Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:1505

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-02-2018
Datum publicatie
13-02-2018
Zaaknummer
NL18.2360
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

maatregel van bewaring, terugkeerbesluit, artikel 1(F), Vluchtelingenverdrag, KhAD/WAD, resterende gronden, zwaar inreisverbod, Afghanistan, vertrekplicht, risico op onttrekking aan het toezicht, belemmering of ontwijking van de uitzettingsprocedure, belangenafweging, vreemdelingenbewaring, persoonlijke omstandigheden, geen lichter middel, Mahdi tegen Bulgarije, formulier M119, ter fine van een gedwongen uitzetting, daadwerkelijke effectuering van vertrek, bewaring niet onevenredig bezwarend, mantelzorg, gezinsleven, geen reëel risico op schending van artikel 3 EVRM, redelijk vooruitzicht op verwijdering binnen afzienbare tijd, voldoende voortvarendheid, DT&V, vertrekgesprekken, regievoerder

Wat eiser heeft aangevoerd geeft geen aanleiding de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten. De rechtbank komt derhalve niet tot het oordeel dat verweerder onvoldoende grond resteert om aan eiser een maatregel van bewaring op te leggen. De door verweerder aangevoerde zware en lichte gronden zijn juist en kunnen de maatregel van bewaring in beginsel dragen. Naar het oordeel van de rechtbank kan door verweerder op basis van deze (resterende) gronden, die door voldoende zorgvuldig onderzoek en deugdelijke motivering worden gedragen, worden aangenomen dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken, of de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.

Uit de maatregel van bewaring en het formulier M119 volgt dat verweerder – in overeenstemming met de vereisten die voortvloeien uit het Mahdi-arrest – hetgeen eiser naar voren heeft gebracht ten aanzien van zijn persoonlijke belangen, kenbaar bij de belangenafweging heeft betrokken. Bij de afweging door verweerder of op eiser een afdoende minder dwingende maatregel doeltreffend is toe te passen, heeft verweerder, naast de (resterende) gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, terecht in dit geval betrokken dat tot op heden in diverse vreemdelingrechtelijke procedures onherroepelijk is geoordeeld dat op basis van zorgvuldige gemaakte afwegingen door de Nederlandse overheid aan eiser artikel 1(F) Vlv kan worden tegengeworpen omdat hij een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde en de openbare veiligheid, dat vanwege het door hem bij herhaling aangegeven niet te willen vertrekken er geen andere mogelijkheid is om zijn vertrek te bewerkstelligen dan middels een inbewaringstelling ter fine van een gedwongen uitzetting, alsook dat door eiser niet overtuigend is gesteld dat een minder dwingende maatregel voor de daadwerkelijke effectuering van diens vertrek kan volstaan. Verweerder heeft zich daarbij terecht op het standpunt gesteld dat de door eiser genoemde omstandigheden de oplegging van de maatregel van bewaring niet onevenredig bezwarend maken. Zo beletten de door eiser aangevoerde medische omstandigheden de inbewaringstelling niet, omdat er in het detentiecentrum voor hem voldoende medische zorg aanwezig is. Verder is gesteld noch gebleken dat in Afghanistan een medische noodsituatie zal ontstaan omdat aldaar voor eiser onvoldoende medische zorg aanwezig zou zijn. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser aangegeven dat de gezondheidssituatie van de echtgenote van eiser sterk is verslechterd na de inbewaringstelling van eiser en dat deze humanitaire omstandigheid niet eerder door verweerder is gezien. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting terecht opgemerkt dat het niet de gezondheidssituatie van eiser betreft en voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij de belangenafweging terecht heeft betrokken dat niet is gebleken dat zijn familie afhankelijk is van eiser. Immers, de echtgenote en zelfstandige kinderen van eiser zijn genaturaliseerd tot Nederlander en ondersteund door zorginstellingen kunnen de kinderen de echtgenote van eiser, hun moeder, mantelzorg verlenen. Uit deze afweging maakt de rechtbank op dat verweerder het gezinsleven van eiser wel degelijk met respect heeft betrokken, maar dat aan de eenheid van het gezin geen doorslaggevende waarde is toegekend. Naast dat verweerder in het bestreden besluit een belangenafweging heeft gemaakt, is ook door verweerder uitgebreid aan artikel 8 EVRM getoetst bij het opleggen van het zware inreisverbod aan eiser. Daarnaast is gebleken dat door verweerder bij de belangenafweging is betrokken dat eiser bij uitzetting naar Afghanistan geen reëel risico loopt op schending van artikel 3 EVRM. Hierbij acht de rechtbank tevens van belang dat vooralsnog door de Afdeling geen uitspraak is gedaan waaruit volgt dat gedwongen uitzetting naar (delen van) Afghanistan niet mogelijk zou zijn vanwege een uitzonderlijke situatie aldaar, zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, Vw 2000. Bovendien is in het geval van eiser geen sprake van een toegewezen voorlopige voorziening op grond waarvan het aan hem reeds op 16 maart 2004 uitgevaardigde terugkeerbesluit is geschorst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.2360

