Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:15122

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-10-2018
Datum publicatie
18-01-2019
Zaaknummer
NL18.2447 en NL18.2448
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet ten onrechte en voldoende gemotiveerd de verklaringen over de buitengerechtelijke executie en de daaraan gerelateerde problemen ongeloofwaardig heeft geacht. Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht dat eiser gezien wordt als dienstweigeraar of deserteur. Het betoog dat de beoordeling in strijd zou zijn met de Werkinstructie 2014/10, volgt de rechtbank niet. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: NL18.2447 en NL18.2448


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 oktober 2018 in de zaak tussen

Bagrat Hovsepyan, eiser

[eiseres] , eiseres,

mede namens hun minderjarige kind,

[minderjarig kind], geboren op [geboortedatum] 2016,

gezamenlijk te noemen: eisers,

(gemachtigde: mr. A.A. Vermeij),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: E. Biçer).


Procesverloop
Bij besluiten van 11 januari 2018 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2018. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk is verschenen A.M. Kurdyan. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1988, eiseres op 29 april 1989 en hun dochter op [geboortedatum] 2016. Zij hebben de Armeense nationaliteit. Eisers hebben aan hun asielaanvragen ten grondslag gelegd dat zij problemen hebben ondervonden omdat eiser getuige is geweest van een buitengerechtelijke executie in het gebouw van de veiligheidsdienst. Eiser is sinds 2012 werkzaam bij de Armeense veiligheidsdienst. Eiser wilde promotie maken en hij heeft daarom contact opgenomen met een connectie, [connectie]. Op 10 januari 2017 heeft [connectie] eiser meegenomen naar het gebouw van de veiligheidsdienst om hem in contact te brengen met [X], een medewerker van de veiligheidsdienst bij wie binnenkort een werkplek vrijkwam. In het gebouw van de veiligheidsdienst is eiser er getuige van geweest dat [X] iemand heeft mishandeld en geëxecuteerd. Omdat eiser getuige was van deze buitengerechtelijke executie, hebben eisers problemen ondervonden. Zo is eiser telefonisch bedreigd en zijn er meermalen drie gemaskerde mannen in de woning van eisers geweest. Bij deze invallen werd aangegeven dat de foto’s of video’s die eiser zou hebben gemaakt van de executie dienden te worden afgegeven. Ook werd eiser onder druk gezet om voor [X] te komen werken. Op 21 januari 2017 zijn eisers gevlucht naar het huis van de oma van eiseres in Artsakh, maar ook daar hebben de gemaskerde mannen hen gevonden, waarna zij gedwongen werden om weer terug te keren naar hun woning in Yerevan. Aangezien de problemen bleven voortduren, hebben eisers op 28 maart 2017 hun land van herkomst verlaten.

2. Eiseres heeft verklaard Armenië te hebben verlaten vanwege de problemen van haar man.

2.1

Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

 de door eiser gestelde nationaliteit, identiteit en herkomst;

 eiser is werkzaam geweest bij de veiligheidsdienst van Armenië. Zijn taken bestonden uit het bewaken en/of beveiligen van ambassades;

 eiser stelt getuige te zijn geweest van een executie welke heeft plaatsgevonden in het gebouw van de veiligheidsdienst;

 eiser stelt problemen te ondervinden nu hij vanwege de problemen het land heeft verlaten en hij als dienstweigeraar en/of deserteur gezien zal worden.

3. Verweerder heeft de aanvragen van eisers bij de bestreden besluiten afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000). Verweerder heeft de nationaliteit, identiteit en herkomst van eisers geloofwaardig geacht. Ook heeft verweerder geloofwaardig geacht dat eiser werkzaam was voor de Armeense veiligheidsdienst en dat hij belast was met het bewaken en beveiligen van ambassades. Verweerder heeft echter de verklaringen van eiser dat hij getuige zou zijn geweest van een buitengerechtelijke executie in het gebouw van de veiligheidsdienst en dat hij en zijn gezin daardoor problemen zouden hebben ondervonden die uiteindelijk hebben geleid tot het vertrek uit Armenië niet geloofwaardig geacht. Verder heeft verweerder niet geloofwaardig geacht dat eiser gezien zou worden als dienstweigeraar of deserteur. Verweerder stelt zich daarom op het standpunt dat eisers niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000.

