Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:15214

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-08-2018
Datum publicatie
01-02-2019
Zaaknummer
AWB - 17 _ 6788
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

“Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat openbaarmaking van de Caloc-rapportages verweerder onevenredig zou kunnen benadelen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het onderzoek van de calamiteitencommissie er op is gericht antwoord te krijgen op de vraag of de overleden gedetineerde de juiste zorg heeft gekregen. Openbaarmaking van de Caloc-rapportages zal naar het oordeel van de rechtbank afbreuk doen aan het doel waarvoor de calamiteitencommissie in het leven is geroepen en daarmee aan de kwaliteit van toekomstige calamiteitenonderzoeken en de mogelijkheid om op basis daarvan te kunnen komen tot verbetering van de zorg. Het is aannemelijk dat openbaarmaking van de Caloc-rapportages ertoe leidt dat medewerkers minder bereidwillig zullen zijn om mee te werken aan een calamiteitenonderzoek als zij er rekening mee moeten houden dat hun verklaringen in de openbaarheid worden gebracht. Medewerkers zullen hierdoor waarschijnlijk terughoudender zijn in het verstrekken van informatie met als gevolg dat er zodoende minder informatie naar voren komt om aanbevelingen te kunnen doen ter verbetering van de kwaliteit van de zorg in de penitentiaire inrichting. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank daarom in redelijkheid aan het belang van het voorkomen van onevenredige benadeling van de DJI meer gewicht kunnen toekennen dan het belang van openbaarmaking van de Caloc-rapportages.

Openbaarmaking van de plannen van aanpak heeft verweerder in redelijkheid kunnen weigeren omdat deze nauw samenhangen met de Caloc-rapportages en aansluiten op de aanbevelingen die de Caloc richting de PI heeft gedaan. Dit geldt ook voor gedeelten van de brieven aan en van de IGJ.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/6788

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 augustus 2018 in de zaak tussen

[eisers 1] en [eisers 2] , te [plaats ] , eisers

(gemachtigde: mr. R.A. Korver),

en

de minister van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. F. Boone).

Procesverloop

Bij besluit van 6 maart 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eisers op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) gedeeltelijk afgewezen.

Bij besluit van 22 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 20 december 2017 hebben eisers toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2018.

Namens eisers is [eisers 1] verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1.

Bij brief van 4 oktober 2016 hebben eisers, nabestaanden van de heer [X] , die op 7 juni 2015 om het leven is gekomen in de Penitentiaire Inrichting (P.I.) te [plaats ] , dan wel kort daarna in het ziekenhuis, een verzoek ingediend op grond van de Wob. Eisers hebben verzocht om openbaarmaking van alle documentatie omtrent alle sterfgevallen in de Penitentiaire Inrichting te [plaats ] over de periode 2010 tot en met heden die in het bezit is van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, de Inspectie van Veiligheid en Justitie en de Dienst Justitiële Inrichtingen (de DJI).

1.2.

Bij het primaire besluit heeft verweerder het verzoek van eisers gedeeltelijk afgewezen. Daarbij heeft verweerder meegedeeld dat zich in de betreffende periode in de P.I. [plaats ] drie sterfgevallen van gedetineerden hebben voorgedaan. Daarnaast is een voormalige gedetineerde van de P.I. tien dagen na afloop van zijn detentie overleden, nadat hij tijdens zijn detentie in zijn cel was gevallen.

Voorts heeft verweerder meegedeeld dat hij naar aanleiding van het verzoek van eisers beschikt over ruim twintig (22) documenten met betrekking tot die sterfgevallen, te weten:

Sterfgeval 15 november 2014

  1. Melding bijzonder voorval (hierna: MBV) van 17 november 2014;

  2. Piketmelding van 17 november 2014;

  3. Calamiteitenrapportage;

  4. Plan van aanpak naar aanleiding van de aanbevelingen van de Caloc overlijden van 23 februari 2015;

  5. Brief van de Inspectie voor de Gezondheidszorg van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: IGZ) aan de P.I. van 15 oktober 2015 ‘bezoek 29 juni 2015’.

Sterfgeval 17 december 2014

6. MBV van 18 december 2014;

7. Piketmelding van 18 december 2014;

8. Calamiteitenrapportage van 24 maart 2015;

9. Plan van Aanpak naar aanleiding van de aanbevelingen van de Caloc van 10 april 2015.

Sterfgeval 25 mei 2015

10. MBV van 13 mei 2015;

10. Piketmelding van 26 mei 2015;

10. Calamiteitenrapportage van 22 september 2015;

10. Plan van Aanpak naar aanleiding van de aanbevelingen van de Caloc van

16 oktober 2015;

14. Brief IGZ aan P.I. van 7 augustus 2015 ‘Melding overlijden’;

14. Brief IGZ aan P.I. van 12 april 2016 ‘opvragen aanvullende info’;

14. Brief P.I. aan IGZ van 29 juni 2016 ‘reactie op aanvullende informatie’ incl. plan van aanpak en brief IGZ aan P.I. van 8 juni 2016;

14. Brief IGZ aan P.I. van 11 augustus 2016 ‘(...) oordeel en besluit inspectie’.

Sterfgeval 8 juni 2015

18. MBV van 8 juni 2015;

18. Piketmelding van 8 juni 2015;

18. Aanvullende piketmelding van 14 juni 2015;

18. Calamiteitenrapportage van 8 september 2015;

18. Plan van Aanpak naar aanleiding van de aanbevelingen van de Caloc van

12 oktober 2015.

De aangetroffen documenten heeft verweerder vermeld in een bij het primaire besluit gevoegde inventarislijst. In document 5 heeft verweerder de informatie verwijderd die niet valt onder de reikwijdte van het verzoek.

Verweerder heeft openbaarmaking van een deel van de MBV’s en piketmeldingen (documenten 1, 2, 6, 7, 10, 11, 18, 19 en 20) gedeeltelijk geweigerd op grond van artikel 10, eerste lid, onder d, van de Wob en artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob. De passages die zijn geweigerd op grond van deze artikelen heeft verweerder in de openbaar gemaakte documenten en op de inventarislijst aangeduid met ‘10.1d, 10.2e’. Van een deel van de brieven van en naar de IGZ (documenten 5 en 15 tot en met 17) heeft verweerder openbaarmaking gedeeltelijk geweigerd op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d, e en g, van de Wob en artikel 11, eerste lid, van de Wob. Deze passages heeft verweerder in de openbaar gemaakte documenten en op de inventarislijst aangeduid met ‘10.2d/e/g en 11.1’. De brief van de IGZ aan de P.I. van 7 augustus 2015 (document 14) heeft verweerder gedeeltelijk geweigerd op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob. Deze passages heeft verweerder aangeduid met ‘10.2e’.

De rapportages van de calamiteitenonderzoekscommissie van de Dienst Justitiële inrichtingen (hierna: Caloc-rapportages) en de plannen van aanpak (documenten 3, 4, 8, 9, 12, 13, 21 en 22) heeft verweerder in hun geheel niet openbaar gemaakt. De Caloc-rapportages heeft verweerder geweigerd op grond van artikel 10, eerste lid, onder d, van de Wob, artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d, e en g, van de Wob en artikel 11, eerste lid, van de Wob. De plannen van aanpak heeft verweerder geweigerd op grond van 10, eerste lid, onder d, van de Wob, artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d en g, van de Wob en artikel 11, eerste lid, van de Wob.

Twee van de aangetroffen MBV’s zijn bij een Wob-besluit van 4 maart 2016 al gedeeltelijk openbaar gemaakt en zijn te vinden op Rijksoverheid.nl. Verweerder heeft deze MBV’s voor de volledigheid bij dit primaire besluit nogmaals gedeeltelijk verstrekt.

1.3.

Verweerder heeft de gedeeltelijke afwijzing van het verzoek bij het bestreden besluit gehandhaafd. In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat eisers terecht hebben aangevoerd dat artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wob geen grondslag biedt voor de weigering van informatie van overleden personen. Omdat op grond van deze weigeringsgrond informatie is weggelakt die betrekking heeft op (4) overleden personen, is deze weigeringsgrond ten onrechte toegepast. Omdat deze weigeringsgrond echter steeds is gebruikt in combinatie met de weigeringsgrond genoemd in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob, te weten het belang dat is gediend met de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, blijft die weigeringsgrond onverkort van toepassing. Verweerder heeft daarom geen aanleiding gezien om de weggelakte informatie alsnog openbaar te maken.

