Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:15097

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-12-2018
Datum publicatie
20-12-2018
Zaaknummer
09/767038-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor identiteitsfraude ex art. 231b Sr.: het gebruik van de foto van een ander op social media accounts. Vrijspraak voor afdreiging.

r.o. 3.3. Klachtdelict: klacht ex art. 66 Sr. te laat ingediend gelet op de periode in de klacht. Openbaar ministerie niet-ontvankelijk.

Andere klacht wel op tijd ingediend. Geen periode vermeld in de klacht, daarom aansluiting gezocht bij de aangiftedatum.

r.o. 6.3. “identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische gegevens” ex art. 231b Sr: foto’s kunnen onder de definitie van biometrische (persoons)gegevens vallen,

doch enkel als zij worden verwerkt met behulp van bepaalde technische middelen die de unieke identificatie of authenticatie van een natuurlijke persoon mogelijk maken.

In casu “identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische gegevens”.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2019/60
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/767038-17

Datum uitspraak: 20 december 2018

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 6 december 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. J.E. Hartjes en van hetgeen door verdachte en zijn raadsman mr. M.G.P. Glass naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van december 2015 tot en met februari 2017 te Wageningen en/of Putten en/of Zeist en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door bedreiging met smaad, smaadschrift en/of openbaarmaking van een geheim, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot afgifte van enig goed dat geheel of ten dele aan deze of een derde toebehoorde, tot het aangaan van een schuld of het tenietdoen van een inschuld, hebbende zij, verdachte, en/of haar mededader(s) telkens een of meer van de volgende handelingen verricht:

- op een chatsite (KIK) contact gelegd met (telkens) een van voornoemden

- die [slachtoffer 1] laten masturberen voor de webcam

- met die persoon/personen (pikante) foto's uitgewisseld, bijvoorbeeld naaktfoto's

- die persoon/personen voor de keus gesteld een of meer geldbedragen en/of

tegoedkaarten (oa van bol.com, paysafe of playstation) te betalen, althans over te maken, of het risico te lopen dat de pikante foto's en/of filmpjes van deze persoon/personen door haar, verdachte, in de openbaarheid zouden worden gebracht door deze toe te sturen aan familieleden, vrienden, werkgevers en/of anderen en/of door deze te plaatsen op internet;

2.

zij in of omstreeks de periode van 1 mei 2014 tot en met 20 december 2016 te Gouda en/of Zeist en/of elders in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, te weten de naam van [slachtoffer 3] en/of een of meerdere (social media) accountnamen van [slachtoffer 3] en/of meerdere, althans één of meer, (facebook/hyves)foto's, van die [slachtoffer 3] heeft gebruikt met het oogmerk om haar, verdachtes, identiteit te verhelen of de identiteit van die [slachtoffer 3] te verhelen of misbruiken, uit welk gebruik enig nadeel kon ontstaan en welk gebruik erin bestond dat zij, verdachte, deze foto's en/of (account)namen heeft geplaatst op/in een of meer social media profielen (onder andere op Facebook, Twitter, Hyves) en/of paydate profiel(en) op KIK messenger en/of Twitter.

3 Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie ter zake van feit 1

3.1

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie bepleit ten aanzien van een groot deel van feit 1. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de aangevers hun klacht ex art. 66 Sr te laat hebben ingediend, namelijk niet binnen 3 maanden nadat de aangevers kennis hadden genomen van de feiten. Bij aangever [slachtoffer 1] stond immers in zijn klacht een pleegperiode van 3 december tot en met 22 december 2015 vermeld, terwijl de klacht pas op 13 maart 2017 is ingediend. Bij aangever [slachtoffer 2] stond in zijn klacht een pleegperiode van 1 oktober 2016 tot en met 1 maart 2017. Hoewel [slachtoffer 2] op 13 maart 2017 een klacht heeft ingediend, blijkt uit diens verklaring volgens de raadsman dat hij met “ [bijnaam 1] ” al in oktober 2016 contact had en dat het contact met anderen pas in 2017 plaats heeft gevonden. Volgens de raadsman had [slachtoffer 2] over het feit betreffende “ [bijnaam 1] ” eerder een klacht in moeten dienen dan in maart 2017, omdat dit zich reeds in oktober 2016 had afgespeeld. Aldus dient niet-ontvankelijkheid te volgen ter zake de gehele vervolging in de zaak van [slachtoffer 1] en in de zaak van [slachtoffer 2] voor de tenlastegelegde periode in 2016.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het formele vereiste van art. 66 Sv niet leidend is, omdat de wens tot vervolging van beide aangevers blijkt uit de aangifte.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

Uit artikel 318, derde lid, Sr vloeit voort dat het misdrijf zoals dat is tenlastegelegd onder feit 1 niet wordt vervolgd dan op klacht van hem tegen wie het gepleegd is. Op grond van art. 66 Sr dient een klacht gedurende drie maanden “na de dag waarop de tot klacht gerechtigde kennis heeft genomen van het gepleegde feit” te worden ingediend. Die termijn is fataal en een overschrijding van die termijn leidt tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. De Hoge Raad heeft die fatale termijn zeer recent bevestigd (ECLI:NL:HR:2018:2242).

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de klacht van [slachtoffer 1] te laat is ingediend. In de klacht heeft de aangever verklaard omtrent een pleegperiode van 3 december 2015 tot en met 23 december 2015. Dat maakt dat de vervaldatum voor het indienen van een klacht 24 maart 2016 betrof, terwijl de klacht eerst op 13 maart 2017 is ingediend. Dat maakt dat de rechtbank het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard voor zover feit 1 ziet op aangever [slachtoffer 1] .

Het oordeel van de rechtbank luidt anders voor de klacht van aangever [slachtoffer 2] . Voor de vraag of een klacht tijdig is ingediend, is de in de klacht vermelde pleegperiode leidend. In dit geval is dat 1 oktober 2016 tot en met 1 maart 2017. Een nadere toetsing van de in de klacht genoemde periode aan de hand van bewijsmiddelen dient dan niet meer plaats te vinden. De klacht van [slachtoffer 2] van 13 maart 2017 is dan ook tijdig ingediend. De rechtbank verwerpt het ontvankelijkheidsverweer voor zover dat ziet op aangever [slachtoffer 2] .

4 Geldigheid van de dagvaarding ter zake van feit 2

4.1

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de nietigheid van de dagvaarding ter zake van feit 2 bepleit. Daartoe is aangevoerd dat indien de tenlastelegging ziet op een verwijt ex art. 231b Sr de tekst “, niet zijnde biometrische gegevens” ontbreekt in de tenlastelegging van het bestanddeel “identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische gegevens” van art. 231b Sr. Voorts is de tenlastelegging volgens de raadsman innerlijk tegenstrijdig omdat de in de tenlastelegging opgenomen “foto’s” geen “identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische gegevens” zijn in de zin van art. 231b. Foto’s zijn volgens de raadsman biometrische kenmerken en/of biometrische persoonsgegevens in de zin van art. 231a Sr. Indien de tenlastelegging ziet op een verwijt ex art. 231a Sr is dat verwijt niet juist tenlastegelegd, aldus de raadsman. Partiële nietigheid wordt door de raadsman voorts bepleit omdat de tenlastelegging van feit 2 onvoldoende feitelijk is, nu daarin niet duidelijk wordt gemaakt welke daarin genoemde accounts met zowel verdachte als het slachtoffer [slachtoffer 3] zijn te verbinden.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer ziet op een bewijsvraag. Het verweer kan volgens hem dan ook niet tot nietigheid leiden doch slechts tot partiële vrijspraak.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat hetgeen waarover in het verweer wordt geklaagd ziet op bewijs- dan wel kwalificatievragen. Gelet op die omstandigheid en de omstandigheid dat naar het oordeel van de rechtbank de tenlastelegging voldoende duidelijk en feitelijk is, verwerpt zij het verweer.

5 Bewijsoverwegingen

5.1

Inleiding

[slachtoffer 2] heeft aangifte gedaan dat hij via een internetaccount een seksafspraak heeft gemaakt waarvoor hij heeft betaald, maar die persoon de afspraak niet is nagekomen. Voorts houdt zijn aangifte in dat hij naaktfoto’s heeft verstuurd aan een persoon die daarna dreigde die foto’s online te zetten. De verdachte wordt verweten dat zij achter beide gedragingen zit (feit 1).

[slachtoffer 3] heeft aangifte gedaan van het feit dat haar naam en foto door derden werd misbruikt op een aantal social media accounts. Deze identiteitsfraude wordt verdachte onder feit 2 tenlastegelegd.

5.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

5.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor zover feit 1 ziet op aangever [slachtoffer 2] en voor feit 2. Daartoe is ten aanzien van feit 1 aangevoerd dat voor zover [slachtoffer 2] geld en Playstation-tegoed heeft gegeven aan de gebruiker van het account op naam van ‘ [bijnaam 1] ’ dat plaatsvond na de belofte van een pay-date. Van enige dreiging, laat staan afgifte als gevolg van die bedreiging was dus nimmer sprake. Ten aanzien van het account op naam van ‘ [bijnaam 2] ’ kan volgens de raadsman niet worden bewezen dat de verdachte daarvan gebruik maakte. De enkele omstandigheid dat mogelijk dezelfde foto van een persoon voor dat account is gebruikt als voor het “ [accountnaam] ”-account maakt dat niet anders volgens de raadsman, omdat uit het dossier volgt dat meerdere (niet aan de verdachte te relateren) accounts gebruik hebben gemaakt van die foto.

Ten aanzien van feit 2 is aangevoerd dat uit het dossier volgt dat geen enkel account (dat door de verdachte is gebruikt) gebruik heeft gemaakt van identificerende persoonsgegevens van [slachtoffer 3] . Voorts zijn volgens de raadsman foto’s geen “identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische gegevens”. Dat zijn biometrische kenmerken en/of biometrische persoonsgegevens in de zin van art. 231a Sr, aldus de raadsman.

5.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

5.4.1

Feit 1: [slachtoffer 2]

De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van hetgeen onder 1 ten aanzien van aangever [slachtoffer 2] is tenlastegelegd. Daartoe is het volgende redengevend.

Uit het dossier volgt dat aangever [slachtoffer 2] in oktober 2016 een betaling heeft verricht en een code van een Playstationkaart heeft verstuurd aan de gebruiker van een social media account op naam van ‘ [bijnaam 1] ’. Voor zover de verdachte daarmee geld en een goed heeft afgestaan is van belang dat die betalingen zijn geschied onder de belofte van een pay-date (afspraak voor betaalde seks). Uit het dossier volgt echter niet dat die afgiften vooraf zijn gegaan en zijn geschied vanwege enige bedreiging met smaad, smaadschrift of openbaarmaking van een geheim, zoals wel is tenlastegelegd.

Voor zover uit het dossier wel volgt dat dergelijke bedreigingen nadien (in januari 2017) hebben plaatsgevonden door een gebruiker van een ander social media account is [slachtoffer 2] nimmer tot afgifte overgegaan. Omdat enkel de voltooide afgedwongen afgiften (en niet de pogingen daartoe) ten laste zijn gelegd kan het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van het onder 1 tenlastegelegde (voor het deel ten aanzien waarvan het Openbaar Ministerie ontvankelijk was).

5.4.2

Feit 2

[slachtoffer 3] heeft op 20 december 2016 aangifte gedaan van belaging/identiteitsfraude. Zij heeft verklaard dat haar naam en foto’s zonder toestemming door (een) derde(n) wordt/worden gebruikt op social media accounts als Twitter en KIK. Een account dat gebruik maakte van haar foto was “ [accountnaam] ”. Die was volgens aangeefster het meest actief, zelfs nog tot de week voor de aangifte.2 Als haar profielfoto op Facebook door haar werd aangepast werd ook op het twitter-account van “ [accountnaam] ” die nieuwe foto van haar geplaatst.3 De aangeefster heeft voorts contact gekregen met een onderzoeksjournalist bij RTL. Na een confrontatie tussen RTL en de verdachte in december 2016 was het misbruik van de gegevens van [slachtoffer 3] voorbij.4

Vanuit het RTL-contact heeft een privédetective onderzoek gedaan. Uit dat onderzoek blijkt volgens de politie onder meer het volgende:

- het KIK-profiel van [accountnaam] maakt gebruik van de foto van [slachtoffer 3] ;

- op 11 oktober 2016 heeft gebruiker “ [gebruikersnaam] ” een reactie gekregen vanaf dat Kik-account voor een pay-date;

- de gebruiker van het KIK-account vraagt geld over te maken naar een rekening op naam van de verdachte;

- vervolgens zegt de gebruiker van het KIK-account onder meer tegen “ [gebruikersnaam] ” dat zij aangifte gaat doen jegens “ [gebruikersnaam] ” ter zake pedofilie;

- vervolgens vraagt de gebruiker van het KIK-account aan “ [gebruikersnaam] ” om bol.com bonnen voor haar te kopen.5

De verdachte, die in Zeist woont, heeft bij de politie verklaard dat zij het account [accountnaam] gebruikt op Twitter en KIK. Aan dat account had zij het e-mailadres [e-mailadres] of [e-mailadres] gekoppeld. De foto bij het Twitterprofiel “ [accountnaam] ” had zij van google.com gehaald en later als profielfoto gebruikt.6 Geconfronteerd met de omstandigheid dat de foto van [slachtoffer 3] was gebruikt heeft de verdachte verklaard dat zij dat had gedaan voor het profiel “ [accountnaam] ”. Dat was die foto die zij op google had gevonden en later als profielfoto had gebruikt. Ook herkende de verdachte “ [accountnaam] ”.7 Verdachte zegt zich te kunnen herinneren dat dergelijk gebruik van foto’s op accounts is begonnen in 2014.

Uit de bewijsmiddelen volgt naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam dat de verdachte de foto van [slachtoffer 3] heeft gebruikt op social media profielen om haar eigen identiteit te verhullen en daarmee de identiteit van [slachtoffer 3] te misbruiken. Dat de verdachte de naam van [slachtoffer 3] heeft gebruikt, zoals is ten laste gelegd, volgt echter niet uit het dossier.

Indien misbruik wordt gemaakt van de identiteit van een ander door foto’s van die ander te gebruiken op social media accounts om pay-dates aan te bieden, kan daaruit volgens de rechtbank ernstig nadeel ontstaan voor de persoon die op de foto is afgebeeld. Dit blijkt reeds uit de aangifte van [slachtoffer 3] , waaruit volgt dat haar eer en goede naam werd aangetast door het misbruik van haar foto. Ook werd haar bewegingsvrijheid ernstig aangetast doordat zij bang was om de mannen die hadden betaald voor een pay date maar die nooit een seksafspraak hadden kregen, tegen te komen op straat.

Verweer omtrent de foto’s en “biometrische gegevens”

Naar het oordeel van de rechtbank kan het verweer van de raadsman – dat foto’s geen “identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische gegevens” zijn – in dit geval niet tot vrijspraak leiden.

Dit volgt uit de omstandigheid dat de opsteller van de tenlastelegging de tekst “, niet zijnde biometrische gegevens” niet heeft opgenomen in de tenlastelegging (ter zake de “identificerende persoonsgegevens”). Dat maakt dat voor een bewezenverklaring slechts hoeft komen vast te staan dat de foto’s uit het dossier “identificerende persoonsgegevens” zijn. Het is een feit van algemene bekendheid dat foto’s daaraan voldoen. De rechtbank verwerpt het verweer dan ook voor zover dat ziet op de bewijsvraag.

Desalniettemin is de rechtbank zich bewust dat het verweer van de raadsman wel de vraag raakt of het bewezenverklaarde gekwalificeerd kan worden. De rechtbank zal het verweer hierna in paragraaf 6 (de strafbaarheid van het bewezenverklaarde) dan ook verder beoordelen.

Conclusie

Gelet op voornoemde bewijsmiddelen en overwegingen is de rechtbank van oordeel dat het tenlastegelegde feit onder 2 wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, zoals dat onder 5.5 zal worden weergegeven.

