [verweerder] op 7 maart 2018 en 19 juli 2018 volledig arbeidsongeschikt geacht. De bedrijfsarts ziet een fors ziektebeeld en geeft op 19 juli 2018 aan dat dit niet werk gerelateerd is. Daarnaast geeft de bedrijfsarts aan dat er ook werk gerelateerde factoren hebben meegespeeld en mogelijk ook hebben “getriggerd”.

2.8.

Tijdens een bezoek aan de bedrijfsarts op 12 september 2018 vernam [verweerder] dat hij op 13 september 2018 werd uitgenodigd voor een gesprek met Emerson. Dat gesprek heeft plaatsgevonden nadat de bedrijfsauto was ingenomen. Bij brief van 18 september 2018 heeft Emerson [verweerder] vervolgens laten weten dat hij op staande voet zou worden ontslagen indien hij niet zou instemmen met het bij die brief gevoegde beëindigingsvoorstel.

2.9.

Bij e-mail van 27 september 2018 heeft de gemachtigde van Emerson aangekondigd dat Emerson tot een loonstop zou overgaan. Na overleg met de gemachtigde van [verweerder] is deze loonstop op 9 oktober 2018 met terugwerkende kracht ongedaan gemaakt.

2.10.

[verweerder] is vanaf 7 mei 2018 onder behandeling bij Psyq. Bij brief van 7 november 2018 wordt door een psychiater van Psyq aan de bedrijfsarts meegedeeld –zakelijk weergegeven- dat bij [verweerder] de diagnose bipolaire stoornis I is gesteld, dat hij met medicijnen dient te worden behandeld en dat hij voor intensieve deeltijd behandeling in aanmerking komt, gezien de ernst van het ziektebeeld.

2.11.

Bij brief van 8 november 2018 wordt door de onder 2.10 genoemde psychiater aan de raadsman van [verweerder] meegedeeld dat op basis van het onderzoek en de expertise van Psyq het zeer waarschijnlijk wordt geacht dat het destructieve gedrag van [verweerder] (waaronder bijvoorbeeld het begaan van verkeersovertredingen) voortkomt uit het psychiatrisch toestandsbeeld passend bij de bipolaire stoornis.

3 Het verzoek

3.1.

Emerson verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] zo snel mogelijk te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW), in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel e dan wel onderdeel g BW. Op grond van artikel 7:671 lid 8 sub b BW wordt verzocht geen rekening te houden met de opzegtermijn en [verweerder] geen transitievergoeding toe te kennen.

Voorts wordt verzocht om te bepalen dat [verweerder] de schade toegebracht aan de aan hem ter beschikking gestelde bedrijfsauto dient te vergoeden aan Emerson. Deze schade wordt begroot op € 5.000,00.

3.2.

Aan dit verzoek legt Emerson ten grondslag dat sprake is van -kort gezegd- ernstig verwijtbaar handelen door [verweerder] en/of een verstoorde arbeidsverhouding onder omstandigheden die zodanig zijn dat van Emerson redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

3.3.

Ter onderbouwing daarvan heeft Emerson het volgende naar voren gebracht.

[verweerder] heeft een lang dienstverband met Emerson en heeft tot voor kort prima gefunctioneerd.

Vanaf eind 2017/begin 2018 heeft [verweerder] zich dusdanig gedragen dat van Emerson niet gevergd kan worden om de arbeidsovereenkomst nog langer in stand te houden.

Emerson verwijst hierbij naar de omstandigheden dat [verweerder] zich stelselmatig onbereikbaar houdt voor zijn werkgever, op roekeloze wijze omgaat met de bedrijfsauto, excessief gebruik maakt van de zakelijke tankpas tijdens zijn ziekte voor privé ritten en nevenactiviteiten verricht gedurende de periode dat hij stelt arbeidsongeschikt te zijn.

Door het optreden van [verweerder] zowel voor als na zijn ziekmelding is de arbeidsverhouding inmiddels zodanig verstoord geraakt dat die verstoring onherstelbaar is, daarom rest volgens Emerson nog slechts ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

4 Het verweer

4.1.

[verweerder] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen.