4. Eisers kunnen zich niet verenigen met het bestreden besluit en voeren daartoe, samengevat weergegeven, het volgende aan. Eisers stellen zich op het standpunt dat de beoordeling van de geloofwaardigheid niet in overeenstemming met Werkinstructie 2014/10 heeft plaatsgevonden. Ook heeft verweerder niet deugdelijk gemotiveerd welke betekenis nog toekomt aan het voornemen van 25 augustus 2017. Daarnaast stellen eisers dat verweerder het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden door hen niet te confronteren met de bevindingen uit het visumdossier, waardoor zij in hun belangen zijn geschaad. Verder stellen eisers zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte de gestelde problemen als gevolg van de buitengerechtelijke executie ongeloofwaardig heeft geacht. Eisers menen dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat eisers ten aanzien van essentiële onderdelen van hun relaas inconsistent, summier en vaag hebben verklaard en dat het relaas ongerijmdheden bevat. Daarnaast stellen eisers dat de overwegingen van verweerder ten aanzien van de geluidsopname en de foto’s onbegrijpelijk zijn in het licht van de door hen afgelegde verklaringen. Tot slot voeren eisers aan dat verweerder ten onrechte de bewering van eiser dat hij in Armenië als dienstweigeraar te boek staat ongeloofwaardig heeft geacht.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1

De rechtbank overweegt allereerst dat het betoog dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd welke betekenis toekomt aan de voornemens van 25 augustus 2017 geen doel treft. Verweerder heeft in het bestreden besluit van eiser uiteengezet dat het voornemen van 15 november 2017 een nieuw voornemen is waarin een nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling wordt gemaakt. Daarmee heeft verweerder voldoende duidelijk gemaakt dat de voornemens van 25 augustus 2017 zijn komen te vervallen, waardoor aan de overwegingen uit deze voornemens geen waarde meer kan worden gehecht.

5.2

Ten aanzien van het betoog dat eisers ten onrechte niet met de bevindingen uit het visumdossier zijn geconfronteerd, overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft erop gewezen dat het visumdossier opgevraagd moest worden bij de Duitse autoriteiten en dat de informatie uit het visumdossier daarom pas na de aanvullende gehoren van eisers is ontvangen. De rechtbank heeft geen reden deze verklaring in twijfel te trekken. Verder is van belang dat eisers in de zienswijze hebben kunnen reageren op de tegenstrijdigheden uit het visumdossier, hetgeen zij ook hebben gedaan, en dat (de gemachtigde van) eisers op zitting niet heeft kunnen aangeven in hoeverre zij in hun belangen zijn geschaad. Eisers hebben namelijk niet kunnen aangeven wat zij nog meer of anders zouden aanvoeren indien zij daartoe de gelegenheid zouden hebben. Gelet op het voorgaande, ziet de rechtbank geen aanleiding om de zaak terug te verwijzen voor een nader gehoor en bestaat er evenmin grond voor het oordeel dat sprake is van strijd met artikel 16 van de Procedurerichtlijn dan wel met het beginsel van hoor en wederhoor.

5.3

De rechtbank overweegt verder dat verweerder er terecht op heeft gewezen dat de inhoud van het visumdossier niet in overeenstemming is met hetgeen eisers tijdens de gehoren hebben verklaard. In het visumdossier bevindt zich een garantstellingsbrief van eisers broer. Niet in geschil is dat de datum van deze brief en de ondertekening van deze brief door een notaris dateert van 14 januari 2017. Zowel uit het vrije relaas van eiser als uit de antwoorden van eiser tijdens het nader gehoor blijkt echter dat eisers pas de beslissing hebben gemaakt om Armenië te verlaten nadat zij op 21 januari 2017 gevlucht waren naar het huis van de oma van eiseres en zij daar na drie dagen gevonden werden door de gemaskerde mannen. Hieruit heeft verweerder terecht afgeleid dat eisers al bezig waren met hun visumaanvraag voordat zij besloten hadden om hun land van herkomst te verlaten. Het betoog dat de eerste visumaanvraag dateert van 8 februari 2017 en dat deze datum ruim na 23 januari 2017 ligt kan niet tot een ander oordeel leiden nu dit er niet aan afdoet dat uit de stukken van het visumdossier blijkt dat eisers reeds voor 23 januari 2017 met hun visumaanvraag bezig waren. De verklaring van eiseres dat degene die als bemiddelaar bij de visumaanvraag optrad op een later moment de garantstellingsbrief heeft opgemaakt en van een datum heeft voorzien treft evenmin doel nu eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat dit inderdaad het geval is geweest. Verweerder heeft dan ook mogen overwegen dat de stukken uit het visumdossier niet in lijn zijn met de verklaring van eisers dat zij na 21 januari 2017 besloten hebben hun land van herkomst te verlaten, hetgeen afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas.

