Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:1504

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-02-2018
Datum publicatie
15-02-2018
Zaaknummer
NL17.12056
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft, onder verwijzing naar het EASO-rapport over de veiligheidssituatie in Afghanistan van december 2017, terecht geconcludeerd dat de door eiseres aangehaalde informatie uit het algemeen ambtsbericht over Afghanistan van november 2016 en van VluchtelingenWerk Nederland van 24 november 2017, hoewel daaruit blijkt dat veiligheidssituatie in de provincie Ghazni in het geheel zorgelijk is en verder is verslechterd, geen grond biedt voor de conclusie dat eiseres in de directe woonomgeving van haar echtgenoot, in de omgeving van het dorp [dorp] in het district Khwaja Umari, behoort tot een kwetsbare minderheidsgroep. Daaruit kan tevens worden geconcludeerd dat er geen grond is voor het oordeel dat eiseres bij terugkeer naar dat gebied, wegens haar aanwezigheid aldaar, een reëel risico loopt op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld, zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, Vw.

In het EASO-rapport van december 2017 wordt weliswaar vermeld dat de Taliban zelf stelt dat zij de controle hebben over 60 procent van het district Khwaja Umari, maar ook dat het districtscentrum in handen is van de overheid. De omstandigheid dat de Taliban aan invloed wint, heeft verweerder op zichzelf terecht onvoldoende geacht om te concluderen dat daarom thans sprake is van de uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, Vw. Verweerder heeft terecht doorslaggevende betekenis toegekend aan de informatie over het aantal geweldsincidenten waarvan burgers, of Hazara’s in het bijzonder, slachtoffer zijn geworden, dat in het leefgebied van de echtgenoot van eiseres relatief gering is.

Zoals verweerder nader heeft toegelicht, betrekt hij bij zijn beoordeling of een vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw ook de binnenlandse reisroute naar het herkomstgebied, als de vreemdeling onderbouwd betoogt dat het voor hem onmogelijk is om zijn herkomstgebied te bereiken zonder zich bloot te stellen aan een reëel risico op ernstige schade vanwege de algehele veiligheids- of mensenrechtensituatie in het gebied dat hij moet doorkruisen om zijn herkomstgebied te bereiken.

Verweerder heeft onder verwijzing naar het rapport van het EASO van december 2017 op goede gronden geconcludeerd dat niet aannemelijk is dat eiseres op doorreis naar het herkomstgebied een reëel risico op ernstige schade loopt en dat zij het herkomstgebied niet op een andere, veilige wijze kan bereiken. Uit het EASO-rapport blijkt niet dat de snelweg van Kabul naar Kandahar dermate gevaarlijk is, dat eiseres, enkel vanwege het gebruik daarvan, een reëel risico op ernstige schade loopt. De snelweg loopt voor het grootste deel door de relatief veilige districten Maydan Shahr en Saydabad. Hoewel in het EASO-rapport enkele ontvoeringen worden gemeld op deze snelweg, blijkt niet dat eiseres behoort tot de personen met een verhoogde kans om doelwit te worden van de ontvoeringen. Doelwit van zes incidenten op die snelweg waren mijnenruimers, bouwvakkers en bevoorradingskonvooien. Eiseres heeft die informatie niet gemotiveerd bestreden. Uit het door eiseres aangehaalde rapport van het Australische Department of Foreign Affairs and Trade van september 2017 blijkt dat het aantal ontvoeringen afneemt. De veronderstelling dat het waarschijnlijk is dat Hazara’s worden geselecteerd voor ontvoering of geweld als een voertuig wordt gestopt, vindt geen steun in de in het EASO-rapport beschreven incidenten van ontvoeringen.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.12056


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 februari 2018 in de zaak tussen

[eiseres] ,

geboren op [geboortedatum 1] , van Afghaanse nationaliteit,

eiseres,

mede namens haar minderjarige kinderen

[naam 1] ,

geboren op [geboortedatum 2] ,

van Afghaanse nationaliteit, en

[naam 2] ,

geboren op [geboortedatum 3] ,

van onbekende nationaliteit,

(gemachtigde: mr. R.P. van Empel-Bouman),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: mr. J.J. Balfoort).


