Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:15186

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-11-2018
Datum publicatie
25-01-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 3656
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag verblijfsvergunning ‘uitoefenen familieleven met minderjarige dochter’. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet ten onrechte geconcludeerd dat de weigering eiseres vrij te stellen van het mvv-vereiste niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. De rechtbank volgt eiseres evenmin in haar betoog dat het bestreden besluit in strijd is met het bepaalde in het IVRK. Verder heeft verweerder in redelijkheid kunnen afzien van het horen in bezwaar. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/3656

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 november 2018 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A.G. Kleijweg),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: M.P. de Boo).

Procesverloop

Bij besluit van 27 maart 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om verlening van een verblijfsvergunning in het kader van ‘uitoefenen familieleven met minderjarige dochter [minderjarige dochter] op grond van artikel 8 EVRM’, afgewezen.

Bij besluit van 3 mei 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit op 16 mei 2018 beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiseres beoogt verblijf bij haar minderjarige dochter [minderjarige dochter]. De dochter van eiseres is in het bezit van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder de beperking ‘niet tijdelijke humanitaire gronden’.

2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat eiseres niet in het bezit is van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv). Verweerder heeft geen aanleiding gezien om eiseres vrij te stellen van het mvv-vereiste op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Hiertoe acht verweerder van belang dat eiseres niet heeft aangetoond dat er objectieve belemmeringen bestaan het gezinsleven met haar dochter in Kenia uit te oefenen en dat ook niet is aangetoond dat er tussen de dochter van eiseres en haar in Nederland verblijvende biologische vader sprake is van een zodanige invulling van gezinsleven dat deze niet op afstand kan worden uitgeoefend. Daarbij heeft verweerder betrokken dat eiseres niet heeft aangetoond dat de vader van haar dochter ook feitelijk omgang heeft met haar dochter. Verweerder acht het besluit verder evenmin in strijd met het recht op privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM.

3. Eiseres heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd waarom eiseres niet is vrijgesteld voor het mvv-vereiste op grond van artikel 8 van het EVRM. Haar dochter is in Nederland geboren en getogen en zij is dus geworteld in de Nederlandse samenleving. Zo gaat de dochter van eiseres in Nederland naar school en naar de kerk en spreekt zij de Nederlandse taal. Verweerder dient de dochter van eiseres verder in de gelegenheid te stellen de band met haar vader te ontwikkelen. Eiseres acht het besluit gezien het vorenstaande tevens in strijd met artikel 3 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (hierna: IVRK). Tot slot stelt eiseres dat zij ten onrechte niet in bezwaar is gehoord.

4. Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), in samenhang met artikel 3.71, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000), wordt de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waar de aanvraag op ziet. Op grond van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, van het Vb 2000 wordt een vreemdeling van wie uitzetting in strijd met artikel 8 van het EVRM zou zijn, vrijgesteld van het mvv-vereiste.

5. Op grond van artikel 8, eerste lid, van het EVRM, voor zover hier van belang, heeft een ieder recht op respect voor zijn familie-, gezins- en privéleven. Op grond van het tweede lid is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economische welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Bij de beoordeling of uit het recht op respect voor het gezinsleven een verblijfsrecht voortvloeit dient een ‘fair balance’ gevonden te worden tussen enerzijds de belangen van het betrokken individu en anderzijds het algemeen belang van de betrokken lidstaat. Bij deze afweging komt de lidstaat een zekere beoordelingsruimte toe. De rechter dient te toetsen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, indien dit het geval is, of verweerder zich, gelet op de ‘fair balance’ tussen de hieronder weergegeven belangen, niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het recht van de vreemdeling op respect voor het familie- en gezinsleven niet leidt tot de verplichting om verblijf toe te staan. Deze maatstaf impliceert dat de toetsing door de rechter enigszins terughoudend dient te zijn.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet ten onrechte geconcludeerd dat de weigering eiseres vrij te stellen van het mvv-vereiste niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Daarbij heeft verweerder van belang kunnen achten dat niet is gebleken van objectieve belemmeringen voor eiseres en haar dochter om hun gezinsleven in Kenia uit te oefenen en dat eiseres niet heeft aangetoond op welke wijze haar dochter in Nederland feitelijk invulling geeft aan het gestelde gezinsleven met haar biologische vader. Verweerder heeft dan ook kunnen overwegen dat niet is aangetoond dat de mate van uitoefening van gezinsleven door de dochter van eiseres met haar biologische vader zodanig is dat deze niet op afstand kan worden uitgeoefend. In het feit dat de dochter van eiseres in Nederland is geboren en getogen heeft verweerder evenmin aanleiding hoeven zien eiseres vrij te stellen van het mvv-vereiste. Daarbij heeft verweerder van belang kunnen achten dat de dochter van eiseres nog erg jong is en dat van haar verwacht mag worden dat zij zich met hulp en ondersteuning van eiseres en andere familieleden in Kenia weet aan te passen. Daarbij heeft verweerder mogen betrekken dat eiseres en haar dochter de Keniaanse nationaliteit hebben, dat eiseres de Keniaanse taal beheerst en dat de moeder en de zus van eiseres ook in Kenia wonen. Verweerder heeft voorts niet ten onrechte in zijn belangenafweging betrokken dat, anders dan de normale opgedane banden bij langdurig verblijf in een land, niet is gebleken van een bijzondere band van de dochter van eiseres met Nederland.

7. De rechtbank volgt eiseres evenmin in haar betoog dat het bestreden besluit in strijd is met het bepaalde in het IVRK. Daartoe overweegt de rechtbank dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (onder meer de uitspraak van 7 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV3716) volgt dat artikel 3 van het IVRK rechtstreekse werking heeft, in zoverre dat het artikel ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat het eerste lid van artikel 3 van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel dient door de bestuursrechter in dit verband te worden getoetst of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval sprake.

De beroepsgrond slaagt dan ook niet.

8. Met betrekking tot de stelling van eiseres dat de hoorplicht is geschonden overweegt de rechtbank als volgt. Volgens vaste rechtspraak vormt het horen een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftprocedure en kan daarvan slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht worden afgezien indien er, naar objectieve maatstaven bezien, op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op wat door eiseres in bezwaar is aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat deze situatie zich hier voordoet. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid kunnen afzien van het horen in bezwaar. De beroepsgrond slaagt niet.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, rechter, in aanwezigheid van mr. E.F. Binnendijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 november 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.