5.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van de verdachte bewezen dat:

2.

zij in de periode van 1 mei 2014 tot en met 20 december 2016 te Zeist en/of elders in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, te weten (Facebook/Hyves)foto's, van die [slachtoffer 3] heeft gebruikt met het oogmerk om haar, verdachtes, identiteit te verhelen en de identiteit van die [slachtoffer 3] te misbruiken, uit welk gebruik enig nadeel kon ontstaan en welk gebruik erin bestond dat zij, verdachte, deze foto's heeft geplaatst op/in social media profielen (onder andere op Twitter) en paydate profielen op KIK messenger en Twitter.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

6.1

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van feit 2 aangevoerd dat foto’s geen “identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische gegevens” zijn in de zin van art. 231b, maar biometrische kenmerken en/of biometrische persoonsgegevens in de zin van art. 231a Sr.

Gezien de omstandigheid dat de tekst “, niet zijnde biometrische gegevens” ontbrak in de tenlastelegging, ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of het verweer ertoe leidt dat het bewezenverklaarde niet kan worden gekwalificeerd en of het dus strafbaar is.

6.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit strafbaar is.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat de wetgever geen definitie of (limitatieve) opsomming heeft gegeven van “identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische gegevens”. Evenmin heeft de wetgever beschreven wat daar niet onder valt. De rechtbank stelt voorts vast dat de jurisprudentie daar ook geen (eenduidig) antwoord op geeft.

Voor de vraag of foto’s “identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische gegevens” (kunnen) zijn zoekt de rechtbank dan ook voor aansluiting bij de Verordening 2016/679 van het Europese Parlement en de Raad, d.d. 27 april 2016.8

Definitie 14, onder artikel 4 uit die Verordening luidt als volgt:

„biometrische gegevens”: persoonsgegevens die het resultaat zijn van een specifieke technische verwerking met betrekking tot de fysieke, fysiologische of gedragsgerelateerde kenmerken van een natuurlijke persoon op grond waarvan eenduidige identificatie van die natuurlijke persoon mogelijk is of wordt bevestigd, zoals gezichtsafbeeldingen of vingerafdrukgegevens;

Overweging 51 uit die verordening luidt onder meer als volgt:

[…] aangezien foto's alleen onder de definitie van biometrische gegevens vallen wanneer zij worden verwerkt met behulp van bepaalde technische middelen die de unieke identificatie of authenticatie van een natuurlijke persoon mogelijk maken.

Gelet op voorgaande definitie en overweging uit voornoemde verordening is de rechtbank van oordeel dat foto’s onder de definitie van biometrische (persoons)gegevens kunnen vallen, maar enkel als zij worden verwerkt met behulp van bepaalde technische middelen die de unieke identificatie of authenticatie van een natuurlijke persoon mogelijk maken.

Uit het dossier volgt dat door de verdachte privé vrijetijds foto’s van [slachtoffer 3] bij door haar gebruikte social media profielen zijn geplaatst. Op die foto‘s was het hoofd en een deel van het bovenlichaam van [slachtoffer 3] te zien . Naar het oordeel van de rechtbank kan van dergelijke foto’s niet worden gezegd dat zij zijn verwerkt met behulp van bepaalde technische middelen die de unieke identificatie of authenticatie van een natuurlijke persoon mogelijk maken.

Dat leidt tot de conclusie dat de onderhavige foto’s dus wel kunnen worden aangemerkt als “identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische gegevens”. Daarmee is ook voldaan aan de kwalificatie van art. 321b Sr.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

7 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

8 De strafoplegging

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 200 uren, waarvan 80 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft oplegging van een taakstraf bepleit. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte niet eerder is veroordeeld, dat het goed gaat met de opleiding van de verdachte en dat zij aan haar toekomst wil bouwen. Vermoedt wordt dat de stress van de scheiding van haar ouders invloed heeft gehad op haar handelen en dat nu deze factor niet meer aanwezig is de kans op herhaling klein is. Voorts beseft de verdachte dat zij fout heeft gehandeld en heeft zij daarvoor ook haar excuses aangeboden, met name aan [slachtoffer 3] .

