Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:1508

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-02-2018
Datum publicatie
19-02-2018
Zaaknummer
NL17.15423
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin, Italië, beroep op het arrest C.K. tegen Slovenië (ECLI:EU:C:2017:127) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 november 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2986), objectieve medische gegevens overgelegd, verweerder had nader onderzoek moeten verrichten, bijvoorbeeld door het vragen van een advies van het Bureau Medische Advisering, beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.15423


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 februari 2018 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres,

mede namens haar minderjarige zoon [naam zoon] ,

(gemachtigde: mr. N.M. Weteling),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: mr. R.J.M.F.P. Wouters).

Procesverloop

Bij besluit van 21 december 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Daarnaast heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is geregistreerd onder zaaknummer NL17.15424.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening, plaatsgevonden op 30 januari 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen B.M. Arif. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres is van Iraakse nationaliteit. Zij is geboren op [geboortedag] 1988. Haar zoon is geboren op [geboortedag] 2013.

Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Deze verordening is de Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (de Dublinverordening). In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om overname gedaan. Italië heeft hierop niet tijdig gereageerd. Op grond van artikel 22, zevende lid, van de Dublinverordening staat dit gelijk met het aanvaarden van het overnameverzoek.

2. Tussen partijen is niet in geschil dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiseres.

3. In geschil is de vraag of verweerder ten aanzien van Italië mag vasthouden aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel dan wel gehouden was om het asielverzoek van eiseres inhoudelijk te behandelen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening.

Primair is eiseres van mening dat verweerder op grond van bijzondere, persoonlijke omstandigheden de behandeling van haar asielaanvraag aan zich dient te trekken. Eiseres vreest voor eerwraak door haar man dan wel dat haar man haar zoontje in Italië komt halen. Verder heeft eiseres ernstige lichamelijke en psychische klachten waarvoor zij onder behandeling staat. Er is een reëel risico op suïcide bij overdracht aan Italië. Haar zoontje heeft ernstige gedragsproblematiek waarvoor hij onder behandeling staat.

Subsidiair is eiseres van mening dat verweerder nader medisch onderzoek had moeten doen. Uit de door haar overgelegde medische stukken blijkt dat zending naar Italië op zichzelf een medische noodsituatie kan veroorzaken dan wel een situatie als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) kan ontstaan. Eiseres beroept zich in dit kader op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 13 december 2016 in de zaak Paposhvili tegen België, ECLI:CE:ECHR: 2016:1213JUD004173810 (hierna: het arrest Paposhvili), het arrest van het Hof van Justitie (het Hof) van 16 februari 2017 in de zaak C.K. e.a. tegen Slovenië, ECLI:EU:C:2017:127 (hierna: het arrest C.K.) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 3 november 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2986).

4. Verweerder stelt zich hierover op het standpunt dat de (medische) klachten van eiseres en haar zoon geen aanleiding geven het asielverzoek van eiseres aan zich te trekken, omdat Italië dezelfde medische verzorgingsmogelijkheden heeft als Nederland. Ter zitting heeft verweerder hieraan toegevoegd dat uit de door eiseres overgelegde medische stukken kan worden opgemaakt dat sprake is van een medische problematiek, maar dat daaruit niet blijkt van een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van haar gezondheidssituatie wanneer eiseres wordt overgedragen aan Italië. Volgens verweerder voldoet eiseres niet aan de hoge lat uit de arresten Paposhvili en C.K.. Daarnaast heeft verweerder er ter zitting op gewezen dat de door eiseres overgelegde medische stukken aan Italië zullen worden toegezonden en verder in het kader van de fit to fly beoordeling alsnog zullen worden beoordeeld om te bezien of en zo ja, hoe eiseres kan worden overgedragen.

5. In de twee uitspraken van 3 november 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2980 en ECLI:NL:RVS:2017:2986) heeft de ABRvS uitgelegd hoe uitvoering moet worden gegeven aan het arrest C.K. In het arrest C.K. heeft het Hof uitgelegd hoe lidstaten bij de toepassing van de Dublinverordening uitvoering moeten geven aan het arrest Paposhvili.

6. Uit het arrest C.K. volgt volgens de ABRvS dat bij de vraag of in de verantwoordelijke lidstaat passende medische zorg aanwezig is het interstatelijk vertrouwensbeginsel een belangrijke rol speelt. Op grond van dat beginsel bestaat een sterk vermoeden dat asielzoekers in de lidstaten die gebonden zijn aan Richtlijn 2013/33/EU (PB 2013, L 180) passende medische zorg ontvangen. Dit betekent dat het onder die omstandigheden aan de betrokken asielzoeker is om te staven dat de voor zijn ernstige fysieke of mentale aandoening benodigde medische zorg in de verantwoordelijke lidstaat ontbreekt.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres in deze zaak niet heeft gestaafd dat haar aandoening in Italië niet passend kan worden behandeld. Verweerder was dan ook niet verplicht daarnaar nader onderzoek te verrichten.

7. Uit het arrest C.K. volgt volgens de ABRvS verder dat daarnaast niet kan worden uitgesloten dat de overdracht van een asielzoeker met een ernstige mentale of lichamelijke aandoening op zichzelf een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand zou inhouden. Of dit het geval is moet volgens het Hof worden beoordeeld bij de beslissing over de overdracht van die asielzoeker of in het geval van een rechterlijke procedure, wanneer wordt geoordeeld over de rechtmatigheid van het overdrachtsbesluit, omdat de tenuitvoerlegging daarvan tot een onmenselijke of vernederende behandeling van die asielzoeker zou kunnen leiden. Hieruit volgt dat als een asielzoeker objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen, verweerder bij het nemen van het overdrachtsbesluit dient te beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen.

8. Eiseres heeft bij haar zienswijze op het voornemen een kopie van haar medisch dossier en dat van haar zoontje en een brief van haar GGZ-consulent en huisarts van 14 november 2017 overgelegd. In deze brief staat:

“Mw. wordt door de GGZ consulent gezien vanwege angstklachten, slapeloosheid en

paniekaanvallen waarbij mw. soms flauwvalt. Huidige klachten worden geluxeerd door de

vrees voor uitzetting naar Italië en de daarmee samenhangende vrees voor wraak door

haar ex-man. Haar vrees voor uitzetting gaat gepaard met radeloosheid en

terugkomende suïcidale gedachten.”

9. Uit deze brief blijkt dat eiseres in behandeling is bij het Gezondheidscentrum Asielzoekers en dat eiseres zich in relatie tot de voorgenomen overdracht naar Italië suïcidaal heeft geuit. Uit haar medisch dossier blijkt verder dat zij op 24 augustus 2017 heeft geprobeerd voor een auto te springen. De rechtbank is – gelet op de hiervoor genoemde uitspraken van de ABRvS van 3 november 2017 – van oordeel dat deze informatie voor verweerder aanleiding had moeten zijn om nader onderzoek te verrichten, bijvoorbeeld door het vragen van een advies van het Bureau Medische Advisering.

Gelet op de punten 75 tot en met 77, 84 en 90 van het arrest C.K. en de door eiseres overgelegde medische informatie over haar suïcidaliteit, had verweerder moeten nagaan of de gezondheidstoestand van eiseres dermate slecht is dat ernstig moet worden gevreesd dat overdracht voor haar een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van de artikelen 3 van het EVRM en 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het EU Handvest) zou inhouden.

De toezegging van verweerder dat de door eiseres overgelegde medische stukken kort voor de overdracht aan Italië alsnog zullen worden beoordeeld om te bezien of en zo ja, hoe eiseres kan worden overgedragen, volstaat niet. De rechtbank verwijst in dit kader naar rechtsoverweging 7.2. van de hiervoor genoemde uitspraken van de ABRvS.

10. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit komt wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking. Verweerder dient een nieuw besluit op de aanvraag te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Wanneer hij besluit de aanvraag opnieuw niet in behandeling te nemen krachtens artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000, moet hij beoordelen of uit door de eiseres overgelegde stukken van haar behandelaars volgt dat haar overdracht aan Italië leidt tot een schending van artikel 4 van het EU Handvest en, indien nodig, welke concrete voorzorgsmaatregelen hij zal treffen om een dergelijke schending te voorkomen. Indien de feitelijke overdracht van eiseres aan Italië na een nieuw overdrachtsbesluit enige tijd op zich laat wachten en er wijzigingen plaatsvinden in haar gezondheidstoestand, moet hij deze opnieuw (laten) beoordelen voor de overdracht wordt uitgevoerd.

Gezien de aard van het te nemen nieuwe besluit en de daarbij aan verweerder toekomende beslissingsruimte acht de rechtbank geen termen aanwezig om toepassing te geven aan de bestuurlijke lus dan wel zelf in de zaak te voorzien.

11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten.

Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiseres met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.J.J. Derks-Voncken, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H. Vonk-Menger, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2018

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op: 9 februari 2018

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.