Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:15290

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-08-2018
Datum publicatie
25-01-2019
Zaaknummer
AWB - 17 _ 8178
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning vanwege medische behandeling. Het betoog dat de operationalisering van “medische noodsituatie” moet worden aangevuld met jeugd-psychiatrische indicatoren volgt de rechtbank niet. Voorts overweegt de rechtbank dat de lange termijngevolgen, bijvoorbeeld de ontwikkeling van een persoonlijkheidsstoornis, niet kunnen leiden tot het aannemen van een medische noodsituatie nu dit enkel ziet op gevolgen binnen de termijn van drie maanden. De rechtbank concludeert dat verweerder voldoende zorgvuldig informatie heeft ingewonnen en zich er voldoende van heeft vergewist dat het BMA-advies dat hij ten grondslag heeft gelegd aan het bestreden besluit inzichtelijk, consistent en concludent is. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/8178

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 augustus 2018 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. C. Mayne),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Smit).

Procesverloop

Bij besluit van 3 november 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wegens medische behandeling afgewezen.

Bij besluit van 13 april 2017 (het bestreden besluit; beslissing op bezwaar IV) heeft verweerder het bezwaar van eiser opnieuw ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2018.

Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De ouders van eiser zijn verschenen. Als tolk is verschenen A.M. Kurdyan. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2000 en heeft de Armeense nationaliteit. Eiser heeft op 15 maart 2010 een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wegens medische behandeling.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen. Verweerder heeft aan de afwijzing ten grondslag gelegd dat niet gebleken is dat eiser valt onder één van de categorieën vreemdelingen die op grond van artikel 17, eerste lid, onder a tot en met h, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) vrijgesteld kunnen worden van het vereiste van een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv). Daartoe overweegt verweerder dat uit het advies van het Bureau Medische Advisering (hierna: BMA) van 2 september 2010 volgt dat het voor eiser onder voorwaarden mogelijk is om te reizen. Ook bestaat er op grond van het BMA-advies geen aanleiding om op voorhand te concluderen dat eiser na aankomst in zijn land van herkomst niet aan een medische instelling of behandelaar overgedragen zal kunnen worden voor de continuering van de voor hem noodzakelijke medische behandeling.

3 Op 9 november 2010 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Bij besluit van 12 juni 2012 is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard (beslissing op bezwaar I). Op 9 december 2012 heeft verweerder het besluit van 12 juni 2012 ingetrokken en bij besluit van 12 augustus 2013 heeft verweerder het bezwaar van eiser opnieuw ongegrond verklaard (beslissing op bezwaar II). Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Bij uitspraak van 15 juni 2015 heeft de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, het beroep van eiser gegrond verklaard en het besluit van 12 augustus 2013 vernietigd. Het daartegen ingestelde hoger beroep is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) bij uitspraak van 25 februari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:579) gegrond verklaard. Daarbij heeft de Afdeling de uitspraak van zittingsplaats Haarlem van 15 juni 2015 vernietigd, het beroep van 13 augustus 2013 gegrond verklaard en de beschikking van 12 augustus 2013 (beslissing op bezwaar II) vernietigd. De Afdeling heeft in de uitspraak het volgende overwogen.

In de brief van Centrum ’45 van 24 juli 2014 vermelden de opstellers onder meer het volgende:

“De door BMA gehanteerde criteria voor een medisch-psychiatrische noodsituatie die worden toegepast bij volwassenen, zijn niet zonder meer toepasbaar bij kinderen. Psychiatrische problematiek uit zich bij jonge kinderen anders dan bij volwassenen; pas in de adolescentie gaat psychopathologie meer lijken op dat van volwassenen. De prevalentie van suïcide, suïcidaliteit, psychosen en (gedwongen) opnames is minder bij kinderen en geeft daarmee ten onrechte de suggestie dat er minder vaak sprake is van een medisch-psychiatrische noodsituatie. (…) Het BMA gaat met het toepassen van parameters die gelden voor volwassenen op kinderen, voorbij aan andere factoren die ernstige schade voor de psychische en lichamelijke ontwikkeling van kinderen voor zowel de korte als de lange termijn met zich mee brengen. Sterke, frequente en voortdurende tegenslag bij jonge kinderen, zonder adequate steun van de volwassene vormt een ernstig risico voor de directe ontwikkeling van de kinderen. Stress-reacties bij kinderen worden gebufferd binnen de hechtingsrelaties met volwassenen ( [X] en [Y] 2007). Het is bekend dat dit vermogen van ouders tot goed genoeg ouderschap ernstig onder druk komt te staan als zijzelf veel stress ervaren ( [A] en [B] 2006). Een medisch psychiatrische noodsituatie kunnen we daarom bij kinderen alleen inschatten in combinatie met het te verwachten vermogen van de ouders om probleemgedrag van hun kind te kunnen opvangen in stressvolle omstandigheden. (…) Het opstellen van passender parameters voor het aangeven van een psychiatrische noodsituatie voor kinderen is van groot belang, waarbij suïcidaliteit, psychose en opname uitgebreid zouden moeten worden met voor kinderen relevante criteria voor zowel de kortere als de langere termijn.”

[….]

De brief van Centrum ’45 van 24 juli bevat echter, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 juli 2015 in zaak nr. 201500065/1/V3; www.raadvanstate.nl), een gemotiveerd oordeel, met vermelding van de bronnen waarop dit oordeel is gebaseerd, over de bruikbaarheid van de beoordelingscriteria suïcidaliteit en psychose van het BMA ter vaststelling van een medisch-psychiatrische noodsituatie bij kinderen in de leeftijd van vreemdeling 1 [eiser; toevoeging rechtbank]. Dit geldt evenzeer voor het criterium gedwongen opname. De brief bevat aldus een medisch oordeel over de zorgvuldigheid van het door het BMA verrichte onderzoek en de inzichtelijkheid van de conclusie van de door het BMA uitgebrachte adviezen en nota’s. Gelet op de inhoud en motivering van voormelde brief van Centrum '45 mocht de staatssecretaris derhalve niet uitgaan van het advies van het BMA van 4 april 2013 en de nadien uitgebrachte nota's zonder deze brief ter nadere reactie aan het BMA voor te leggen.

4 Volgens artikel 17, eerste lid, aanhef en sub c, van de Vw 2000 wordt de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet geweigerd wegens het ontbreken van een machtiging tot voorlopig verblijf aan de vreemdeling voor wie het gelet op diens gezondheidstoestand niet verantwoord is om te reizen.

Artikel 3.71 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) bepaalt dat een aanvraag om een reguliere verblijfsvergunning wordt afgewezen als de vreemdeling niet over een geldige machtiging tot verblijf beschikt. Volgens het derde lid van dit artikel kan verweerder deze bepaling buiten toepassing laten, voor zover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (hierna: hardheidsclausule).

Volgens paragraaf B1/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 wordt van het mvv-vereiste vrijgesteld de vreemdeling van wie de terugkeer in verband met een medische noodsituatie zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Volgens paragraaf B8/9.1.3 wordt onder een medische noodsituatie verstaan: de situatie waarbij de vreemdeling lijdt aan een stoornis, waarvan op basis van de huidige medisch-wetenschappelijke inzichten vaststaat dat het achterwege blijven van behandeling binnen een termijn van drie maanden zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade.

Zoals de Afdeling in eerdergenoemde uitspraak van 25 februari 2016 ook heeft overwogen komt aan het begrip “medische noodsituatie op korte termijn” dezelfde betekenis toe als aan het begrip in paragraaf B8/9.1.3.

5. Verweerder heeft de brief van Centrum ’45 aan het BMA voorgelegd en nader advies gevraagd. Het BMA heeft daarop gereageerd bij advies van 23 juni 2016. Daarin heeft het vermeld dat eiser bekend is met een depressieve stoornis, een PTSS (met emotieregulatie problemen) gedeeltelijk in remissie, een oppositioneel opstandige gedragsstoornis, relatieproblemen en een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling. De klachten van betrokkene bestaan onder andere uit communicatie- en relatieproblemen, depressieve klachten en geremd uiten van emoties gepaard met angsten, spanningsklachten en toenemende impulsregulatieproblemen. Verder prikkelbaarheid, verhoogde waakzaamheid, overmatig piekeren en slaapklachten. Er is volgens de behandelaars een zorgelijke ontwikkeling van de persoonlijkheid, gekenmerkt door een gebrek aan vertrouwen in mensen en emotionele geslotenheid. Eiser gebruikt geen medicatie, hij staat wel onder medische behandeling.

Over mantelzorg wordt opgemerkt dat volgens de behandelaars voor de effectiviteit van de behandeling de steun van mantelzorg essentieel is. Eiser ervaart steun van school en van een weekendgastgezin. Bij eiser is sprake van een verstoorde ontwikkeling van de stressregulatie en daarmee van een verhoogde kwetsbaarheid voor toenemende stress; dit vormt een risico voor toename van psychische problemen. Bij staken van behandeling en/of wegvallen van mantelzorg en toename van nieuwe stressoren bestaat het risico op toename van psychische klachten, potentiële versterking van neiging tot suïcide en op langere termijn ernstige interferenties met zijn psychische ontwikkeling en vorming van een persoonlijkheidsstoornis. Ten aanzien van de medische noodsituatie op korte termijn, wordt overwogen dat bij eiser geen sprake is (geweest) van suïcidale gedragingen of gedrag dat wijst op een dreigende crisissituatie. Hij is nooit eerder opgenomen geweest en ook in het verleden hebben zich geen grotere crises voorgedaan. Het achterwege blijven van medische behandeling zal derhalve naar alle waarschijnlijkheid niet leiden tot een medische noodsituatie op de korte termijn. Verder heeft het BMA op 31 januari 2017 een nota uitgebracht, waarin wordt gereageerd op de brief van Centrum ’45 van 24 juli 2014. In deze nota geeft het BMA een toelichting over de wijze waarop de beoordeling van de medische noodsituatie op korte termijn plaatsvindt, waarbij aandacht wordt besteed aan de beoordeling van kinderen met psychische problemen.

6. Verweerder heeft op 7 februari 2017 een nieuw besluit genomen (beslissing op bezwaar III) dat bij fax van 13 februari 2017 is ingetrokken.

7. Aan het bestreden besluit van 13 april 2017 (beslissing op bezwaar IV) heeft verweerder ten grondslag gelegd het BMA advies van 23 juni 2016, een aanvullende nota van het BMA van 31 januari 2017 en eisers reactie daarop van 22 februari 2017.

Verweerder volgt het BMA advies van 24 januari 2016, aangevuld op 31 januari 2017, waarin staat dat het uitblijven van medische behandeling waarschijnlijk niet zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn. Verweerder heeft geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid en volledigheid van het medisch advies. Eiser wordt in staat geacht om, onder begeleiding van een volwassene, te reizen met gangbare vervoermiddelen. Eiser komt volgens verweerder dan ook niet in aanmerking voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Evenmin is verweerder gebleken dat eiser in aanmerking komt voor één van de overige vrijstellingen van het mvv-vereiste zoals neergelegd in artikel 17 van de Vw 2000 en artikel 3.71, tweede lid, van het Vb 2000. Verder ziet verweerder geen aanleiding om vanwege de medische omstandigheden van eiser de hardheidsclausule toe te passen.

8. Eiser stelt zich in beroep op het standpunt dat verweerder ten aanzien van het BMA-advies en de BMA-nota niet heeft voldaan aan zijn vergewisplicht. De conclusie van verweerder dat eiser niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 17, eerste lid, onder c, van de Vw 2000 en dat er geen aanleiding bestaat om gebruik te maken van de hardheidsclausule is daarom onvoldoende gemotiveerd. Ook sluit verweerder zich ten onrechte aan bij de opvatting van het BMA dat bij het achterwege blijven van medische behandeling naar alle waarschijnlijkheid geen medische noodsituatie op korte termijn zal optreden. Daartoe voert eiser aan dat bij de uitleg van het begrip medische noodsituatie ten onrechte geen onderscheid wordt gemaakt tussen kinderen en volwassenen. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst eiser naar de hierboven geciteerde uitspraak van de Afdeling en naar een artikel uit Medisch Contact van 9 december 2015 Psychische beoordeling asielzoekerskind deugt niet van E. Bloemen e.a.. In dat artikel pleiten de auteurs ervoor dat bij kinderen met psychische problemen verder en breder wordt gekeken vanwege het risico op ernstige beschadiging met levenslange gevolgen. Ze wijzen erop dat het vermogen van de ouders om het kind te steunen vaak tekortschiet omdat zijzelf veel stress ervaren. Sterke, frequente en voortdurende tegenslag bij jonge kinderen, zonder adequate steun van de volwassenen, vormt een ernstig risico voor de directe ontwikkeling. Chronische vroegkinderlijke stress leidt vaak tot veranderingen in de hersenstructuren waar de emotieregulatie plaatsvindt met levenslange negatieve consequenties. Voortdurende verhoogde stress bij kinderen die niet gereguleerd wordt, wordt toxische stress genoemd en leidt tot blijvende veranderingen in de hersenstructuren waar de emotieregulatie plaatsvindt met levenslange negatieve fysieke en psychische consequenties. Aldus het betoog van de auteurs.

Eiser geeft aan dat de omschrijving van medische noodsituatie in de Vreemdelingencirculaire voor zowel volwassenen als kinderen weliswaar bruikbaar is, maar dat het noodzakelijk is om de gebruikelijke volwassenen-criteria voor psychische problematiek bij kinderen en jongeren aan te vullen. Verweerder heeft van deze noodzaak geen blijk gegeven. Het blijft daarom volgens eiser onduidelijk op grond van welke indicatoren de BMA-arts bij kinderen vaststelt of een medische noodsituatie zal ontstaan. Eiser meent dat er kinder-indicatoren moeten worden ontwikkeld en toegepast, wil van zorgvuldige advisering en besluitvorming sprake zijn.

Daarnaast heeft eiser ter onderbouwing van zijn medische problematiek in beroep een brief van GGZ [GGZ] van 30 april 2018 overgelegd.

9. De rechtbank overweegt als volgt.

9.1

Eiser stelt in beroep dat het BMA bij de beantwoording van de vraag of het uitblijven van behandeling zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn gebruik heeft gemaakt van parameters die niet geschikt zijn in het geval van kinderen van eisers leeftijd. De rechtbank stelt vast dat eisers gronden zich niet richten tegen de omschrijving van medische noodsituatie in het beleid (Vc B8/9.1.3), maar tegen de operationalisering van medische noodsituatie in het Protocol BMA (laatstelijk vastgesteld april 2016), met name van ‘een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade’. De operationalisering schiet voor minderjarigen tekort.

9.2

Uit het Protocol BMA blijkt dat het in overleg met de geneeskundige beroepsgroep tot stand is gekomen. De operationalisering betreft een nadere uitleg voor de medisch adviseurs. Onder 3.3 in het Protocol BMA wordt de medische noodsituatie aldus geoperationaliseerd dat het achterwege blijven van de medische behandeling naar alle waarschijnlijkheid zal leiden tot betrokkenes overlijden, een (vrijwel) volledig verlies van ADL-zelfstandigheid (activiteiten dagelijks leven) of gedwongen opname in een psychiatrisch ziekenhuis vanwege de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Bopz). Het bestaan van een medische noodsituatie betreft een medische prognose. Deze kan door een medisch adviseur maar zelden met 100% zekerheid worden gemaakt.