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De verdachte heeft gedurende een periode van tweeëneenhalf jaar identiteitsfraude gepleegd. Zij heeft foto’s van een ander gebruikt in social media accounts en via die accounts gesprekken gevoerd over pay-dates (afspraken voor betaalde seks). Met haar handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de rechten en integriteit van het slachtoffer. Derden gaan er immers van uit dat degene die op de foto bij een social media account staat de persoon is die via een dergelijk account communiceert. Door het gebruik van een foto van een ander ontstaat dan ook de kans dat die ander wordt aangesproken op de uitlatingen van de verdachte, met vervelende situaties en reputatieschade tot gevolg. Uit het dossier blijkt ook dat die angst bij het slachtoffer aanwezig was en dat zij daardoor ernstig werd beperkt in haar sociale leven. Uit de toelichting op haar vordering benadeelde partij blijkt dat het slachtoffer moeite had om personen om haar heen te vertrouwen, omdat zij niet wist wie er achter het misbruik van haar foto’s zaten. Door het grote bereik van internet heeft dergelijke identiteitsfraude verstrekkende gevolgen voor een slachtoffer. Het slachtoffer kan daarvan nog jaren last hebben doordat de foto’s nog op internet te vinden zijn. Het strafbare gedrag van verdachte is pas gestopt toen zijn hierop werd aangesproken door medewerkers van RTL. Het is de rechtbank onduidelijk gebleven in hoeverre de verdachte verantwoording voor haar handelen heeft willen nemen. Bij de politie heeft zij oppervlakkig verklaard en ter terechtzitting heeft zij nauwelijks inzicht willen geven in haar handelen.

De rechtbank houdt er bij de strafoplegging rekening mee dat de verdachte tijdens de pleegperiode van het bewezen verklaarde feit deels minderjarig was.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 31 oktober 2018, waaruit blijkt dat zij niet eerder voor een soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld.

Gelet op al het bovenstaande zal de rechtbank aan de verdachte een deels voorwaardelijke taakstraf opleggen van nader te noemen duur.

9 De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 2.000,00 (bestaande uit immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 2.000,00, ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 3] .

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen verweer gevoerd ter zake de vordering.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De vordering is namens de verdachte niet betwist.

De rechtbank, zal gelet op hetgeen de benadeelde partij ter toelichting heeft aangevoerd, naar billijkheid een bedrag van € 1.000,- toewijzen, nu is komen vast te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit. Zij is in haar goede naam en eer aangetast door het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 1.000,00.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 20 december 2016 (de datum van haar aangifte), omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

De rechtbank wijst de vordering voor het overige af.

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel.

Nu de verdachte voor het bewezenverklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en zij jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door dit feit is toegebracht, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 20 december 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van [slachtoffer 3] .

10 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en zijn gegrond op de artikelen:

- 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 231b van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

11 De beslissing

De rechtbank:

verklaart de officier van justitie niet ontvankelijk voor het onder 1 (ten aanzien van [slachtoffer 1] ) tenlastegelegde feit;

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 (ten aanzien van [slachtoffer 2] ) tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 5.5 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander gebruiken met het oogmerk om haar identiteit te verhelen en de identiteit van een ander te misbruiken, waardoor uit dat gebruik enig nadeel kan ontstaan;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een taakstraf voor de tijd van 160 (honderdzestig) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 80 (tachtig) DAGEN;

beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag.

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 80 (tachtig) UREN, subsidiair 40 (veertig) dagen vervangende hechtenis, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 3] , een bedrag van € 1.000,00, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 20 december 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

wijst de vordering voor het overige af;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 1.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 20 december 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van [slachtoffer 3];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.J. van der Wilt, voorzitter,

mr. S.W.E. de Ruiter, rechter,

mr. A.M. Boogers, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. A.J. van Zelst, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 december 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer DH7R01700, onderzoek “Roos”, van de Districtsrecherche Alphen aan den Rijn-Gouda (doorgenummerd blz. 1 t/m 576).

2 Proces-verbaal van aangifte, p. 29.

3 Proces-verbaal van aangifte, p. 31.

4 Proces-verbaal van aangifte, p. 33.

5 Proces-verbaal van bevindingen, p. 140.

6 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 512 en 513.

7 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 514.

8 VERORDENING (EU) 2016/679 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming).