Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:15123

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-10-2018
Datum publicatie
18-01-2019
Zaaknummer
NL18.15448
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser als journalist werkzaam was, dat hij behoort tot de politieke beweging Fatah en dat hij werkzaamheden heeft verricht voor de maatschappelijke commissie van Fatah. Nu het asielrelaas van eiser past binnen de door eiser overgelegde informatie over Gaza is de rechtbank van oordeel dat verweerder door enkel te overwegen dat de overgelegde informatie niet specifiek op eiser ziet het besluit op dit punt onvoldoende heeft gemotiveerd. Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder de aanvraag ten onrechte heeft afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw 2000. Het beroep is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.15448


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. K. Yousef),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: B. Pattiata).


Procesverloop
Bij besluit van 15 augustus 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen L. Makaddam. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1989, is afkomstig uit de Gazastrook en is van Palestijnse afkomst. Aan zijn asielaanvraag heeft hij ten grondslag gelegd dat hij met de dood werd bedreigd omdat hij getuige was van een beschieting. Hierover heeft eiser verklaard dat hij op 7 september 2013 getuige is geweest van een schietpartij waarbij [X] , beter bekend als [X] , twee personen heeft beschoten. [X] is de leider van één van de brigades van Al Qassam, de militaire tak van Hamas. Eiser is na de schietpartij op verschillende manieren onder druk gezet om tijdens de strafzaak te getuigen dat [X] niet de dader van de schietpartij was. Zo is eiser meerdere malen bedreigd en heeft hij vanwege de bedreigingen gedwongen ontslag moeten nemen bij zijn werk. Ook is eiser door de Al Qassam brigade ontvoerd en heeft hij twee maanden gedetineerd gezeten. Vervolgens is eiser weer vrijgelaten op voorwaarde dat hij bij de rechtbank voor [X] zou getuigen. Eind maart 2016 vond de zitting bij de rechtbank plaats. Eiser heeft toen als getuige verklaard dat [X] de dader van de schietpartij was. Daarna is eiser ondergedoken en heeft hij de Gazastrook verlaten.

2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;

 eiser heeft verklaard dat hij [eiser] heet;

 eiser is geboren op [geboortedatum] 1989;

 hij is afkomstig uit de Gaza en is een staatloze Palestijn.

2. Eiser verklaart dat hij vanwege zijn werkzaamheden voor Fatah met de dood is bedreigd.

3. Eiser heeft verklaard dat hij eind 2014 een demonstratie filmde en dat hij, net zoals andere journalisten, werd geslagen en mishandeld.

4. Eiser stelt problemen te hebben ondervonden met een leidinggevende van de Al Qassam brigade, genaamd [X] (ook wel bekend als [X] ). Eiser moest namelijk getuigen over het schietincident van 7 september 2013. Betrokkene stelt daardoor bedreigd, ontvoerd en mishandeld te zijn.

3. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw 2000. Verweerder heeft het eerste, tweede en derde relevante element geloofwaardig geacht. Verweerder heeft de verklaringen van eiser over het schietincident op 7 september 2013 en de gestelde problemen naar aanleiding hiervan echter niet geloofwaardig geacht. Verder heeft verweerder overwogen dat de uitsluitingsgrond van artikel 1(D), eerste paragraaf, van het Vluchtelingenverdrag op eiser van toepassing is omdat hij bij de UNRWA geregistreerd staat als vluchteling. Nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer te vrezen heeft in de zin van het Vluchtelingenverdrag, komt eiser volgens verweerder niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Daarnaast stelt verweerder dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade. Daartoe heeft verweerder overwogen dat de situatie in de Gazastrook aanleiding geeft tot zorg, maar dat de algemene situatie in Gaza niet zodanig slecht is dat sprake is van een reëel risico op behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Evenmin heeft eiser volgens verweerder aannemelijk gemaakt dat hij op grond van zijn persoonlijke situatie een reëel risico loopt op ernstige schade. Verweerder stelt zich daarom op het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Verder heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond. Daartoe heeft verweerder overwogen dat eiser zich na binnenkomst in Nederland zonder gegronde reden niet zo snel mogelijk bij een ambtenaar, belast met de grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen, heeft aangemeld en daar kenbaar heeft gemaakt dat hij internationale bescherming wenst.

4. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartoe het volgende aan. Ten aanzien van de conclusie van Bureau Documenten dat de overgelegde oproep niet is opgemaakt en afgegeven door een daartoe bevoegde instantie, merkt eiser op dat Hamas niet bevoegd is om deze oproep legaal op te maken en af te geven. Verweerder heeft deze stelling ten onrechte niet nader onderzocht. Daarnaast stelt eiser zich op het standpunt dat hij eenduidig, consistent en gedetailleerd heeft verklaard over hetgeen hij heeft meegemaakt en de reden van zijn vlucht. Verweerder heeft dan ook ten onrechte zijn asielrelaas als ongeloofwaardig bestempeld. Ook meent eiser dat het feit dat verweerder niet meer tegenwerpt dat hij illegaal is uitgereisd, een reden is om de rest van het asielrelaas ook geloofwaardig te achten. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat hij gegronde vrees voor vervolging heeft en dat hij daartegen geen bescherming van de UNRWA kan inroepen. Daarnaast verwijst eiser naar de informatie uit gezaghebbende bronnen die bij de zienswijze is overgelegd en waarmee eisers asielrelaas wordt bevestigd. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte zijn standpunt ten aanzien van deze informatie niet van enige onderbouwing heeft voorzien. Ook stelt eiser dat verweerder ten onrechte niet heeft onderkend dat terugkeer naar zijn land in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Tot slot voert eiser aan dat hij een verschoonbare reden had voor het feit dat hij zich niet tijdig heeft gemeld bij zijn asielaanvraag en dat dit geen afbreuk doet aan zijn inhoudelijke asielrelaas.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1

Ten aanzien van de overgelegde oproep overweegt de rechtbank als volgt. In de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten van 16 november 2017 staat dat er onregelmatigheden zijn aangetroffen met betrekking tot de opmaak en afgifte van het document. Bureau Documenten heeft daarom geconcludeerd dat de oproep waarschijnlijk niet is opgemaakt en afgegeven door een daartoe bevoegde instantie. Eiser heeft hierover opgemerkt dat Hamas niet bevoegd is de overgelegde oproep legaal op te maken en af te geven en dat enkel de Nationale Palestijnse autoriteit bevoegd is dergelijke documenten af te geven. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het licht van het voorgaande nader had moeten motiveren op welke wijze de conclusie van Bureau Documenten tot stand is gekomen. Zo valt uit de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten zonder nadere toelichting niet af te leiden of en zo ja wat voor referentiemateriaal gebruikt is en wat wordt bedoeld met ‘een daartoe bevoegde instantie’. De beroepsgrond slaagt.

5.2

Eiser heeft bij de zienswijze verschillende rapporten overgelegd waaruit blijkt dat journalisten en aanhangers van Fatah vaak het slachtoffer worden van mensenrechtenschendingen. Zo volgt uit de overgelegde informatie dat Fatah-leden bedreigd, gearresteerd, ontvoerd en gedetineerd worden door Hamas. Ook worden er voorbeelden genoemd van journalisten die kritische reportages over Hamas hadden gemaakt en die vervolgens bedreigd en vervolgd werden. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser als journalist werkzaam was, dat hij behoort tot de politieke beweging Fatah en dat hij werkzaamheden heeft verricht voor de maatschappelijke commissie van Fatah. Nu het asielrelaas van eiser past binnen de door eiser overgelegde informatie over Gaza is de rechtbank van oordeel dat verweerder door enkel te overwegen dat de overgelegde informatie niet specifiek op eiser ziet het besluit op dit punt onvoldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank verwijst in dit kader ook naar de Werkinstructie 2014/10. In deze Werkinstructie is opgenomen dat bij de beoordeling van de geloofwaardigheid bekeken dient te worden of er sprake is van tegenstrijdigheden, ongerijmdheden of inconsistenties tussen enerzijds hetgeen de vreemdeling heeft aangedragen en anderzijds wat blijkt uit objectieve en actuele bronnen over het land van herkomst. Ook staat in de Werkinstructie dat de verklaringen van de vreemdeling worden vergeleken met objectieve bronnen, zoals rapporten van internationale organisaties en NGO’s. Verweerder had dan ook - gelet op de inhoud van de stukken die eiser bij de zienswijze heeft overgelegd - nader moeten motiveren hoe tot de conclusie wordt gekomen dat het asielrelaas gedeeltelijk ongeloofwaardig is, dat eiser niet te vrezen heeft voor vervolging zoals bedoeld in het vluchtelingenverdrag en dat hij geen risico loopt op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM.

5.3

De rechtbank overweegt voorts dat de overwegingen ten aanzien van het kennelijk ongegrond verklaren van de aanvraag geen stand kunnen houden. Weliswaar heeft eiser na binnenkomst in Nederland niet direct de bescherming van de Nederlandse autoriteiten ingeroepen, maar niet gebleken is dat eiser de procedure met opzet heeft vertraagd. Ook heeft eiser er terecht op gewezen dat tussen de datum van aankomst in Nederland en de datum van aanmelding slechts een periode zit van minder dan twee weken. Gelet op het voorgaande, acht de rechtbank de overweging van verweerder dat eiser zich niet meteen bij de Nederlandse autoriteiten heeft gemeld en dat dit afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas te vergaand. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder de aanvraag ten onrechte heeft afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw 2000.

6. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Verweerder zal een nieuwe beschikking dienen te nemen met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

7. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
€ 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing


De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuwe beschikking te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.002,-.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, rechter, in aanwezigheid van mr. E.F. Binnendijk, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.