Allereerst voert [verweerder] aan dat het opzegverbod tijdens ziekte als bedoeld in artikel 7:670, eerste lid onder a BW van toepassing is omdat er sedert zijn ziekmelding nog geen periode van twee jaar is verstreken. Dit betreft, aldus [verweerder] een absoluut opzegverbod. Ook houdt zijn ziekte verband met het ontbindingsverzoek. De schade aan de auto kan hem, aldus [verweerder] , niet worden toegerekend, gezien de aard van zijn ziekte.

5 De beoordeling

5.1.

Beoordeeld dient te worden of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. In dit geval geldt een opzegverbod omdat [verweerder] zich op 18 januari 2018 heeft ziekgemeld en er sedertdien nog geen periode van twee jaar is verstreken.

5.2.

De kantonrechter stelt voorop dat uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In artikel 7:669 lid 3 BW is nader omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan. Bij regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 april 2015 (Stcrt. 2015/12685) zijn daarvoor nadere regels gesteld (Ontslagregeling).

5.3.

De werkgever voert aan dat de redelijke grond voor ontbinding is gelegen is in het gedrag van [verweerder] zowel voor als na zijn ziekmelding

De door Emerson in dat verband naar voren gebrachte feiten en omstandigheden leveren echter geen redelijke grond voor ontbinding op, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3, onderdeel e dan wel onderdeel g BW. Daarvoor is het volgende redengevend.

5.4.

Niet weersproken is dat er aan de zijde van [verweerder] sprake is van een reële ernstige ziekte. Inmiddels is de diagnose bipolaire stoornis I gesteld en heeft de behandelend psychiater aangegeven dat het zeer waarschijnlijk is dat er een verband is tussen het gedrag dat [verweerder] vertoont en zijn ziekte.

De bedrijfsarts heeft daarover aan Emerson meegedeeld op 7 november 2018, dat hij geen wezenlijke verandering in het medisch toestandsbeeld van [verweerder] waarneemt. Dit doet niet af aan het door de behandeld psychiater geconstateerde ziektebeeld en het door die psychiater geconstateerde oorzakelijk verband tussen de ziekte van [verweerder] en zijn gedrag.

Mocht Emerson daar anders over denken dan had het op haar weg gelegen om een onafhankelijk medisch onderzoek aan te vragen maar dat heeft zij niet gedaan.

5.5.

In dit geval geldt dus een opzegverbod wegens ziekte omdat [verweerder] zich op 18 januari 2018 heeft ziekgemeld en er sedertdien nog geen periode van twee jaar is verstreken.

Dit opzegverbod staat in de weg aan toewijzing van het ontbindingsverzoek van Emerson.

5.6.

De door Emerson verzochte veroordeling van [verweerder] tot betaling van een schadevergoeding van € 5.000,-- in verband de door hem veroorzaakte schade aan de bedrijfsauto moet worden afgewezen. Gesteld noch gebleken is door welke oorzaken en wanneer de aan de bedrijfsauto geconstateerde schade(s) is/zijn ontstaan. Voor zover dit zou zijn gebeurd tijdens de uitvoering van de werkzaamheden door [verweerder] staat artikel 7:661, eerste lid BW daaraan in de weg. In de omstandigheden van dit geval is niet door Emerson aangetoond dat er sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid aan de zijde van [verweerder] . Voor zover de schade is ontstaan tijdens de periode dat [verweerder] arbeidsongeschikt is en Emerson hem de auto nog ter beschikking heeft gelaten moet geoordeeld worden dat het niet van goed werkgeverschap getuigt om hem in de omstandigheden van dit geval daarvoor aansprakelijk te stellen. Zonder nadere toelichting – die niet is gegeven- valt niet in te zien waarom [verweerder] de onder 2.6 genoemde begrote schade hem tot een bedrag van

€ 5.000,00 zou kunnen worden toegerekend.

5.7.

De kantonrechter ziet in de omstandigheden van het geval aanleiding om Emerson in de kosten te veroordelen. Die kosten worden aan de zijde van [verweerder] begroot op € 800,00 voor salaris van zijn gemachtigde.

6 De beslissing

De kantonrechter:

wijst de verzoeken van Emerson af;

veroordeelt Emerson tot betaling van de proceskosten van [verweerder] tot op heden begroot op

€ 800,00 voor salaris van zijn gemachtigde;

Verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gewezen door mr. L.C. Heuveling van Beek, kantonrechter en op 19 december 2018 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter