Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:15292

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-12-2018
Datum publicatie
21-12-2018
Zaaknummer
C-09-561743-KG ZA 18-1089
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Gebod aan de Staat om een voordracht in te dienen naar aanleiding van een gratieverzoek van een levenslang gestrafte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2019/17
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/561743 / KG ZA 18-1089

Vonnis in kort geding van 21 december 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [plaats] ,

eiser,

advocaat mr. R.J. Wybenga te Rotterdam,

tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. C.M. Bitter te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ' [eiser] ' en 'de Staat'.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de brieven van [eiser] van 15 november 2018 en 5 december 2018, met producties;

- de op 12 december 2018 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Bij op 1 juli 1985 onherroepelijk geworden arrest van het gerechtshof Den Haag van 14 oktober 1984 is [eiser] veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf wegens een schietpartij in café "Het Koetsiertje" te Delft op 5 april 1983, waarbij zes doden vielen en enkele gewonden. In verband met dat strafbare feit is [eiser] op 7 april 1983 in detentie genomen.

2.2.

Een op 11 maart 1998 ingediend gratieverzoek is aanleiding geweest voor een onderzoek naar [eiser] en een advies hem te laten opnemen in een tbs-kliniek. Overleg tussen de minister van Justitie en het Forensisch Psychiatrisch Centrum [de kliniek] (hierna: 'de kliniek') heeft geleid tot een memo van de Staat van 9 juli 2001. Voor zover hier van belang vermeldt het memo:

"Deze kliniek is bereid tot opname, mits er op voorhand duidelijkheid wordt geboden over de haalbaarheid van een resocialisatietraject in relatie met het omzetten van de levenslange gevangenisstraf in een eindige gevangenisstraf middels gratie.

(...)

Afspraken rond beëindiging van de behandeling

Algemene behandelingsstrategie van de kliniek is behandeling met het oog op verantwoorde terugkeer in de samenleving. De kliniek heeft geen "bewaarfunctie".

Wanneer mocht blijken dat behandeling - om wat voor redenen dan ook - onvoldoende doel treft, zal terugplaatsing naar het gevangeniswezen onvermijdelijk zijn.

(...)

Horizonbepaling gratieprocedure

Uitgaande van de optie dat behandeling succesvol verloopt en er sprake is van een gunstige prognose voor wat de terugkeer in de samenleving betreft, is tijdige indiening van een gratieverzoek een belangrijk punt van aandacht. Er kunnen zich binnen deze optie twee situaties ontwikkelen, die ieder afzonderlijk de inhoud van het gratieverzoek kunnen beïnvloeden:

1. De behandeling (intra- dan wel transmuraal) nadert haar voltooiing waarbij het van belang blijft de inbedding in de samenleving zodanig in te richten dat betrokkene de dwang blijft voelen om daaraan maximale medewerking te verlenen.

2. De behandeling (intra- dan wel transmuraal) is zodanig progressief verlopen dat betrokkene voldoende gemotiveerd is aanwijzingen te volgen die de gewenste inbedding ondersteunen, zonder dat daartoe een dwangkader benodigd is.

Ad 1: Omzetting van de levenslange gevangenisstraf naar een gevangenisstraf met een einddatum middels gratieverlening, gevolgd door het verlenen van gratie voor het resterend gedeelte van de gevangenisstraf onder voorwaarde. Bij het niet volgen van de voorwaarde herleeft de eindige gevangenisstraf.

Ad 2: Omzetting van de levenslange gevangenisstraf naar een gevangenisstraf met een einddatum middels gratieverlening. De aldus omgezette gevangenisstraf dient zodanig aangepast te zijn dat de VI-datum passeert op het moment van ontslag uit de kliniek.

Het aldus in te dienen gratieverzoek zal in de kliniek haar startpunt krijgen, d.w.z. er zal een plan van aanpak rond de afronding van de klinische behandeling worden voorgelegd aan de heer [A] .

Hij zal vervolgens het plan om advies voorleggen aan de heer [B] , die zal beoordelen of er voldoende elementen zijn om een ambtshalve gratieverzoek in te dienen vanuit zijn positie als psychiatrisch adviseur. Gelet op de haalbaarheid van een dergelijk verzoek is wederzijdse overeenstemming omtrent het verloop / afloop van de behandeling wenselijk. Indien het gratieverzoek niet wordt gehonoreerd kan betrokkene niet langer in de kliniek verblijven en zal terugplaatsing naar het gevangeniswezen plaatsvinden."

2.3.

Op 20 juli 2001 heeft de Minister aan [eiser] bericht dat hij ( [eiser] ) in een tbs-inrichting wordt geplaatst. Bij deze mededeling is gevoegd een afschrift van de brief van eveneens 20 juli 2001 van de Minister aan de kliniek waarin onder meer staat vermeld:

"Tijdens (...) mondeling en schriftelijk contact met uw kliniek, waarbij ook de advocate van de gedetineerde was betrokken, toonde u zich bereid een opname toch in overweging te nemen, mits er op voorhand duidelijkheid wordt geboden over de haalbaarheid van een resocialisatietraject in relatie met het omzetten van de levenslange gevangenisstraf in een eindige gevangenisstraf middels gratie.

Dit was aanleiding voor overleg tussen uw kliniek, de advocate van betrokkene en de GGG-commissie. De uitkomsten van dit overleg op 3 mei 2001 werden, na een consultatieronde langs alle deelnemers, vastgelegd in een memo d.d. 9 juli 2001. Deze memo is reeds in uw bezit.

Op basis van de afspraken in de memo verzoek ik u thans betrokkene met voorrang in uw kliniek op te nemen en het behandelingstraject te beginnen met een observatieperiode.

Na afronding van de observatieperiode ontvang ik graag het verslag van uw bevindingen naar aanleiding van deze observatie.

Het verslag zal de eerste aanzet betekenen voor de overige actiepunten zoals vastgelegd in de memo.

Over de voortgang van de gemaakte afspraken in de memo zullen alle deelnemers aan het eerdergenoemde overleg steeds worden geïnformeerd rond het moment dat zich daarbij relevante ontwikkelingen voordoen."

2.4.

[eiser] is vervolgens op 31 augustus 2001 opgenomen in de kliniek.

2.5.

Nadien hebben tussen partijen verschillende procedures plaatsgevonden, onder meer in kort geding over aan [eiser] toe te kennen verloven en tussen partijen plaats te vinden overleg.

2.6.

Op 3 november 2016 is aan [eiser] transmuraal verlof toegekend vanaf 11 november 2016.

2.7.

Op 10 maart 2017 heeft [eiser] een gratieverzoek ingediend (hierna 'het Gratieverzoek').

2.8.

Op 20 april 2017 heeft de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie het volgende medegedeeld aan [eiser] :

"Op 13 maart 2017 heb ik uw gratieverzoek ontvangen. Hierbij informeer ik u over de behandeling van uw gratieverzoek.

Onderzoeken

(…)

Uit de bovenstaande stappen blijkt dat een slachtoffer- en nabestaandenonderzoek niet opnieuw zal worden uitgevoerd. De reden hiervoor is dat in 2014, bij de behandeling van uw vorige gratieverzoek en in het kader van een aanvraag onbegeleid verlof, reeds een onderzoek heeft plaatsgevonden. Het is niet aannemelijk dat een nieuw onderzoek thans een ander licht op de zaak zal werpen. Daarom zal het onderzoek uit 2014 in deze procedure worden gebruikt.

Behandelduur

In mijn brief van 16 maart 2017 heb ik u laten weten dat de behandelingsduur van een gratieverzoek gemiddeld zes maanden is. In uw geval zal deze termijn, gezien de genoemde onderzoeken, langer zijn."

2.9.

Op 18 mei 2018 heeft het Openbaar Ministerie (hierna 'OM') geadviseerd het Gratieverzoek af te wijzen. De conclusie van het advies luidt:

" 8. Conclusie

Bij gebrek aan een recent slachtofferonderzoek, een impactanalyse van (voorwaardelijke) gratie van [eiser] op de maatschappij en een reclasseringsrapport is het niet mogelijk om de vraag of met het voortduren van de tenuitvoerlegging van de straf niet langer een redelijk doel is gediend goed te beantwoorden, Bij de huidige stand van zaken zie ik mij daarom genoodzaakt om tot afwijzing van het gratieverzoek te adviseren."

2.10.

Op 6 september 2018 heeft het gerechtshof Den Haag (hierna 'het Hof') zijn advies uitgebracht naar aanleiding van het Gratieverzoek. Voor zover relevant luidt deze:

"Concluderend komt het hof op grond van het voorgaande tot het oordeel dat ter zake

a. het recidiverisico,

b. de delictgevaarlijkheid van de verzoeker en

c. het gedrag en de ontwikkeling van de levenslanggestrafte gedurende zijn detentie,

er thans, na een detentie van ruim 35 jaren, gegeven de door de verzoeker geleverde inzet in het kader van de op zijn resocialisatie gerichte activiteiten - in een resocialisatietraject in relatie tot het omzetten van de levenslange gevangenisstraf in een eindige straf door middel van gratie dat hem bij zijn overplaatsing naar de [de kliniek] te [plaats] reeds in 2001 in het vooruitzicht werd gesteld4 - en gelet op de voortdurende positieve ontwikkeling die hij daarin heeft doorgemaakt en die ertoe heeft geleid dat van een voor het recidiverisico relevante persoonlijkheidsstoornis geen sprake meer is, en welk recidiverisico dermate beperkt is dat thans geen noodzaak bestaat voor begeleiding bij verdere re-integratie in de maatschappij of risicomanagement, geen aanknopingspunten meer zijn te vinden voor de stelling dat met de voortzetting van de detentie, in het onderhavige gevat, de met de generale en speciale preventie na te streven doel(en) in redelijkheid (nog) word(en)t gediend.

Vergelding

Ad d) Het hof ziet onder ogen dat de verzoeker als verdachte in zijn strafzaak veroordeeld is voor zeer ernstige misdrijven waarbij zes personen, waaronder een kind, om het leven zijn gekomen. Deze schokkende feiten hebben toenmaals grote beroering veroorzaakt in de maatschappij en een blijvende impact gehad op het leven van de slachtoffers/nabestaanden. Het hof neemt zonder meer aan dat het door deze feiten bij de slachtoffers/nabestaanden veroorzaakte onnoemelijke leed en verdriet nog immer bestaan en dat zij ook thans nog in meerdere of mindere mate negatief zullen staan tegenover het verlenen van gratie aan de verzoeker, zoals eerder is gebleken uit het op 7 mei 2014 uitgebracht rapport "Slachtofferonderzoek [eiser] ". Ook zullen, zo neemt het hof aan, over deze feiten naar hun aard in bredere zin in de samenleving, meer in het bijzonder in de gemeente Delft, nog gevoelens van onbehagen bestaan.

Het hof acht zich ten aanzien van de thans nog bestaande impact van de feiten op de slachtoffers/nabestaanden, op grond van de ingebrachte stukken - en mitsdien zonder de door de advocaat-generaal gewenste nadere informatie - voldoende geïnformeerd om tot een advies te komen. Niet is aan te nemen dat in het relatief korte tijdsverloop ten opzichte van het in 2014 uitgebrachte rapport het gemis, de gevoelens en belevingen over het verlies van de slachtoffers zoals in dat rapport tot uitdrukking gebracht, veel aan betekenis zullen hebben ingeboet. Immers, het meergenoemde rapport is meer dan 30 jaar na de datum van de feiten waarvoor de verzoeker is veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf, tot stand gekomen en getuigt niet van heling door tijdverloop. Om diezelfde reden is niet aannemelijk dat de impact in de komende jaren nog veel zal veranderen. Tenslotte speelt een rol dat naar het oordeel van het hof van slachtoffers/nabestaanden niet (bij herhaling) kan en mag worden gevraagd of verwacht dat zij bijdragen aan een eventuele gratiëring van de verzoeker door jegens hem 'bevrijdend' te verklaren.

De vergeldingsbehoefte die bij slachtoffers/nabestaanden van zulke ernstige misdrijven kan bestaan, en die niet noodzakelijkerwijze vermindert naarmate de tijd verstrijkt, kan niet doorslaggevend zijn voor de afweging in het kader van de gratiëring. Het is een factor, die in de loop van de tijd verbleekt, juist omdat op die concrete vergeldingsbehoefte geen maat staat. De concrete vergeldingsdrang gaat gaandeweg op in de meer abstracte notie van 'vergelding' die in essentie in elke vorm van bestraffing besloten ligt.

