Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:15335

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-12-2018
Datum publicatie
21-12-2018
Zaaknummer
7385023 \ RL EXPL 18-27322
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

Het verzoek de pensioenregeling voor militairen als een eindloonregeling extern onder te brengen in 2019 bij een toegelaten pensioenuitvoerder, al dan niet door ook in 2019 die uitvoerder de backservice-systematiek te laten uit te voeren zoals die staat in artikel 17.6.3 lid 7 van het PR Militairen wordt afgewezen;

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-1417
PJ 2019/6
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

zittingsplaats 's-Gravenhage

vR

zaaknr 7385023 \ RL EXPL 18-27322

21 december 2018

Vonnis in kort geding van de kantonrechter in de zaak van

  1. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid Algemene Centrale van Overheidspersoneel FNV,
    gevestigd te Utrecht,

  2. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid Ambtenarencentrum,
    gevestigd te Woerden,

  3. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid Algemene Federatie van Militair Personeel,
    gevestigd te Woerden,

  4. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid Marechausseevereniging,
    gevestigd te Woerden,

  5. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid Vakbond voor Burger en Militair defensiepersoneel (VBM),
    gevestigd te Den Haag,

  6. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid Algemeen Christelijke Organisatie van Militairen,
    gevestigd te Leusden,

eisende partijen in conventie,

verwerende partijen in reconventie,

gemachtigden: mr. T. Huijg en prof. mr. drs. M. Heemskerk,

tegen

De Staat der Nederlanden (Ministerie van Defensie en Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties),

zetelend te Den Haag,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. R. van Arkel en mr. D.R. Stolwijk.

Partijen worden aangeduid als ‘ACOP en AC’als eisers sub 1 en 2 bedoeld worden, als ‘eisers sub 3 tot en met 6’ als alleen die betreffende eisers bedoeld worden en als ‘de bonden’ als alle eisers gezamenlijk worden bedoeld. Gedaagde zal worden aangeduid als ‘de Staat’ dan wel ‘Defensie’.

Procedure:

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- de dagvaarding van 4 december 2018, met producties;

- de brief van de bonden van 7 december 2018, houdende akte wijziging van eis en overlegging aanvullende producties;

- de brief van de bonden van 7 december 2018, houdende overlegging van een aanvullende productie;

- de conclusie van antwoord in conventie /eis in reconventie, met producties.

De zaak is mondeling behandeld op 10 december 2018.

Alle partijen hebben pleitaantekeningen voorgedragen. Afdrukken van die aantekeningen zijn bij de gedingstukken gevoegd.

De bonden hebben een akte (nadere) eiswijziging ingediend.

Door de griffier zijn aantekeningen gemaakt van wat ter zitting is besproken.

De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

1 Feiten

in conventie en in reconventie:

De kantonrechter gaat uit van de navolgende feiten.

1.1

Er bestaat het ‘Besluit georganiseerd overleg sector Defensie’. In dat besluit is een sectorcommissie ingesteld. In het sectoroverleg Defensie (SOD) voert de Staat (Defensie) overleg met de sectorcommissie (de werknemersvertegenwoordigers). De eisende partijen in conventie sub 1. en 2. (ACOP en AC) zijn ingevolge voormeld besluit (mede) aangewezen als vertegenwoordigers zoals bedoeld in dat besluit.

1.2

Defensie heeft in het verleden als werkgever van de militairen voor de opbouw van het pensioen een zogenoemde eindloonregeling afgesproken.

1.3

Op 12 oktober 2017 hebben de staatssecretaris van defensie en de centrales van overheidspersoneel een akkoord bereikt over een pakket maatregelen in het kader van het arbeidsvoorwaardenbeleid voor de sector Defensie. Dit akkoord is op 24 november 2017 door alle bij het overleg betrokken partijen ondertekend. Dit akkoord kent onder meer de navolgende afspraak:
“(…) 7. Pensioen & Loongebouw voor militairen
De huidige eindloonregeling voor militairen staat onder een steeds grotere financiële beleidsmatige en maatschappelijk druk. Eerste verkenningen hebben duidelijk gemaakt dat de omvorming naar een nieuw pensioenstelsel, inclusief de uitwerking in wet- en regelgeving die daarmee gepaard gaat in samenhang met de gerelateerde aanpassing van het loongebouw, noodzakelijk en complex van aard is.
De huidige eindloonregeling zal worden verlaten. Met ingang van 1 oktober 2018 is er overeenstemming over een structurele defensiespecifieke pensioenregeling voor militairen die per 1 januari 2019 zal worden geïmplementeerd. Deze regeling is uitvoerbaar en beheersbaar. In 2018 is er een overgangsregeling met een eindloonkarakter waarbij de backserviceaanspraak vervangen wordt door een koopsompolis. De nieuwe pensioenregeling en het loongebouw voor militairen zullen langs de lijn van de volgende uitgangspunten worden uitgewerkt:
a. het vertrekpunt van denken is een middelloonregeling;
b. Met ingang van 1 januari 2019 zal er een Defensiespecifieke pensioenregeling voor militairen worden geïmplementeerd;
c. Fiscale mogelijkheden zullen optimaal worden benut;
(…)”.

1.4

Sociale partners (Defensie en –onder meer- ACOP en AC) hebben vervolgens onderhandeld over een overstap van eindloon naar middelloon vanaf 1 januari 2019. Het van dat overleg op 20 augustus 2018 bereikte onderhandelingsresultaat is door de werknemersvertegenwoordigers bij het overleg aan hun achterban voorgelegd. De achterban heeft het bereikte onderhandelingsresultaat afgewezen. Die afwijzing is op 4 oktober 2018 aan Defensie kenbaar gemaakt.

1.5

Defensie heeft op 21 november 2018 aan de bij het sectoroverleg betrokken partijen laten weten dat per 1 januari 2019 voor de berekening van het pensioen van militairen de middelloonregeling zal gelden.

1.6

ABP, de pensioenuitvoerder, heeft meegedeeld, zakelijk weergegeven, dat vanaf 2019 voor militairen de eindloonregeling niet meer geldt en dat ABP vanaf 2019 een tijdelijke basisregeling voor militairen op basis van een middelloonregeling zal toepassen voor het pensioen van militairen.

2 Vordering in conventie

De bonden vorderen – zakelijk weergegeven en na (herhaalde) wijziging van eis – dat de kantonrechter vóór 29 december 2018, bij wege van voorlopige

voorziening en — voor zover mogelijk — uitvoerbaar bij voorraad, de Staat bij vonnis te

veroordelen:

  1. uiterlijk op 31 januari 2019 (dan wel een ander door de kantonrechter in redelijkheid vast te stellen moment) de pensioenregeling voor militairen als een eindloonregeling extern onder te brengen in 2019 bij een toegelaten pensioenuitvoerder, al dan niet door ook in 2019 die uitvoerder de backservice-systematiek te laten uit te voeren zoals die staat in artikel 17.6.3 lid 7 van het PR Militairen;

  2. uiterlijk op 31 januari 2019 (dan wel een ander door de kantonrechter in redelijkheid vast te stellen moment) de pensioenregeling voor militairen als een eindloonregeling extern ondergebracht te houden vanaf het jaar 2019 bij een toegelaten pensioenuitvoerder, al dan niet door ook vanaf 2019 die uitvoerder de backservice-systematiek te laten uitvoeren zoals die staat in artikel 17.6.3 lid 7 van het PR Militairen;

  3. uiterlijk op 31 januari 2019 (dan wel een ander door de kantonrechter in redelijkheid vast te stellen moment) een uitvoeringsovereenkomst in de zin van artikel 23 Pensioenwet -dan wel een overeenkomst in de zin van artikel 4 lid 2 Kaderwet militaire pensioenen- te sluiten, waarmee de Staat de onder petitum a. en b. genoemde eindloonregeling extern onderbrengt;

  4. uiterlijk op 31 december 2018 (dan wel een ander door de kantonrechter in redelijkheid vast te stellen moment) in de Staatscourant te publiceren dat de overeenkomst een eindloonregeling is, alles zoals bedoeld in de zin van artikel 4 lid 6 Wet privatisering ABP;

  5. uiterlijk op 31 januari 2019 (dan wel een ander door de kantonrechter vast te stellen moment) ABP te sommeren om ook vanaf januari 2019 een eindloonregeling uit te voeren voor militairen door op die datum de hieronder te vermelden inhoud -in een lettertype en grootte gelijk aan de gebruikelijke brieven van het Ministerie van Defensie aan ABP, op het gebruikelijke briefpapier van het Ministerie van Defensie en zonder dat daar enig commentaar wordt bijgevoegd- middels een brief en fax ABP schriftelijk toe te sturen:

“Aan het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP

t.a.v. [betrokkene 1]

Postbus 4804

6407 JL HEERLEN

Datum: 31 december 2018

Onderwerp Uitvoering pensioenregeling militairen

In gevolge de uitspraak van december 2018 van de Kantonrechter Den Haag

sommeert Defensie hierbij het ABP de pensioenregeling voor militairen als een eindloonregeling uit te voeren in 2019, al dan niet door ook in 2019 de backservicesystematiek uit te voeren zoals die staat in artikel 17.6.3 lid 7 van het huidige pensioenreglement van ABP voor militairen.

Een afschrift van deze brief heb Ik tevens gezonden aan de centrales.

DE STAATSSECRETARIS VAN DEFENSIE

[betrokkene 2] ”

f. zich te onthouden van mededelingen en/of handelingen waardoor tegenover ABP, de deelnemende militairen en het publiek de onjuiste schijn wordt gewekt, dat de pensioenregeling van militairen geen eindloonregeling is;

g. primair:

ervoor zorg te dragen dat binnen 24 uur na betekening van dit vonnis voor de duur van één (1) kalendermaand op de openingspagina van de interne website (ook wel

Defensie intranet genoemd) voor militairen van de Staat een rectificatie staat met

de hieronder te vermelden inhoud, in een lettertype en grootte gelijk aan de

gebruikelijke tekst die de Staat op die website hanteert, met dien verstande dat het

bericht zo dient te zijn geplaatst dat het direct als eerste zichtbaar is wanneer de

openingspagina van de website wordt bekeken en zonder dat daar enig

commentaar wordt bijgevoegd:

“Rectificatie: Pensioenregeling militairen

Eerder berichtten wij u op Defensie intranet dat Defensie van mening is dat er een middelloonregeling geldt voor militairen vanaf januari 2019.

De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag heeft voorshands geoordeeld dat deze mededeling onjuist is en dat er nog steeds eindloonregeling geldt voor militairen.”


subsidiair (ten opzichte van het hiervoor primair gevorderde):

ervoor zorg te dragen dat binnen 24 uur na betekening van dit vonnis voor de duur

van één (1) kalendermaand op de openingspagina van de interne website (ook wel

Defensie intranet genoemd) voor militairen van de Staat een verduidelijking staat

met de hieronder te vermelden inhoud, in een lettertype en grootte gelijk aan de

gebruikelijke tekst die de Staat op die website hanteert, met dien verstande dat het

bericht zo dient te zijn geplaatst dat het direct als eerste zichtbaar is wanneer de

openingspagina van de website wordt bekeken en zonder dat daar enig

commentaar wordt bijgevoegd:

“Verduidelijking: Pensioenregeling militairen

Eerder wekten wij op Defensie intranet de indruk dat er tussen sociale partners geen eindloonregeling meer geldt voor militairen vanaf Januari 2019.

De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag heeft voorshands geoordeeld dat deze uitlatingen misleidend zijn.”

h. Aan overtreding of niet nakoming van het onder a. tot en met g. gevorderde een dwangsom te verbinden van € 10.000,- per dag, al dan niet gemaximeerd met een door de kantonrechter in redelijkheid vast te stellen maximum;

i. In de kosten van dit geding,”

De bonden leggen aan de vordering voormelde vaststaande feiten ten grondslag alsmede, zakelijk weergegeven, de navolgende stellingen.

2.1

Aan Defensie is kenbaar gemaakt dat voormeld onderhandelingsresultaat van 20 augustus 2018 door de achterban is afgewezen. Daarmee is de bestaande eindloonregeling niet vervangen door een middelloonregeling. De tussen sociale partners overeengekomen pensioenregeling van militairen is (nog steeds) een eindloonregeling.

2.2

Door de mededeling van Defensie dreigt de eindloonregeling voor militairen ineens een middelloonregeling te worden. Dat klopt niet. Defensie handelt daarmee in strijd met de tussen partijen geldende pensioenafspraken en in strijd met de wet.

2.3

Ten onrechte heeft Defensie de eindloonregeling niet ondergebracht bij de pensioenuitvoerder ABP. Dat is in ieder geval vanaf 1 januari 2018 in strijd met onder andere artikel 23 Pensioenwet. Verder communiceert Defensie niet richting ABP dat voor militairen per 2019 gewoon nog een eindloonregeling geldt. Gelet hierop vorderen de bonden als ordemaatregel te bepalen dat Defensie de geldende eindeloonregeling onderbrengt bij ABP per januari 2019 en aldus communiceert richting ABP en de militairen.

2.4

Defensie en de bonden, verenigd in het SOD, zijn in de nacht van 11 op 12 oktober 2017 voor het laatst een wijziging van de pensioenregeling overeengekomen in het toen (op12 oktober 2017) gesloten akkoord. Dat de eindloonregeling nog steeds ongewijzigd geldt, blijkt uit (de uitleg gebaseerd op, dan wel het gerechtvaardigd vertrouwen zijdens de bonden gebaseerd op) een reeks van omstandigheden, zoals deze door de bonden zijn opgesomd in de inleidende dagvaarding en nader zijn toegelicht bij gelegenheid van de mondelinge behandeling. Die omstandigheden, ook bezien in onderling verband, leiden volgens de bonden tot geen andere conclusie dan dat de eindloonregeling nog steeds ongewijzigd geldt.

2.5

Dat ABP heeft laten weten dat het vanaf januari 2019 een basisregeling voor militairen gaat uitvoeren op basis van de middelloonregeling, en dus niet de overeengekomen eindloonregeling, is onjuist. Er is immers geen sprake van een rechtsgeldige wijziging van de pensioenregeling. ABP dient onverminderd de eindloonregeling te blijven toepassen.

3 Verweer in conventie

De Staat voert gemotiveerd verweer. Op dat verweer wordt hierna, zo nodig, ingegaan.

4 Eisinreconventie

De Staat vordert, uitvoerbaar bij voorraad, de Centrales (ieder van de eisers in conventie) te gebieden om op zo kort mogelijke termijn, doch uiterlijk binnen 24 uur na betekening van het vonnis, met de staatssecretaris van Defensie op een redelijke wijze in overleg te treden, teneinde overeenstemming te bereiken over een structurele defensiespecifieke pensioenregeling voor militairen die per 1 januari 2019 (al dan niet met terugwerkende kracht) zal worden geïmplementeerd; een en ander conform de afspraken zoals gemaakt in het Arbeidsvoorwaardenakkoord 2017 (ondertekend op 24 november 2017), met veroordeling van de bonden in de kosten van de procedure, waaronder nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

Aan deze vordering legt de Staat ten grondslag wat door de Staat als verweer is aangevoerd tegen de vordering in conventie.

5 Verweerinreconventie

De bonden voeren gemotiveerd verweer. Op dat verweer wordt hierna, zo nodig, ingegaan.

6 Beoordeling

in conventie:

6.1

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling van de vorderingen is door de Staat aangevoerd dat de eisende partijen sub 3. tot en met 6. niet kunnen worden ontvangen in hun vorderingen, omdat zij geen partij zijn bij het ‘Arbeidsvoorwaardenakkoord 2017’. Deze eisende partijen hebben volgens de Staat geen (spoedeisend) belang bij de vorderingen. De bonden hebben deze zienswijze van de Staat onderschreven. De conclusie van een en ander is dat de eisende partijen sub 3. tot en met 6. niet-ontvankelijk zullen worden verklaard.

6.2

Uit de aard van de vordering volgt dat ACOP en AC een spoedeisend belang bij hun

(overige) vorderingen hebben. Zij zijn in zoverre ontvankelijk.

In deze procedure dient de kantonrechter te beoordelen of het zo zeer waarschijnlijk is dat de vorderingen van ACOP en AC in een eventueel aan te spannen bodemprocedure toewijsbaar worden geacht, dat het verantwoord is daarop bij wijze van voorziening bij voorraad vooruit te lopen.

6.3

De kern van het geschil is of tussen partijen is overeengekomen dat er voor militairen vanaf 1 januari 2019 een middelloonregeling zal gelden. Volgens de Staat is dat het geval. De Staat beroept zich daarbij op het in 2017 gesloten arbeidsvoorwaardenakkoord dat door alle bij het overleg betrokken partijen (en dus ook door ACOP en AC) is ondertekend. Uit dit arbeidsvoorwaardenakkoord blijkt volgens de Staat duidelijk dat is afgesproken dat de eindloonregeling met ingang van 1 januari 2019 zal worden verlaten, terwijl in 2018 nog een overgangsregeling met een eindloonkarakter zou gelden. Met ingang van 1 oktober 2018 zou tussen partijen overeenstemming zijn bereikt over een structurele pensioenregeling per 1 januari 2019. ACOP en AC betwisten dat dit is overeengekomen. In het arbeidsvoorwaardenakkoord staat weliswaar dat de huidige eindloonregeling zal worden verlaten, maar dat betekent volgens hen nog niet dat daarmee per 1 januari 2019 een middenloonregeling zal gelden. Gelet op de formulering van deze zinsnede kon ook volgens hen voor een gewijzigde eindloonregeling worden gekozen.

6.4

De kantonrechter kan ACOP en AC daarin niet volgen. In het arbeidsvoorwaardenakkoord staat namelijk duidelijk dat de huidige eindloonregeling zal worden verlaten. Daarbij is geen voorbehoud opgenomen. Als reden daarvoor wordt genoemd dat de huidige eindloonregeling voor militairen onder een steeds grotere financiële, beleidsmatige en maatschappelijke druk staat en dat omvorming naar een nieuw pensioenstelsel noodzakelijk is. Vervolgens wordt er gesproken over een overgangsregeling voor 2018. Het feit dat van een overgangsregeling wordt gesproken, impliceert dat er na 2018 een andere pensioenregeling zal gaan gelden. Deze nieuwe pensioenregeling die per 1 januari 2019 zal gaan gelden, zal nog worden uitgewerkt, waarbij het vertrekpunt van denken een middelloonregeling is, zo staat in het arbeidsvoorwaardenakkoord. Als de middelloonregeling het vertrekpunt van denken is, dan is duidelijk dat partijen zijn overeengekomen dat niet meer wordt gesproken over een eindloonregeling vanaf 2019 maar alleen nog over een nadere invulling van die middelloonregeling. Gelet op het samenstel van de in het arbeidsvoorwaardenakkoord opgenomen tekst, is de uitleg van ACOP en AC dat een eindloonregeling per 1 januari 2019 nog tot de mogelijkheden behoorde niet logisch. Het arbeidsvoorwaardenakkoord is door ACOP en AC ondertekend, zodat zij daarmee in ieder geval op het moment van ondertekening akkoord zijn gegaan. Dat hun achterban daar achteraf, na consultatie, kennelijk anders over dacht, maakt dat niet anders.

6.5

Gelet op de voormelde afspraken en de daarbij gegeven redengeving voor die afspraken, waarvan niet is gesteld of gebleken dat daarvan bij de ondertekening ten aanzien van enig deel daarvan een voorbehoud door één van de betrokken partijen is gemaakt, is naar het oordeel van de kantonrechter aan te nemen dat de bodemrechter, indien daartoe geroepen, zal oordelen dat partijen zijn overeengekomen dat de voor militairen geldende eindloonregeling per 1 januari 2019 zal worden vervangen door een middelloonregeling. Wat ACOP en AC (menen te) lezen in de verschillende nadien geproduceerde stukken maakt dat oordeel niet anders. Datzelfde geldt voor het feit dat de bij het akkoord betrokken partijen (nog) geen overeenstemming hebben bereikt over onder meer de (concrete) invulling van de middelloonregeling, waardoor ABP nu genoodzaakt is per 1 januari 2019 een tijdelijke basisregeling voor pensioenen voor militairen toe te passen.

6.6

De conclusie is dan ook dat de vorderingen van ACOP en AC dienen te worden afgewezen.

6.7

De bonden worden als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten. De in dat verband gevorderde nakosten worden op na te melden wijze toegewezen.

in reconventie

6.8

Het door de Staat gewenste overleg heeft slechts zin, indien alle bij het Arbeidsvoorwaarden akkoord 2017 betrokken partijen daarbij aanwezig zijn. Bij de veroordeling van (uitsluitend) ACOP en AC tot het in overleg treden met Defensie heeft de Staat dan ook geen gerechtvaardigd belang. De vordering van de Staat zou zich hebben moeten richten tegen alle centrales van overheidspersoneel betrokken bij het Arbeidsvoorwaardenakkoord 2017.

6.9

De conclusie is daarom dat ook de vorderingen gericht tegen ACOP en AC worden afgewezen.

6.10

Als de in het ongelijk gestelde partij wordt de Staat veroordeeld in de proceskosten.

Beslissing ex artikel 254 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

De kantonrechter:

in conventie:

  1. verklaart eisers sub 3. tot en met 6. niet-ontvankelijk in hun vorderingen;

  2. wijst de vorderingen van ACOP en AC af;

  3. veroordeelt de bonden in de kosten van de procedure tot hiertoe aan de zijde van de Staat vastgesteld op € 200,- als het aan de gemachtigde van de Staat toekomende salaris, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na de betekening van dit vonnis tot de dag van de algehele voldoening;

4 veroordeelt de bonden tot betaling van € 100,- aan nasalaris, voor zover de Staat daadwerkelijk nakosten zal maken, en voorts, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de explootkosten van betekening van het vonnis, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na de betekening van dit vonnis tot de dag van de algehele voldoening;

5 verklaart voormelde veroordelingen vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie:

6. wijst de vordering af;

7. veroordeelt Defensie in de kosten van de procedure tot hiertoe aan de zijde van de bonden vastgesteld op € 200,- als het aan de gemachtigde van de bonden toekomende salaris.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Groeneveld-Stubbe, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 december 2018, in tegenwoordigheid van de griffier.