Expliciet wordt in het Protocol BMA vermeld dat er geen onderscheid wordt gemaakt tussen kinderen en volwassenen. Dat bij de doelgroep kinderen onder de 12 jaar gedwongen opnames, suïcidepogingen en psychotisch klachten zelden voorkomen is een omstandigheid die dient te worden meegewogen bij de beoordeling van een medische noodsituatie op korte termijn.

10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht in het bestreden besluit opgenomen dat het BMA bij de beoordeling van medisch-psychiatrische noodsituatie niet alleen maar betrekt: suïcidaliteit, psychose en gedwongen opname. Het geheel aan beschreven klachten en symptomen behorend bij het ziektebeeld en het beloop gedurende de behandeling dienen door het BMA in zijn advies te worden betrokken. De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van eiser gedetailleerde informatie van de behandelaren is overgelegd en dat het BMA die heeft meegenomen in zijn advies. Ook de brief van Centrum ’45 van 24 juli 2014 heeft verweerder aan het BMA voorgelegd en het BMA heeft op de inhoud van de brief gereageerd. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat hiermee is voldaan aan de uitspraak van de Afdeling van 25 februari 2016. Daarbij merkt de rechtbank op dat de brief Uitleg GGZ behandelaren waarin het BMA aan behandelaren uitlegt welke informatie van hen wordt verlangd, zo is opgesteld dat deze aan behandelaren alle ruimte biedt om over de medische voorgeschiedenis van een jeugdige te rapporteren. Zo wordt niet alleen naar de klachten, de diagnose en de behandeling gevraagd maar ook naar het voorkomen van crisissituaties en de betekenis van mantelzorg. Het betoog dat de operationalisering van “medische noodsituatie” moet worden aangevuld met jeugd-psychiatrische indicatoren volgt de rechtbank dan ook niet. Daarbij acht zij ook het volgende van belang.

11. Bij het vaststellen van de medische noodsituatie gaat het om de vraag of binnen een termijn van drie maanden een crisissituatie optreedt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in navolging van het BMA er terecht op gewezen dat een aantal van de door eiser(s behandelaars) geschetste medische gevolgen van het uitblijven van behandeling lange termijngevolgen zijn, bijvoorbeeld ontwikkeling van een persoonlijkheidsstoornis. Deze kunnen echter niet leiden tot het aannemen van een medische noodsituatie nu deze enkel zien op gevolgen binnen een termijn van drie maanden.

In navolging van het BMA heeft verweerder de melding van een impulsdoorbraak bij eiser in 2016 onvoldoende kunnen achten om een medische noodsituatie aan te nemen.

Ook de brief van GGZ [GGZ] van 30 april 2018 kan niet tot een ander oordeel leiden nu uit deze brief geen andere informatie blijkt dan dat reeds is betrokken in de BMA-adviezen.

12. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder voldoende zorgvuldig informatie heeft ingewonnen en zich er voldoende van heeft vergewist dat het BMA-advies dat hij ten grondslag heeft gelegd aan het bestreden besluit inzichtelijk, consistent en concludent is. Verweerder heeft zich op basis van het BMA-advies dan ook op het standpunt mogen stellen dat het achterwege blijven van medische behandeling naar alle waarschijnlijkheid niet zal leiden tot een medische noodsituatie. Het betoog dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat eiser niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 17, eerste lid, onder c, van de Vw 2000 en dat er geen aanleiding bestaat om gebruik te maken van de hardheidsclausule, kan gelet op het vorenstaande niet slagen.

13. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van

mr. E.F. Binnendijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

8 augustus 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.