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 februari 2018 in de zaak tussen


[eiser] , geboren op [geboortedag] 1956, van Afghaanse nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. J.M.M. Verstrepen),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Petsch).


Procesverloop

Bij besluit van 2 februari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit op 2 februari 2018 beroep ingesteld. Dit beroep strekt van rechtswege ook tot toekenning van schadevergoeding.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen mevrouw M. Masshoor. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op 15 augustus 2000 heeft eiser een asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 16 maart 2004, dat tevens als een terugkeerbesluit geldt, heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, Vw 2000 (oud), vanwege de toepasselijkheid van artikel 1(F) onder a en b, van het Vluchtelingenverdrag (hierna: Vlv). Verweerder heeft hierbij geloof gehecht aan de verklaringen van eiser dat hij van januari/februari 1983 tot 1995 in dienst is geweest van de KhAD/WAD, uiteindelijk in de rang van kolonel. Deze procedure is onherroepelijk geworden bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 30 augustus 2005 (200506687/1), waarbij het hoger beroep van eiser ongegrond is verklaard en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 7 juli 2005 (AWB 04/1325, ECLI:NL:RBROE:2005:569) is bevestigd. Op 27 februari 2009 heeft eiser opnieuw een asielaanvraag ingediend die door verweerder bij besluit van 17 juni 2011 is afgewezen. Deze tweede asielprocedure is in rechte komen vast te staan met de onherroepelijke uitspraak van de Afdeling van 26 november 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2216), waarbij het hoger beroep van eiser ongegrond is verklaard en de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond van 8 mei 2012 en 8 augustus 2012 (AWB 11/22735, ECLI:NL:RBROE:2012:4328), voor zover de rechtbank daarbij het beroep van eiser gegrond heeft verklaard, heeft vernietigd. Eiser heeft op 20 augustus 2014 een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking: gezinsleven of 8 EVRM. Bij beluit in primo van 4 december 2014 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen en daarbij is tevens tegen eiser een (zwaar) inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van tien jaar. Het bezwaar van eiser hiertegen is door verweerder bij besluit van 7 augustus 2015 ongegrond verklaard. Deze procedure is onherroepelijk geworden bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg van 9 juni 2016 (AWB 15/16319) waartegen eiser geen hoger beroep heeft ingesteld. Op 3 februari 2017 heeft eiser een aanvraag tot het opheffen van het inreisverbod ingediend dat verweerder bij besluit van 23 maart 2017 heeft afgewezen. Het beroep dat eiser hiertegen heeft ingesteld is bij uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 29 januari 2018 (ECLI:NL:RBOBR:2018:424, AWB 17/8404) ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft eiser op 8 februari 2018 hoger beroep aangetekend bij de Afdeling. Tevens is de Afdeling daarbij verzocht op grond van artikel 13, tweede lid, van Richtlijn 2008/115/EG (hierna: de Terugkeerrichtlijn) het terugkeerbesluit van 16 maart 2004 te schorsen.

2. Voorts is uit de gedingstukken gebleken dat eiser op 2 februari 2018 is staande gehouden en dat inzage van zijn identiteitsdocument is gevorderd op grond van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf, ter vaststelling van de identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie gebaseerd op informatie van de Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V) dat hij illegaal verblijf in Nederland heeft. Op 2 februari 2018 om 10:09 uur is hij overgebracht naar plaats van verhoor en opgehouden op grond van artikel 50, tweede of derde lid, Vw 2000. Eiser was niet in het bezit van een document als bedoeld in artikel 4.21 Vb 2000. Na de staandehouding heeft de hulpofficier van de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM) om 10:35 uur telefonisch contact gehad met het advocatenkantoor van de gemachtigde van eiser, mr. J.M.M. Verstrepen, waaruit bleek dat hij op vakantie is en na het weekend weer terug is. Op verzoek van de secretaresse van mr. Verstrepen is voor eiser een piketadvocaat geregeld, mr. R.E.J.M. van den Toorn. De piketadvocaat gaf op 2 februari 2018 om 11:00 uur aan niet in de gelegenheid te zijn bij het gehoor aanwezig te zijn, maar dat hij eiser later zal bezoeken. Het gehoor vond daarop plaats op 2 februari 2018 om 11:10 uur zonder de aanwezigheid van raadsman Van den Toorn. Na afloop van het gehoor werd op 2 februari 2018 om 12:25 uur aan eiser een maatregel van bewaring opgelegd. Het beroep van eiser van 2 februari 2018 is hiertegen gericht. Eiser meent dat verweerder hem ten onrechte de maatregel van bewaring heeft opgelegd.

Maatregel van bewaring

3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Daarbij heeft verweerder, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste en derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:

c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
h. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van de Wet of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Wet;
i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;

Tevens heeft verweerder, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste en vierde lid, Vb 2000, als lichte gronden vermeld dat eiser:

b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.

4. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder de aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegde grond dat eiser verdacht is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld, zoals neergelegd in artikel 5.1b, vierde lid, onder e, Vb 2000, laten vallen. Ter beoordeling van de rechtbank ligt of de resterende gronden juist zijn en of deze gronden de maatregel van bewaring in beginsel kunnen dragen.

Eerder een aanzegging heeft gekregen om Nederland te verlaten

5. Eiser voert inzake artikel 5.1b, derde lid, onder c, Vb 2000 aan dat naar zijn mening uit de door hem gevoerde procedures niet blijkt dat sprake is van het ontwijken of belemmeren tot het niet verlaten van Nederland maar van een volstrekt legitiem gebruik van rechtsmiddelen. Ook voert eiser aan dat hij zich bovendien altijd aan zijn meldplicht en contactmomenten met DT&V heeft voldaan en dat DT&V op de hoogte was van de zeer moeilijk thuissituatie, in het bijzonder de medische zorgen voor zowel zijn echtgenote als van hemzelf. Eiser ziet hierin een rechtvaardige reden om niet uit eigen beweging uit Nederland te vertrekken en de zorgverplichting voor zijn vrouw na te komen. Naar het oordeel van de rechtbank neemt dit echter niet weg dat eiser eerder een besluit heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven. Immers, uit de diverse gehoren en vertrekgesprekken volgt dat hij niet heeft voldaan aan de opgelegde vertrektermijn en deze steeds bewust heeft overschreven.

Inreisverbod

6. Door eiser wordt in verband met artikel 5.1b, derde lid, onder c, Vb 2000 aangevoerd dat deze situatie al zeer lang bestaat en nimmer reden voor verweerder is geweest om de tot vrijheidsontneming over te gaan, zodat het enkel bestaan van het inreisverbod hierom onvoldoende moet worden geacht. De rechtbank volgt eiser niet hierin. In de eerste plaats volgt uit artikel 5.1b, eerste lid, Vb 2000 reeds dat het enkel bestaan van een zwaar inreisverbod onvoldoende is om een maatregel tot bewaring te dragen, nu aan de voorwaarden voor inbewaringstelling, bedoeld in artikel 5.1a, eerste lid, Vb 2000, slechts is voldaan indien ten minste twee van de gronden, bedoeld in het derde en vierde lid zich voordoen. Echter, nu vaststaat dat bij besluit van 4 december 2014 door verweerder aan eiser een inreisverbod voor de duur van tien jaar is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, Vw 2000 is daarmee wel de juistheid van deze grond gegeven. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder ook benadrukt dat deze zware grond feitelijk van aard is. Dat verweerder eerder geen aanleiding heeft gezien om (mede op deze grond) tot vrijheidsontneming over te gaan, maakt dat niet anders. Uit de door eiser aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 21 maart 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BP9284) volgt dat de enkele stelling dat de vreemdeling zich niet aan de verplichtingen voortvloeiend uit de vreemdelingenwetgeving zal houden omdat hij zich niet aan bepaalde Nederlandse regelgeving heeft gehouden, onvoldoende grond oplevert om aan te nemen dat de vreemdeling de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert. In gevallen waarin een vreemdeling na zijn ongewenstverklaring niet onmiddellijk uit Nederland is vertrokken, bestaat in beginsel grond om aan te nemen dat hij de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert. Indien de vreemdeling echter aansluitend op zijn ongewenstverklaring in bewaring gesteld, waardoor hij geen gelegenheid heeft gehad zelfstandig te vertrekken, levert volgens de Afdeling de ongewenstverklaring – zonder nadere toelichting – onvoldoende grond op om aan te nemen dat de vreemdeling de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert. Het beroep van eiser op deze uitspraak faalt. In dit geval is eiser immers niet aansluitend na het uitvaardigen van het zware inreisverbod in bewaring gesteld, waardoor hij wel degelijk gelegenheid heeft gehad zelfstandig te vertrekken. Gelet hierop levert het uitgevaardigde zware inreisverbod met de door verweerder gegeven toelichting voldoende grond op om aan te nemen dat hij de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert. Daarbij wordt ook in aanmerking genomen dat, zoals ook door de gemachtigde van verweerder ter zitting is aangegeven, eiser niet te kennen heeft gegeven zelf zijn vertrek te willen regelen maar dat hij persisteert dat hij weigert terug te keren naar Afghanistan en dat daarom aan hem de maatregel van bewaring ter fine van uitzetting is opgelegd. Ook valt uit de mailwisseling tussen de gemachtigde van eiser en de regievoerder P.R.H. Botland op 2 en 6 februari 2018 niet op te maken dat er een afspraak was en gerechtvaardigd vertrouwen zou zijn gewekt dat eiser niet in bewaring zou worden gesteld als hij door zijn familie naar het politiebureau in Tilburg zou worden gebracht.

Het te kennen geven geen gevolg aan terugkeer te geven

7. Met betrekking tot artikel 5.1b, derde lid, onder i, Vb 2000 heeft eiser aangevoerd dat hij heeft aangegeven niet te kunnen terugkeren omdat hij de door hem ervaren grote onrechtmatigheid van het toepassen van artikel 1(F) Vlv om de enkele reden dat hij officier was bij de voormalige Afghaanse veiligheidsdienst KhAD/WAD tot het uiterste met rechtsmiddelen zal willen bestrijden. Nu eiser op 8 februari 2018 bij de Afdeling hoger beroep heeft ingesteld en tevens tot schorsing van het terugkeerbesluit heeft verzocht, stelt hij dan ook er belang bij te hebben om die procedure te kunnen bijwonen. De rechtbank constateert dat eiser bij alle vertrekgesprekken resoluut heeft verklaard nooit aan zijn vertrekplicht te zullen voldoen omdat hij ziek is, zijn hele familie rechtmatig in Nederland verblijft en dat hij niet zal vertrekken zolang de Nederlandse overheid hem niet kan bewijzen dat hij mensenrechten heeft geschonden en zich schuldig heeft gemaakt aan artikel 1(F) Vlv. Ondanks het gestelde belang van eiser bij het kunnen bijwonen van zijn hoger beroep is de rechtbank van oordeel dat niet wordt weersproken dat hij te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer. Voorts is de feitelijk uitzetting van eiser naar Afghanistan thans niet aan de orde. Ter zitting heeft de rechtbank eiser gewezen dat het voor hem mogelijk is om rechtsmiddelen in te stellen tegen de feitelijke uitzetting. Gebleken is ook dat de gemachtigde van eiser reeds bij brief van 9 februari 2018 een bezwaarschrift feitelijke uitzetting en verzoek tot schorsing van het terugkeerbesluit heeft ingediend bij verweerder.

Meerdere aanvragen voor een verblijfsvergunning ingediend

8. Voor wat betreft artikel 5.1b, vierde lid, onder b, Vb 2000 heeft eiser aangevoerd dat de door hem ingediende aanvragen volstrekt legitieme aanvragen zijn geweest die hij – noodgedwongen door het Nederlandse rechtssysteem – zo moest voeren. Daarbij dient volgens eiser te worden meegewogen dat hij met zijn gezin inmiddels 19 jaar in Nederland woont en dat de periode voor het grootste deel gedekt zijn door rechtmatig verblijf. Nu door eiser expliciet wordt erkend dat hij meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid, behoeft deze grond geen nadere motivering en blijkt daaruit naar het oordeel van de rechtbank het risico tot zijn onttrekking aan het toezicht en dat hij daarmee ontwijkt/belemmert hij de voorbereiding van vertrek en dat de vertrekprocedure eindeloos lang duurt. Daarbij is van belang dat eiser niet uitdrukkelijk aanvoert dat en waarom in deze lichte grond in zijn geval geen risico op onttrekking aan het toezicht dan wel belemmering of ontwijking van de uitzettingsprocedure is gelegen. De rechtbank volgt niet dat in dit verband dient te worden meegewogen dat hij al 19 jaar hier te lande met zijn gezin verblijft. Wel dient deze omstandigheid bij de belangenafweging bij het opleggen van de maatregel van bewaring door verweerder te zijn betrokken.

9. Wat eiser heeft aangevoerd geeft, gelet op het vorenstaande, geen aanleiding de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten. De rechtbank komt derhalve niet tot het oordeel dat verweerder onvoldoende grond resteert om aan eiser een maatregel van bewaring op te leggen. De door verweerder aangevoerde zware en lichte gronden zijn juist en kunnen de maatregel van bewaring in beginsel dragen. Naar het oordeel van de rechtbank kan door verweerder op basis van deze (resterende) gronden, die door voldoende zorgvuldig onderzoek en deugdelijke motivering worden gedragen, worden aangenomen dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken, of de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.

Belangenafweging / Lichter middel

10. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat in het kader van de belangenafweging bij vreemdelingenbewaring de ingebrachte medische en sociaal maatschappelijke informatie wordt betrokken waaruit – kort gezegd – volgt dat zijn echtgenote hulpbehoeftig is, niet alleen van de zorginstanties ook van hem. Voorts dient volgens eiser te worden betrokken dat door de Afdeling op 12 januari 2018 een zitting is gehouden waarbij de uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, Vw 2000 voor (delen van) Afghanistan aan de orde is gekomen en waarvoor in afwachting van een uitspraak van de Afdeling meerdere voorlopige voorzieningen zijn toegewezen. Ook wijst eiser hierbij op het hoger beroep dat hij bij de Afdeling heeft ingesteld tegen de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 29 januari 2018 en het verzoek dat daarbij is gedaan om het terugkeerbesluit van 16 maart 2004 te schorsen. Tot slot wijst eiser er op dat de (Europese) wetgever er vanuit is gegaan dat de uitoefening van de bevoegdheid tot inbewaringstelling tot het noodzakelijke beperkt en zo kort mogelijk van duur dient te blijven. Volgens eiser is niet gebleken dat verweerder rekening heeft gehouden dat daarbij de eenheid van het gezin en het gezinsleven met respect dienen te worden afgewogen.

11. Voor zover eiser met het beroep op een belangenafweging bij vreemdelingenbewaring, naast de aanwezigheid van voldoende gronden die de maatregel van bewaring kunnen dragen, ook bedoelt dat verweerder vanwege zijn persoonlijke omstandigheden met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, is de rechtbank van oordeel dat uit de maatregel van bewaring en het formulier M119 kan worden afgeleid dat verweerder eiser voorafgaand aan de oplegging hiervan in de gelegenheid heeft gesteld bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot zijn persoonlijke belangen aan te voeren, die de oplegging van de maatregel in zijn geval onevenredig maken. Eiser heeft aangevoerd ziek te zijn en last te hebben van zijn darmen, nieren, een hoge bloeddruk en maagklachten. Uit de overgelegde brief van zijn huisarts R.C.A. Rasenberg van 22 januari 2018 blijkt dat eiser onder behandeling is voor onder andere forse hypertensie, duizeligheid en een reactief depressief beeld. Verder heeft eiser aangevoerd dat zijn hele familie (echtgenote, 5 kinderen, 9 kleinkinderen, 1 broer en 2 zussen) rechtmatig in Nederland woont, hij zijn familie niet in Nederland wil achterlaten en terugkeren naar Afghanistan. Bovendien voert eiser aan dat hij niet uit Nederland zal vertrekken zolang de Nederlandse overheid niet kan bewijzen dat hij mensenrechten heeft geschonden en zich schuldig heeft gemaakt aan artikel 1(F) Vlv. Daarnaast geeft eiser aan dat hij niet veilig is in Afghanistan. Tot slot heeft eiser verklaard dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) zijn mensenrechten heeft geschonden doordat twee IND-medewerkers zijn handtekening hebben vervalst in 2007, zodat hij geen vertrouwen meer heeft in de Nederlandse overheid.

12. Bij de beantwoording of met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder. Een verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het HvJ-EU) in de zaak Mahdi tegen Bulgarije (ECLI:EU:C:2014:1320) en in navolging daarvan de uitspraken van de Afdeling van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309).

13. Uit de maatregel van bewaring en het formulier M119 volgt dat verweerder – in overeenstemming met de vereisten die voortvloeien uit het Mahdi-arrest – hetgeen eiser naar voren heeft gebracht ten aanzien van zijn persoonlijke belangen, kenbaar bij de belangenafweging heeft betrokken. Bij de afweging door verweerder of op eiser een afdoende minder dwingende maatregel doeltreffend is toe te passen, heeft verweerder, naast de (resterende) gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, terecht in dit geval betrokken dat tot op heden in diverse vreemdelingrechtelijke procedures onherroepelijk is geoordeeld dat op basis van zorgvuldige gemaakte afwegingen door de Nederlandse overheid aan eiser artikel 1(F) Vlv kan worden tegengeworpen omdat hij een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde en de openbare veiligheid, dat vanwege het door hem bij herhaling aangegeven niet te willen vertrekken er geen andere mogelijkheid is om zijn vertrek te bewerkstelligen dan middels een inbewaringstelling ter fine van een gedwongen uitzetting, alsook dat door eiser niet overtuigend is gesteld dat een minder dwingende maatregel voor de daadwerkelijke effectuering van diens vertrek kan volstaan. Verweerder heeft zich daarbij terecht op het standpunt gesteld dat de door eiser genoemde omstandigheden de oplegging van de maatregel van bewaring niet onevenredig bezwarend maken. Zo beletten de door eiser aangevoerde medische omstandigheden de inbewaringstelling niet, omdat er in het detentiecentrum voor hem voldoende medische zorg aanwezig is. Verder is gesteld noch gebleken dat in Afghanistan een medische noodsituatie zal ontstaan omdat aldaar voor eiser onvoldoende medische zorg aanwezig zou zijn. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser aangegeven dat de gezondheidssituatie van de echtgenote van eiser sterk is verslechterd na de inbewaringstelling van eiser en dat deze humanitaire omstandigheid niet eerder door verweerder is gezien. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting terecht opgemerkt dat het niet de gezondheidssituatie van eiser betreft en voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij de belangenafweging terecht heeft betrokken dat niet is gebleken dat zijn familie afhankelijk is van eiser. Immers, de echtgenote en zelfstandige kinderen van eiser zijn genaturaliseerd tot Nederlander en ondersteund door zorginstellingen kunnen de kinderen de echtgenote van eiser, hun moeder, mantelzorg verlenen. Uit deze afweging maakt de rechtbank op dat verweerder het gezinsleven van eiser wel degelijk met respect heeft betrokken, maar dat aan de eenheid van het gezin geen doorslaggevende waarde is toegekend. Naast dat verweerder in het bestreden besluit een belangenafweging heeft gemaakt, is ook door verweerder uitgebreid aan artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) getoetst bij het opleggen van het zware inreisverbod aan eiser. Daarnaast is gebleken dat door verweerder bij de belangenafweging is betrokken dat eiser bij uitzetting naar Afghanistan geen reëel risico loopt op schending van artikel 3 EVRM. Hierbij acht de rechtbank tevens van belang dat vooralsnog door de Afdeling geen uitspraak is gedaan waaruit volgt dat gedwongen uitzetting naar (delen van) Afghanistan niet mogelijk zou zijn vanwege een uitzonderlijke situatie aldaar, zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, Vw 2000. Bovendien is in het geval van eiser geen sprake van een toegewezen voorlopige voorziening (door een voorzieningenrechter van deze rechtbank in afwachting van een uitspraak van de Afdeling in dit verband dan wel van de voorzieningenrechter van de Afdeling vanwege de inhoud van het hoger beroepschrift alsmede de humanitaire omstandigheden) op grond waarvan het aan hem reeds op 16 maart 2004 uitgevaardigde terugkeerbesluit is geschorst. Ook verweerder heeft in reactie op het bezwaarschrift en verzoek tot schorsing van het terugkeerbesluit van 9 februari 2018 nog geen beslissing met een dergelijke strekking genomen. Tot slot blijkt uit het vreemdelingenrechtelijke dossier van eiser niets dat de stelling ondersteund dat zijn mensenrechten zouden zijn geschonden doordat twee medewerkers van de IND zijn handtekening hebben vervalst.