Voor zover de levenslange gevangenisstraf mede ziet op die vergelding, heeft als uitgangspunt te gelden dat vergelding aan grenzen is gebonden. De vergelding houdt niet slechts in dat op een bepaald vergrijp een sanctie volgt, en wel 'ter verevening' van het aangedane onrecht, ter morele genoegdoening, maar zij geeft ook aan dat aan deze reactie een 'grens' is. Vergelding impliceert niet, en mag niet impliceren, een niet aan enige maat gebonden, feitelijk absolute uitsluiting uit de maatschappij van een dader. Dat is ook de kern van de jurisprudentie van het EHRM: een voor de veroordeelde aanhoudend en langdurig, volstrekt uitzichtloze situatie is strijdig met het verdragsrecht. De maatschappelijk reactie moet in zekere evenredigheid staan tot het begane anti-sociale gedrag. Dat betekent al met al dat de vraag of de - door de misdaden gemaakte - inbreuk op de rechtsorde is geheeld van groot belang is maar dat het antwoord op die vraag niet onder alle omstandigheden de doorslag geeft voor de te nemen beslissing. De vraag of thans nog in overwegende mate (negatief) gewicht moet/mag worden toegekend aan het strafdoel van vergelding - de impact op slachtoffers/nabestaanden toen, nu en naar het hof aanneemt ook in de toekomst - beantwoordt het hof ontkennend. Alles afwegende en concluderende bestaat naar het oordeel van het hof thans na verloop van ruim 35 jaren geen ruimte meer voor vergelding en is aannemelijk geworden dat met de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing of de voortzetting daarvan geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend.

Conclusie

Verdere tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf is naar het oordeel van het hof niet langer gerechtvaardigd.

Dit leidt ertoe dat het hof, met eenparigheid van stemmen, Uwe Majesteit zal adviseren het gratieverzoek toe te wijzen.

E. Advies

Het hof adviseert Uwe Majesteit het verzoek thans toe te wijzen."

2.11.

Bij brief van 2 november 2018 heeft de minister voor Rechtsbescherming het volgende bericht aan [eiser] :

"Inmiddels zijn de adviezen van het OM en het Hof Den Haag bestudeerd en heeft daarover overleg plaatsgevonden. Het OM geeft in het gratie-advies aan het wenselijk te achten dat recente informatie met betrekking tot de impact van gratieverlening op de slachtoffers/nabestaanden en de maatschappij als geheel in het dossier wordt gevoegd alsmede dat een reclasseringsrapport wordt opgemaakt betreffende de te stellen voorwaarden in het kader van een eventuele (voorwaardelijke) gratieverlening. Nu deze informatie ontbreekt is het naar de mening van de advocaat-generaal niet mogelijk om de vraag of met het voortduren van de tenuitvoerlegging van de straf niet langer een redelijk doel is gediend, goed te beantwoorden. Derhalve heeft het OM geadviseerd het gratieverzoek af te wijzen. Voor de te nemen beslissing op het gratieverzoek acht ik het van belang alsnog de mening van het Openbaar Ministerie te vernemen over de vraag of met de tenuitvoerlegging van de straf nog een redelijk doel is gediend en daarmee over de vraag of gratie moet worden verleend. Ik heb daarom besloten de beslissing op het gratieverzoek aan te houden en alsnog een onderzoek te laten doen naar de impact van gratieverlening op slachtoffers, nabestaanden en de maatschappij en een reclasseringsrapport te laten opmaken betreffende de stellen voorwaarden in het kader van een eventuele voorwaardelijke gratieverlening. De resultaten daarvan worden aan het OM voorgelegd met het verzoek om nader advies uit te brengen.

Ik realiseer mij dat ik hiermee terugkom op de eerder gedane mededeling dat geen nieuw slachtofferonderzoek zou worden verricht. Ik realiseer mij voorts dat de genoemde onderzoeken de nodige tijd vergen. Het belang van een nader advies van het OM is naar mijn mening voor de te nemen beslissing op het gratieverzoek echter zo groot dat de genoemde onderzoeken en de daarmee gemoeide tijd gerechtvaardigd zijn."

3 Het geschil

3.1.

Na aanvulling van de (gronden) van de eis bij brief van 15 november 2018 vordert [eiser] de Staat - op straffe van verbeurte van een dwangsom - te gebieden om binnen tien werkdagen het daarheen te leiden dat op de voet van artikel 9 van de Gratiewet ('Gw') een positieve voordracht tot onvoorwaardelijke gratieverlening wordt ingediend bij het Kabinet van de Koning, dan wel (subsidiair) in goede justitie een voorziening te treffen, met veroordeling van de Staat in de volledige proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten.

3.2.

Daartoe voert [eiser] - samengevat - het volgende aan.