5.4

De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder niet ten onrechte opmerkelijk heeft geacht dat [connectie] eiser zonder enige terughoudendheid heeft meegenomen naar de kelder van het gebouw van de veiligheidsdienst, waar de gehoren plaatsvonden. Daarbij heeft verweerder terecht van belang geacht dat het enkel zou gaan om een gesprek over een mogelijke functie bij de afdeling van [X]. Dat eiser werd meegenomen door [connectie] naar een cel waar [X] aan het verhoren zou zijn is dan ook ongerijmd te achten, hetgeen te meer geldt nu reeds op de trap geschreeuw en gevloek te horen was. Verweerder heeft dan ook mogen overwegen dat het niet in de lijn der verwachtingen lag dat [connectie] eiser deelgenoot maakte van de activiteiten die zich in de kelder afspeelden. De rechtbank overweegt verder dat verweerder niet ten onrechte heeft tegengeworpen dat van eiser in redelijkheid verwacht had kunnen worden dat hij meer concrete informatie over [X] zou kunnen geven. Verweerder heeft in redelijkheid van eiser mogen verwachten dat hij basale informatie, zoals de achternaam en de functie, van [X] zou kunnen verstrekken. Het betoog dat [connectie] hem niet meer bijzonderheden heeft verteld en dat de kennismaking met [X] uiterst summier was en de sfeer daarna zo grimmig werd dat er geen ruimte was voor het vergaren van meer informatie over [X] volgt de rechtbank niet. Immers, nu eiser stelt dat hij vanwege de bedreigingen van [X] zijn land van herkomst heeft verlaten, had het voor de hand gelegen dat eiser op een of andere wijze informatie zou vergaren over [X]. De rechtbank overweegt voorts dat verweerder niet ten onrechte opmerkelijk heeft geacht dat de grootouders van eiser niet op de hoogte zouden zijn geweest van de door eisers ondervonden problemen nu de grootouders van eiser op hetzelfde adres als eisers woonden. Eisers hebben er terecht op gewezen dat zij hebben verklaard dat de invallen altijd in de ochtend plaatsvonden en dat de grootouders van eiser dan niet thuis waren. Van belang is echter dat eisers hebben verklaard dat de gemaskerde mannen soms dagelijks langskwamen, dat het huis meerdere keren overhoop is gehaald en dat zij ook via de telefoon bedreigd werden. In het licht daarvan valt niet in te zien dat de grootouders niets zouden hebben meegekregen van de problemen die eisers ondervonden zouden hebben.

5.5

Ten aanzien van de foto’s en het geluidsfragment overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank is van oordeel, wat er ook van zij van de vraag of eiseres de geluidsopname en foto’s al dan niet gelijktijdig zou hebben gemaakt, dat verweerder niet ten onrechte bevreemdingwekkend heeft geacht dat eiseres in staat zou zijn geweest om een geluidsopname en foto’s te maken. Gelet op het gewelddadige karakter van de invallen in hun huis niet valt in te zien dat eiseres tijdens een dergelijke inval ongemerkt foto’s en een geluidsopname heeft kunnen maken terwijl er drie gemaskerde mannen in de woning aanwezig waren. Ook heeft verweerder terecht overwogen dat aan de hand van de foto’s en de geluidsopname niet kan worden vastgesteld of deze in relatie te brengen zijn met de problemen die eisers stellen te hebben ondervonden. Verweerder heeft dan ook mogen overwegen dat aan het beeld- en geluidmateriaal geen doorslaggevende betekenis kan worden gegeven.

5.6

Reeds gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet ten onrechte en voldoende gemotiveerd de verklaringen over de buitengerechtelijke executie en de daaraan gerelateerde problemen ongeloofwaardig heeft geacht.

5.7

De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht dat eiser gezien wordt als dienstweigeraar of deserteur. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat eiser op geen enkele wijze heeft onderbouwd dat hij om welke reden dan ook te boek zou staan als dienstweigeraar of deserteur. De verwijzing naar artikelen van het Wetboek van Strafrecht van de Republiek Armenië leidt niet tot een ander oordeel. Immers, eiser heeft geenszins aannemelijk gemaakt dat hij als voormalig werknemer van de veiligheidsdienst onder de reikwijdte van één van deze artikelen valt.

5.8

Wat betreft het betoog dat de beoordeling van de geloofwaardigheid niet in overeenstemming met Werkinstructie 2014/10 heeft plaatsgevonden, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank is van oordeel dat de bestreden besluiten voldoende zijn gemotiveerd. Daartoe stelt de rechtbank vast dat verweerder de relevante elementen van het asielrelaas van eisers heeft benoemd. Deze inventarisatie van elementen hebben eisers niet bestreden. Verweerder heeft vervolgens het relaas van eisers aan de hand van zowel interne als externe geloofwaardigheidsindicatoren getoetst. Zo heeft verweerder zowel de verklaringen van eisers op zichzelf als in onderlinge samenhang beoordeeld en heeft verweerder de informatie uit het visumdossier meegenomen in de beoordeling. Daarbij heeft verweerder, zoals in de voorgaande overwegingen uiteen is gezet, zodanige ongerijmdheden in het relaas kunnen constateren dat verweerder het relaas ongeloofwaardig heeft kunnen achten. Dat de beoordeling in strijd zou zijn met de Werkinstructie 2014/10, volgt de rechtbank dan ook niet.

6. De rechtbank concludeert dat eisers niet in aanmerking komen voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000.

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, rechter, in aanwezigheid van mr. E.F. Binnendijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.