Voorts heeft verweerder in het bestreden besluit nader toegelicht dat de brief van de IGZ van 15 oktober 2015 (document 5) betrekking heeft op een bezoek van de IGZ en de Inspectie Veiligheid en Justitie (IV&J) aan de P.I. [plaats ] naar aanleiding van een aantal meldingen. Twee tekstblokken op bladzijde 4 zijn onleesbaar gemaakt omdat die niet zien op de bestuurlijke aangelegenheid waarvoor het Wob-verzoek is gedaan. Het eerste tekstblok heeft betrekking op een gedetineerde die niet is overleden en het tweede tekstblok heeft betrekking op de farmaceutische zorg in het algemeen.

2 Eisers hebben kort samengevat in beroep het volgende naar voren gebracht.

Eisers bestrijden in beroep dat voldoende is gemotiveerd waarom de gedeeltes tekst in de brief van de IGZ van 15 oktober 2015 buiten de reikwijdte van het verzoek vallen. Voorts betwisten eisers verweerders stelling dat de gegevens op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob (het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer) kunnen worden geweigerd. Het beroep van verweerder op ‘strafrechtelijke en medische gegevens’ die onder het beroepsgeheim zouden vallen, gaat volgens eisers niet op, omdat dit geen uitzonderingsgrond is waarvan op grond van de Wob openbaarmaking kan worden geweigerd.

Het is volgens eisers in het publieke belang, en het belang van nabestaanden, dat bekend wordt wat er gebeurd in is de P.I. en of er sprake is geweest van misstanden. Wanneer zoveel mogelijk gegevens, mede op basis van deze uitzonderingsgrond, worden weggelakt, leidt dat ertoe dat die informatie niet meer valt te destilleren uit de niet of gedeeltelijk openbaar gemaakte documenten. Het publieke belang dient volgens eisers zwaarder te wegen dan de door de verweerder aangehaalde belangen.

Eisers verwijzen naar de uitspraak van de Rechtbank Dordrecht van 4 december 2007, ECLI:NL:RBDOR:2007:BB9778 waarin is geoordeeld dat gegevens van een overledene kunnen worden verstrekt indien mag worden verondersteld dat de betrokken patiënt bij leven daartegen geen bezwaar zou hebben gehad

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 21 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1665 stellen eisers dat per type document moet worden overwogen of het gerechtvaardigd is dat de namen daarin weggelakt zijn, zo ook in dit geval. Het uitgangspunt in de rechtspraak is immers dat de persoonlijke levenssfeer niet in het geding is bij beroepshalve functioneren, en in ieder geval per concreet geval moet worden bekeken of de openbaarmaking van de naam ertoe kan leiden dat zijn of haar persoonlijke levenssfeer in het geding zal komen en zo ja, of aan die omstandigheid zodanig gewicht moet worden toegekend dat het belang van openbaarmaking daarvoor moet wijken.

Eisers stellen zich voorts op het standpunt dat verweerders beroep op de uitzonderingsgrond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wob (het belang van de inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen) onvoldoende onderbouwd is. Eisers stellen primair dat de verzochte documenten alsnog openbaar dienen te worden gemaakt en subsidiair verzoeken eisers de rechtbank te bepalen dat verweerder de documenten ontdaan van alle methodische en technische informatie openbaar dient te maken.

Eisers voeren aan dat de uitzonderingsgrond voorkomen van onevenredige (bevoordeling of) benadeling (artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob) niet kan worden gebruikt om openbaarmaking te weigeren van een door de overheid uitgebracht rapport (bijzondere omstandigheden daargelaten), al helemaal niet indien sprake is van onderzoek naar vermeend disfunctioneren bij justitieel optreden van de overheid en dat deze bepaling er niet toe mag leiden dat overheidsorganen gegevens zouden mogen achterhouden omdat publicatie daarvan mogelijk een ongunstig licht zou werpen op het door hen gevoerde beleid of de kans op aanvaarding van het door hen voorgenomen beleid zou verkleinen.

Eisers achten het aannemelijk dat de frases “Een belangrijke bevinding bij het onderzoek naar de” (pagina 2 van document 3) en “Een aantal punten verdient nog nadere

aandacht:” (pagina 3 van document 3) juist op conclusies van het onderzoek duiden. Dit zijn geen aantekeningen van een ambtenaar in een interne nota, het betreft een brief van de senior inspecteur van de IGZ aan de directie van de P.I.. Hetzelfde geldt voor de documenten 15, 16, 17 en 23. Verweerders stelling dat hier sprake is van persoonlijke beleidsopvattingen kan volgens eisers geen stand houden.

Ten slotte voeren eisers aan dat zij het bezwaarlijk achten dat op basis van de genoemde uitzonderingsgronden een groot gedeelte van de informatie wordt zwartgemaakt of zelfs helemaal niet openbaar wordt gemaakt, terwijl niet inzichtelijk wordt gemaakt waarom openbaarmaking van deze specifieke informatie op basis van die specifieke uitzonderingsgrond zou moeten worden geweigerd. Eisers stellen dat het uit artikel 10 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (het EVRM) voortvloeiende noodzakelijkheidsvereiste inhoudt dat het weigeren van toegang tot overheidsinformatie alleen legitiem is indien zwaarwegende belangen in het geding zijn. Zij stellen dat daarvan in dit geval geen sprake is.

Wettelijk kader

3.1.

Op grond van artikel 1 van de Wob wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder:

(…)

c. intern beraad: het beraad over een bestuurlijke aangelegenheid binnen een bestuursorgaan, dan wel binnen een kring van bestuursorganen in het kader van de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor een bestuurlijke aangelegenheid;

(…)

f. persoonlijke beleidsopvatting: een opvatting, voorstel, aanbeveling of conclusie van een of meer personen over een bestuurlijke aangelegenheid en de daartoe door hen aangevoerde argumenten.

3.2.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge het tweede lid vermeldt de verzoeker bij zijn verzoek de bestuurlijke aangelegenheid of het daarop betrekking hebbend document, waarover hij informatie wenst te ontvangen.

Ingevolge het vijfde lid wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

3.3.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wob blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft achterwege voor zover dit persoonsgegevens betreft als bedoeld in paragraaf 2 van hoofdstuk 2 van de Wet bescherming persoonsgegevens, tenzij de verstrekking kennelijk geen inbreuk op de persoonlijke levenssfeer maakt.

3.4.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege, voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

(…)

d. inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen;

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

(…)

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

3.5.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wob, wordt in geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen.

Ingevolge het tweede lid kan over persoonlijke beleidsopvattingen met het oog op een goede en democratische bestuursvoering informatie worden verstrekt in niet tot personen herleidbare vorm. Indien degene die deze opvattingen heeft geuit of zich erachter heeft gesteld, daarmee heeft ingestemd, kan de informatie in tot personen herleidbare vorm worden verstrekt.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis genomen van de door verweerder vertrouwelijk overgelegde documenten.

Weigering openbaarmaking vanwege reikwijdte verzoek

4.2.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 11 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX1100, overweegt de rechtbank dat de reikwijdte van een Wob-verzoek wordt bepaald door de inhoud van het verzoek zelf.

4.3.

Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat de om die reden weggelakte passages buiten de reikwijdte van het verzoek vallen. Eisers hebben, zoals onder 1.1. is weergeven, verweerder verzocht om openbaarmaking van alle documentatie omtrent alle sterfgevallen in de Penitentiaire Inrichting te [plaats ] over de periode 2010 tot en met heden. De rechtbank kan bevestigen dat de weggelakte informatie in de brief van 15 oktober 2015 (document 5) niet ziet op de informatie waarvan eisers om openbaarmaking hebben verzocht. Zoals verweerder in het bestreden besluit heeft overwogen en ook in zijn verweerschrift nader heeft toegelicht heeft de weggelakte informatie betrekking op een gedetineerde die niet is overleden en op farmaceutische zorg / medicatiebeleid. Dat eisers dit niet kunnen plaatsen in de context van de brief, doet daar niet aan af. Verweerder heeft dan ook terecht geweigerd deze informatie openbaar te maken.

Caloc-rapportages

4.4.

Niet bestreden is dat van een sterfgeval in detentie melding wordt gedaan bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) (voorheen: IGZ) en de Inspectie Justitie en Veiligheid (IJ&V)(voorheen: IV&J) en vervolgens een calamiteitencommissie wordt ingesteld die onderzoek doet naar de relatie tussen het overlijden en de aan de gedetineerde verleende zorg. Een dergelijk onderzoek is gericht op het zoeken naar vermijdbare handelingen binnen de zorgprocessen in een penitentiaire inrichting. Daartoe houdt de calamiteitencommissie interviews met diverse medewerkers van de inrichting die direct of indirect bij de calamiteit betrokken zijn geweest. Van het onderzoek wordt een rapportage opgemaakt, waarin de bevindingen van het onderzoek worden vastgelegd, conclusies worden getrokken en aanbevelingen of verbetervoorstellen ten aanzien van het zorgproces worden gedaan om herhaling in de toekomst te voorkomen. Naar aanleiding van het rapport van de calamiteitencommissie stelt de penitentiaire inrichting een plan van aanpak met verbetervoorstellen op dat ook naar de IGJ wordt gestuurd.

4.5.

Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat openbaarmaking van de Caloc-rapportages verweerder onevenredig zou kunnen benadelen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het onderzoek van de calamiteitencommissie er op is gericht antwoord te krijgen op de vraag of de overleden gedetineerde de juiste zorg heeft gekregen. De calamiteitencommissie kan alleen dan goed functioneren als de medewerkers die direct of indirect betrokken zijn geweest bij het overlijden van een gedetineerde vrijuit kunnen spreken over de gang van zaken rond het overlijden en zich daarbij vrij voelen kritisch te zijn over het interne functioneren van de penitentiaire inrichting en hun collega’s. Zij moeten er daarbij vanuit kunnen gaan dat hun verklaringen vertrouwelijk zijn en dat zij later niet op enige wijze met hun verklaringen worden geconfronteerd. Openbaarmaking van de Caloc-rapportages zal naar het oordeel van de rechtbank afbreuk doen aan het doel waarvoor de calamiteitencommissie in het leven is geroepen en daarmee aan de kwaliteit van toekomstige calamiteitenonderzoeken en de mogelijkheid om op basis daarvan te kunnen komen tot verbetering van de zorg. Het is aannemelijk dat openbaarmaking van de Caloc-rapportages ertoe leidt dat medewerkers minder bereidwillig zullen zijn om mee te werken aan een calamiteitenonderzoek als zij er rekening mee moeten houden dat hun verklaringen in de openbaarheid worden gebracht. Medewerkers zullen hierdoor waarschijnlijk terughoudender zijn in het verstrekken van informatie met als gevolg dat er zodoende minder informatie naar voren komt om aanbevelingen te kunnen doen ter verbetering van de kwaliteit van de zorg in de penitentiaire inrichting. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank daarom in redelijkheid aan het belang van het voorkomen van onevenredige benadeling van de DJI meer gewicht kunnen toekennen dan het belang van openbaarmaking van de Caloc-rapportages.

Plannen van aanpak

4.6.

De rechtbank stelt vast dat de plannen van aanpak nauw samenhangen met de Caloc-rapportages en aansluiten op de aanbevelingen die de Caloc richting de penitentiaire inrichtingen heeft gedaan. Openbaarmaking van de plannen van aanpak zou betekenen dat alsnog inzicht wordt gegeven in de aanbevelingen van de Caloc waardoor het proces om te komen tot verbetering van de kwaliteit van de zorg alsnog wordt ondermijnd.

Verweerder heeft om die reden openbaarmaking op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob in redelijkheid kunnen weigeren.

Brieven aan en van de IGJ

4.7.

Dit geldt evenzeer voor gedeelten van de brieven aan en van de IGJ. In de onleesbaar gemaakte gedeelten van de brieven wordt gesproken over de verbetermaatregelen die de Penitentiaire Inrichtingen naar aanleiding van de bevindingen en aanbevelingen van de Caloc hebben genomen, alsmede bevindingen en aandachtspunten van de Caloc.

Openbaarmaking van deze gegevens zou afbreuk doen aan het kwaliteitsbeleid van de penitentiaire inrichtingen.

Bescherming persoonlijke levenssfeer

4.8.

Verweerder heeft in de voornoemde documenten persoonsgegevens waaronder bijzondere persoonsgegevens, zoals medische en justitiële gegevens van de overleden gedetineerden onleesbaar gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang dat is gediend met de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de overledenen en de nabestaanden zwaarder weegt dan het belang van openbaarmaking.

4.9.

Hierbij acht de rechtbank van belang dat het hier om zeer persoonlijke en gevoelige informatie gaat. Zoals verweerder in zijn verweerschrift terecht heeft opgemerkt vallen bijzondere persoonsgegevens, zoals medische en strafrechtelijke gegevens, bij een persoon die nog in leven zijn niet voor niets onder de absolute weigeringsgrond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wob. Verweerder heeft extra gewicht mogen toekennen aan het feit dat het hier juist gaat om bijzondere persoonsgegevens.

4.10.

Voorts overweegt de rechtbank dat verweerder in redelijkheid ook heeft kunnen weigeren dossiernummers openbaar te maken, omdat aan de hand van dossiernummers de identiteit van de overleden gedetineerden kan worden achterhaald. De omstandigheid dat de kans dat een dergelijk scenario zich voordoet niet groot is, omdat het niet aannemelijk is dat op basis van slechts een dossiernummer informatie aan derden wordt verstrekt, maakt dat niet anders.

4.11.

Verweerder heeft met toepassing van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob ook geweigerd namen van medewerkers en contactgegevens openbaar te maken, voor zover het gaat om personen die geen publieke functie vervullen. Onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 3 februari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL1844) zijn de namen van ambtenaren persoonsgegevens en kan het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zich tegen openbaarmaking daarvan verzetten. Daarbij is van belang dat het hier niet gaat om het opgeven van een naam aan een individuele burger die met een ambtenaar in contact treedt, maar om openbaarmaking in de zin van de Wob. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat de ambtenaren waarvan de namen zijn weggelaten geen publieke functie vervullen. Zij zijn geen woordvoerder. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:321, kan in dat geval desalniettemin grond bestaan om de namen openbaar te maken indien de indiener van het Wob-verzoek aannemelijk maakt dat het belang van de openbaarheid in een concreet geval zwaarder weegt. De rechtbank is van oordeel dat eiser dat in dit geval niet aannemelijk heeft gemaakt, omdat hij slechts in algemene zin heeft gesteld dat het belang van openbaarheid zwaarder dient te wegen. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom het belang van openbaarmaking van de informatie die ziet op persoonsgegevens van ambtenaren, dan wel de tot hen te herleiden informatie, niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken ambtenaren.

4.12.

De rechtbank komt tot de slotsom dat verweerder reeds op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e en g, van de Wob in redelijkheid heeft kunnen weigeren de documenten volledig openbaar te maken. De rechtbank komt daarom niet toe aan de beantwoording van de vraag of verweerder openbaarmaking van (delen van) deze documenten ook op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d, en artikel 11, eerste lid, van de Wob heeft kunnen weigeren.

Noodzakelijkheidsvereiste

4.13.

Artikel 10 van het EVRM luidt:

"1. Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Dit artikel belet Staten niet radio- omroep-, bioscoop- of televisieondernemingen te onderwerpen aan een systeem van vergunningen.

2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen."

4.14.

De rechtbank overweegt dat artikel 10 van het EVRM niet vereist dat alle informatie wordt verstrekt of openbaar wordt gemaakt. Met de bepalingen betreffende de weigeringsgronden in de Wob is inmenging in het in artikel 10, eerste lid, van het EVRM gewaarborgde recht om inlichtingen te ontvangen bij wet voorzien. De weigeringsgronden van de Wob strekken ter bescherming van een of meer van de belangen genoemd in artikel 10, tweede lid, van het EVRM. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers niet onderbouwd dat in het onderhavige geval niet aan dit uitgangspunt is voldaan. Het enkele feit dat, naar eisers stellen, het maatschappelijke belang bij openbaarmaking groot is, is daarvoor onvoldoende nu dat reeds voldoende plaats heeft gekregen in de artikelen 10 en 11 van de Wob en de belangenafweging die met toepassing van deze artikelen heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft daarom niet in strijd met het uit artikel 10 van het EVRM voortvloeiende noodzakelijkheidsvereiste gehandeld door de documenten niet volledig openbaar te maken.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, voorzitter, en mr. J.M. Ghrib en mr. A.G.J. van Ouwerkerk, leden, in aanwezigheid van Y.E. de Loos, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.