Na jarenlang het resocialisatieproces van [eiser] en de in 2001 gemaakte afspraken, zoals deze volgen uit de onder 2.2 en 2.3 vermelde feiten, te hebben gefrustreerd en vertraagd, draalt de Staat thans ook bij de afwikkeling van het Gratieverzoek. De Staat weigert ten onrechte over te gaan tot indiening van een (onvoorwaardelijke) positieve voordracht ter zake van het Gratieverzoek, na het eenparige positieve advies van het Hof van 6 september 2018. In strijd met de Gw - in het bijzonder artikel 6 lid 2 - is blijkens de onder 2.11 vermelde brief van 2 november 2018 besloten om aanvullende onderzoeken te verrichten en het OM daarover nader te laten adviseren. Daarmee sorteert de Staat voor op een - van het advies van het Hof afwijkende - negatieve voordracht voor wat betreft het Gratieverzoek. De bijzondere omstandigheden die daarvoor nodig zijn ontbreken echter. Aldus handelt de Staat onrechtmatig jegens [eiser] .

Nu [eiser] andermaal door het laakbare handelen van de Staat gedwongen is een kort gedingprocedure aanhangig te maken, dient de Staat te worden veroordeeld in de werkelijke proceskosten van [eiser] , die minstens € 25.000,-- bedragen.

3.3.

De Staat voert verweer, dat - voor zover nodig - hierna zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Door middel van zijn vorderingen wenst [eiser] te bereiken dat de voorzieningenrechter ingrijpt in de besluitvorming in de lopende procedure inzake het Gratieverzoek.

4.2.

De primaire vordering strekt ertoe dat de Staat wordt gedwongen tot een onvoorwaardelijke positieve voordracht tot het verlenen van gratie aan [eiser] . Zoals reeds op de zitting aangegeven komt die vordering reeds niet voor toewijzing in aanmerking, omdat de (voorzieningen)rechter daartoe niet bevoegd is. De strekking/inhoud van de voordracht - die onder omstandigheden kan afwijken van het advies van 'het gerecht' zoals bedoeld in artikel 4 Gw - is ingevolgde de Gw exclusief voorbehouden aan 'de Minister'. In dat verband is dus geen rol weggelegd voor de burgerlijke rechter. Eerst nadat door de Kroon een beslissing is genomen op een gratieverzoek kan deze ter toetsing aan de civiele rechter worden voorgelegd (zie ECLI:NL:HR:2017:3185, r.o.3.5.4.). Zover is het in de onderhavige situatie nog niet.

4.3.

Met betrekking tot de subsidiaire vordering stelt de voorzieningenrechter het volgende voorop.

4.3.1.

Ingevolgde het bepaalde in artikel 6 lid 2 Gw kan 'de Minister' alleen nader advies vragen aan het OM indien het advies van 'het gerecht' in de zin van artikel 4 Gw (in casu: het Hof) daartoe aanleiding geeft.

4.3.2.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat het gratie-instrument er niet toe strekt de Kroon in de gelegenheid te stellen van een van de rechter afwijkend inzicht te doen blijken omtrent de strafrechtstoepassing, doch om ertoe bij te dragen dat door de onafhankelijke rechter opgelegde sancties in overeenstemming met eisen van rechtvaardigheid, humaniteit en doelmatigheid ten uitvoer worden gelegd. Daaruit blijkt eveneens dat het rechterlijk advies zwaar weegt (Kamerstukken II nr. 19 075, nrs. 1-3 p. 14-15 en Handelingen II 1986/87, p. 85 4303). De wetgever heeft voor ogen gestaan dat de beslissing op het gratieverzoek alleen kan afwijken van het rechterlijk advies als zich bijzondere omstandigheden voordoen. Aan de motivering van een dergelijke beslissing mogen strenge eisen worden gesteld (zie ECLI:NL:GHDHA:2016:952, r.o. 3.4 en 3.5 inzake [x] /de Staat).

4.3.3.

De Gratiewet kent geen termijn waarbinnen een beslissing omtrent het al dan niet verlenen van gratie wordt genomen. Indien echter niet binnen een redelijke termijn een beslissing wordt genomen, kan de burgerlijke rechter op vordering van de veroordeelde gebieden dat binnen een daartoe gestelde termijn die beslissing wordt genomen (zie ECLI:NL:HR:2017:3185, r.o.3.5.4.).

4.4.

In zijn brief van 2 november 2018 - dus bijna 20 maanden na indiening van het Gratieverzoek, terwijl de gemiddelde behandelingsduur van een gratieverzoek zes maanden bedraagt - geeft de minister van Rechtsbescherming aan dat hij de beslissing op het gratieverzoek aanhoudt in afwachting van een nader advies van het OM, waarbij (mede) rekening wordt gehouden met de uitkomsten van een nog te verrichten onderzoek naar de impact van gratieverlening op de (nabestaanden van de) slachtoffers en de maatschappij en een nog uit te laten brengen reclasseringsrapport.