14. Nu evenmin is gebleken van andere omstandigheden die detentie voor eiser onevenredig bezwarend maken, is de rechtbank is van oordeel dat verweerder zich – gelet op het vorenstaande - terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat in het geval van eiser geen plaats is voor een lichter middel omdat geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast.

Zicht op uitzetting / Voortvarendheid

15. Voor zover eiser betoogt dat de bewaring zo kort mogelijk van duur is, overweegt de rechtbank dat uit artikel 15, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn volgt dat bewaring alleen kan ter voorbereiding op de terugkeer of verwijdering van de onderdaan van een derde land jegens wie een terugkeerprocedure loopt (het redelijk vooruitzicht op verwijdering binnen afzienbare tijd) en dat de bewaring zo kort mogelijk is en niet langer duurt dan de voortvarend uitgevoerde voorbereiding van de verwijdering (voldoende voortvarendheid). Met betrekking tot het vereiste van een redelijk vooruitzicht op verwijdering binnen afzienbare tijd oordeelt de rechtbank dat het zicht op uitzetting naar Afghanistan thans niet ontbreekt. Zo is gebleken dat eiser beschikt over een geldig reisdocument op basis waarvan hij uitgezet kan worden en dat de Afghaanse autoriteiten al hebben laten weten aan de DT&V dat hij kan worden uitgezet, zodat voor hem een Europees reisdocument kan worden aangemaakt en een vlucht worden aangevraagd. Ter zitting heeft verweerder medegedeeld dat er een vlucht is aangevraagd, maar dat het in dit geval iets langer duurt omdat er een escorte nodig is voor de effectuering van het vertrek van eiser. Gebleken is dat eiser consequent heeft verklaard niet te gaan voldoen aan de vertrekplicht, maar dat hij niet heeft bestreden dat verweerder voldoende voortvarend handelt teneinde zijn uitzetting te kunnen effectueren. Verder is uit de gedingstukken is gebleken dat eiser op 2, 6 en 8 februari 2018 vertrekgesprekken heeft gehad met de regievoerder.

16. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van mr. B.J. Groothedde, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2018.

griffier rechter

Afschrift digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.