4.5.

Allereerst is van belang dat [eiser] dat nadere onderzoek, rapport en advies niet behoefde te verwachten op grond van de onder 2.8 vermelde brief van 20 april 2017 over de gang van zaken na de indiening van het Gratieverzoek. Integendeel, nu daarin uitdrukkelijk, onvoorwaardelijk en gemotiveerd wordt aangegeven dat een nieuw slachtoffer- en nabestaandenonderzoek niet zal worden uitgevoerd.

4.6.

Voorts volgt uit de inhoud van de brief van 2 november 2018 dat de aanleiding van het nadere advies van het OM (en het daaraan voorafgaande onderzoek en rapportage) enkel voortvloeit uit het - negatieve - advies van het OM van 18 mei 2018. Dat daaraan mede (deels) het advies van het Hof ten grondslag valt in ieder geval niet uit die brief af te leiden, terwijl dat ook niet op de zitting is aangevoerd door de Staat. De inhoud en strekking van het advies van het Hof blijft zelfs geheel onbesproken in de brief. Daarmee is het verzoek aan het OM om nader advies in strijd met (de strekking van) artikel 6 lid 2 Gw, gelet op hetgeen hiervoor onder 4.3.1. is overwogen.

4.7.

Overigens kan - mede bezien in het licht van het voorgaande - niet worden aangenomen dat zich in dit geval bijzondere omstandigheden in de onder 4.3.2 bedoelde zin voordoen op grond waarvan in redelijkheid zou kunnen worden afgeweken van het advies van het Hof. In zijn advies is het Hof uitvoerig ingegaan op de door het OM aangevoerde omstandigheden op grond waarvan het OM stelt niet goed te kunnen inschatten of met het voortduren van de tenuitvoerlegging van de straf niet langer een redelijk doel is gediend zonder te beschikken over een (nieuw(e)) slachtofferonderzoek, impactanalyse en reclasseringsrapport. Het Hof acht zich - ook zonder de door het OM gewenste nadere informatie - voldoende geïnformeerd om tot een (unaniem) advies te komen. Het Hof geeft daarbij gemotiveerd en onder aanvoering van plausibele redenen aan dat een nieuw slachtoffer-/impactonderzoek niet aan de orde kan zijn, alsmede dat de vergeldingsbehoefte van (nabestaanden van) de slachtoffers niet doorslaggevend kan zijn voor de afweging in het kader van gratiëring. De Staat heeft een en ander niet (voldoende onderbouwd) weerlegd met relevante feiten en/of omstandigheden.

4.8.

Op grond van het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de minister voor Rechtsbescherming in redelijkheid niet heeft kunnen besluiten om een nader advies van het OM te vragen zoals hiervoor onder 4.4 bedoeld en zal worden beslist dat binnen een termijn van uiterlijk twee maanden na het uitspreken van dit vonnis een voordracht (al dan niet positief) moet worden gedaan aan de Kroon ter zake van het Gratieverzoek. Die termijn acht de voorzieningenrechter redelijk, mede teneinde de Staat - in het voorkomende geval - in de gelegenheid te stellen met de Reclassering in overleg te treden over eventuele voorwaarden die moeten worden gesteld als de voordracht positief zou zijn.

4.9.

Aangenomen moet worden dat de Staat - zoals gebruikelijk - gevolg zal geven aan dit vonnis. Gelet hierop zal - vooralsnog - geen dwangsom worden opgelegd

4.10.

In de gegeven omstandigheden moet de Staat als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden aangemerkt. Gelet hierop zal de Staat worden veroordeeld in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals hieronder in het dictum vermeld. Voor een veroordeling van de Staat in de volledige proceskosten ziet de voorzieningenrechter reeds geen aanleiding nu de primaire vordering van [eiser] niet voor toewijzing in aanmerking komt. Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237).

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

gebiedt de Staat om ter zake van het Gratieverzoek binnen twee maanden na het uitspreken van dit vonnis een voordracht in te dienen bij het Kabinet van de Koning;

5.2.

veroordeelt de Staat in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van [eiser] begroot op € 1.140,--, waarvan € 980,-- aan salaris advocaat, € 79,-- aan griffierecht en € 81,-- aan dagvaardingskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na het uitspreken van dit vonnis;

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Groeneveld-Stubbe en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2018.

jvl