Procesverloop
Bij besluit van 2 november 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van haar verzoek om een voorlopige voorziening (de zaak met nummer NL17.12057) en het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening van haar echtgenoot (de zaken met de nummers NL17.12054 en NL17.12055), plaatsgevonden op 5 december 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen een nader stuk in het geding te brengen. Bij bericht van 5 december 2017 heeft verweerder dat stuk aan het dossier toegevoegd. Bij bericht van 7 december 2017 heeft eiseres daarop gereageerd en voorts een aanvullend standpunt ingenomen.

Bij brief van 14 december 2017 heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op het aanvullende standpunt van eiseres en daartoe een aantal vragen aan verweerder voorgelegd. Bij brief van 5 januari 2018 heeft verweerder de vragen van de rechtbank beantwoord. Bij brief van 15 januari 2018 heeft eiseres daarop gereageerd.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten, met toestemming van partijen zonder het houden van een nadere zitting.

Overwegingen

1. Eiseres heeft eerder, op 27 december 2015, een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft die aanvraag bij besluit van 25 mei 2016 afgewezen. Bij uitspraak van 23 juni 2016 (AWB 16/11478) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 9 augustus 2016 (201605071/1/V2) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

2. Eiseres heeft bij haar nieuwe aanvraag naar voren gebracht dat haar vader is vermoord. Zij heeft documenten overgelegd om dat te onderbouwen. Daarnaast heeft zij gesteld dat zij tijdens de ontvoering, waarover zij in haar eerste asielprocedure heeft verklaard, seksueel is misbruikt. Verder heeft zij naar voren gebracht dat de veiligheidssituatie in Afghanistan is verslechterd.

3. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres niet-ontvankelijk verklaard omdat volgens verweerder geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van haar aanvraag. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat van de overgelegde documenten over de dood van haar vader de authenticiteit niet kan worden vastgesteld, nu eiseres deze documenten alleen in kopie heeft overgelegd. Zij heeft deze documenten ook eerder kunnen overleggen. Voorts hebben de stukken volgens verweerder betrekking op haar eerdere asielrelaas, dat ongeloofwaardig is bevonden. Ook haar verklaring over seksueel misbruik heeft betrekking op haar eerdere asielrelaas, dat ongeloofwaardig is bevonden. Volgens verweerder had zij hierover ook in haar eerste asielrelaas kunnen verklaren.
De algemene informatie over de veiligheidssituatie in Afghanistan, en Ghazni in het bijzonder, leidt volgens verweerder niet tot het oordeel dat sprake is van een wezenlijke

verslechtering dan wel een situatie als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4. Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte de documenten in verband met de dood van haar vader niet heeft aangemerkt als rechtens relevante nieuwe elementen of bevindingen om de reden dat de authenticiteit van die documenten niet kan worden vastgesteld. Eiseres meent dat zij alles heeft gedaan wat van haar kon worden verwacht om te voldoen aan haar plicht om de authenticiteit van de overgelegde documenten aan te tonen. Het gaat om medische stukken. Op de kopieën die daarvan zijn verstrekt is het stempel geplaatst dat dit kopieën zijn conform originelen. Sommige documenten worden per definitie alleen in de vorm van een kopie verstrekt. In dat verband verwijst eiseres naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 18 augustus 2017 (NL17.5555 en NL17.6123).
Eiseres voert verder aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het gegeven dat zij zich er niet toe heeft kunnen zetten om zelf kennis te nemen van de inhoud van de overgelegde documenten, afdoet aan de relevantie van die documenten.

4.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat aan de hand van kopieën de authenticiteit van overgelegde documenten niet kan worden vastgesteld. Onder verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling, onder meer de uitspraak van 23 mei 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:4709; www.raadvanstate.nl), stelt verweerder dat die documenten daarom niet kunnen worden aangemerkt als nieuwe elementen of bevindingen. Het ligt op de weg van eiseres om de authenticiteit van de documenten aan te tonen. Voorts is uit navraag bij Bureau Documenten gebleken dat onvoldoende vergelijkingsmateriaal beschikbaar is, om medische documenten succesvol te kunnen onderzoeken.

Ter zitting heeft verweerder naar voren gebracht niet langer aan eiseres tegen te werpen dat zij de documenten eerder had kunnen overleggen. Voorts heeft hij nader toegelicht dat in het bestreden besluit ten onrechte is vermeld dat eiseres een kopie van een overlijdensakte heeft overgelegd. Verweerder stelt zich thans op het standpunt dat van eiseres verwacht had mogen worden dat zij een overlijdensakte van het gestelde overlijden van haar vader had overgelegd.

4.2

Voor zover er al vanuit gegaan kan worden dat de door eiseres overgelegde kopieën conform het origineel zijn, zoals zij onder verwijzing naar het op de kopieën geplaatste stempel heeft betoogd, heeft zij daarmee de authenticiteit van de documenten nog niet aangetoond. Ook verweerder kan die authenticiteit niet laten vaststellen, nu Bureau Documenten aan hem kenbaar heeft gemaakt niet te beschikken over referentiemateriaal om de documenten te kunnen onderzoeken. Anders dan in de zaak die heeft geleid tot de door eiseres aangehaalde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 18 augustus 2017, is daarom in dit geval nader onderzoek naar de in kopie overgelegde documenten niet mogelijk. Nu de authenticiteit van de documenten niet is komen vast te staan, heeft verweerder zich reeds daarom terecht op het standpunt gesteld dat die documenten niet kunnen worden aangemerkt als nieuwe elementen of bevindingen. Daarbij komt dat verweerder niet ten onrechte het bevreemdend heeft geacht dat eiseres zelf de inhoud van de stukken niet heeft gelezen en niet weet wat de inhoud van de stukken is. Verweerder heeft niet ten onrechte van eiseres kunnen verwachten, indien zij stelt dat haar vader is vermoord en dat zij om die reden problemen verwacht bij terugkeer naar Afghanistan, zij zoveel mogelijk te weten zou willen komen over de toedracht van de dood van haar vader. Haar stelling dat zij emotioneel was vanwege de dood van haar vader, maakt dat niet anders.

Voorts is van belang dat verweerder ook de inhoud van de documenten bij zijn beoordeling heeft betrokken en ook op grond daarvan heeft geconcludeerd dat geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen. In dat verband heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet is onderbouwd dat een verband bestaat tussen de gestelde moord op de vader van eiseres en de gestelde belaging door de familie met wie hij problemen had. Verweerder heeft daarbij terecht verwezen naar de eerdere asielprocedure van eiseres, waarin is geoordeeld dat verweerder de belaging door de vijandige familie niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht.

De beroepsgrond slaagt niet.

5. Eiseres verwijst voorts naar de asielprocedure van haar broer en de minuut behorende bij het besluit op zijn asielaanvraag, die verweerder - alsnog - aan het dossier heeft toegevoegd. Verweerder heeft bij dat besluit aan haar broer wel een verblijfsvergunning asiel verleend. Zij voert aan dat verweerder nu haar asielverzoek inhoudelijk moet beoordelen, omdat uit de minuut blijkt dat verweerder het asielrelaas van haar beide broers wel geloofwaardig heeft geacht en de moord op haar vader een logisch vervolg is op de geloofwaardig geachte incidenten.

Subsidiair voert zij aan dat verweerder de in de zaak van haar broer geloofwaardig geachte incidenten had moeten betrekken bij de beoordeling van haar aanvraag, omdat zij behoort tot een kwetsbare minderheidsgroep in Afghanistan. Daardoor is het niet noodzakelijk dat het individualiseringsvereiste zich beperkt tot wat zij persoonlijk heeft ondervonden. Verweerder moet meewegen wat personen in haar naaste omgeving, zoals haar broer, aan mensenrechtenschendingen hebben ondervonden.

5.1

Verweerder heeft hetgeen bekend is uit de asielprocedure van de broer van eiseres, en meer specifiek uit de minuut behorend bij het besluit op zijn asielaanvraag, terecht niet aangemerkt als nieuwe elementen of bevindingen, reeds omdat blijkens de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 23 juni 2016 de inhoud van die minuut al is betrokken bij de beoordeling in de eerste asielprocedure van eiseres.

Zoals de rechtbank ook in de hiervoor genoemde uitspraak heeft overwogen, heeft verweerder in de zaak van de broer van eiseres niet geloofwaardig geacht dat de incidenten waarover hij heeft verklaard, en die verweerder wel geloofwaardig heeft bevonden, verband houden met de problemen van zijn vader. Uit de minuut blijkt verder dat verweerder de verklaringen van de broer van eiseres over de problemen van zijn vader, waarover eiseres ook heeft verklaard in haar eerste asielprocedure, niet geloofwaardig heeft geacht. Er is daarom geen grond voor de conclusie dat de gestelde moord op de vader van eiseres een vervolg is op de geloofwaardig geachte incidenten in de zaak van de boer van eiseres. Ook in die zin is daarom geen sprake van nieuwe elementen of bevindingen.

De omstandigheid dat eiseres afkomstig is uit een gebied in Afghanistan waarin zij als Hazara behoort tot een kwetsbare minderheidsgroep, is evenmin een nieuw element of bevinding. In de eerste asielprocedure van eiseres is immers al aangenomen dat zij behoort tot een kwetsbare minderheidsgroep. In die procedure is ook betrokken, zoals hiervoor overwogen, dat verweerder een aantal incidenten waarover haar broer heeft verklaard geloofwaardig heeft bevonden. Daarbij is met name van belang dat de rechtbank in de hiervoor genoemde uitspraak heeft geoordeeld dat verweerder kan worden gevolgd in zijn standpunt dat eiseres haar echtgenoot kan volgen naar zijn woongebied in Afghanistan, de provincie Ghazni, waar de Hazara geen kwetsbare minderheidsgroep zijn.

De beroepsgrond slaagt niet.

6. Eiseres verwijst verder naar de brief van haar psychiater bij GGZ Drenthe van 21 september 2017, waarin wordt verklaard dat zij onder behandeling staat vanwege psychische klachten, die volgens de verklaring van de behandelaar bestaan sinds de ontvoering en mishandeling in het land van herkomst. Eiseres voert aan dat verweerder heeft miskend dat zij hiermee een onderbouwing heeft gegeven van haar verklaring dat zij is verkracht tijdens haar ontvoering. Voorts heeft verweerder volgens eiseres miskend dat zij in heer eerste procedure al duidelijk kenbaar heeft proberen te maken dat zij is verkracht, ook al heeft zij daar niet met zoveel woorden over gesproken.

6.1

De verklaringen van eiseres dat zij tijdens de ontvoering, waarover zij in haar eerste asielprocedure heeft verklaard, is verkracht, heeft verweerder terecht niet aangemerkt als nieuwe elementen of bevindingen. Voor zover zij kan worden gevolgd in haar stelling dat zij in het nader gehoor van haar eerste procedure al summier heeft duidelijk gemaakt dat sprake is geweest van seksueel misbruik, had zij in die procedure kunnen aanvoeren dat verweerder die verklaring niet als zodanig in zijn beoordeling van haar asielrelaas heeft betrokken. Dat heeft zij niet gedaan. De brief van de GGZ Drenthe kan evenmin worden aangemerkt als een nieuw element of bevinding, nu daaruit niet blijkt dat zij is verkracht. Voor zover de behandelaar van eiseres in het kader van haar behandeling uitgaat van haar verklaringen dat zij is ontvoerd en mishandeld, doet dat op zichzelf niet af aan de motivering door verweerder in de eerste asielprocedure op grond waarvan hij de verklaringen van eiseres over de ontvoering niet geloofwaardig heeft geacht. Verweerder heeft daarom terecht verwezen naar zijn besluit in de eerste asielprocedure, waarin hij het asielrelaas, waaronder de gestelde ontvoering, niet geloofwaardig heeft bevonden.
De beroepsgrond slaagt niet.

7. Eiseres voert verder aan dat sinds haar eerste asielprocedure de algemene situatie in Afghanistan, en meer specifiek de situatie van Hazara, in Afghanistan is verslechterd, waardoor verweerder zich moet afvragen of inmiddels sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van Richtlijn 2011/95/EU (PB 2011 L 337; de Kwalificatierichtlijn). Eiseres handhaaft haar standpunt dat de situatie in Afghanistan nog steeds slechter wordt, sinds het einde van haar vorige procedure. De bij de zienswijze overgelegde rapporten zien in dit verband op informatie van na haar vorige procedure en ook van na de in het bestreden besluit vermelde uitspraken. Recent hebben ook weer aanslagen plaatsgevonden en kennelijk is de situatie weer dusdanig dat de NAVO uitbreiding van het aantal buitenlandse troepen in Afghanistan noodzakelijk acht. Eiseres verwijst daartoe naar het (ongedateerde) bericht ‘Foreign Troops In Afghanistan To Increase To 16,000: NATO Chief.’1

In haar aanvullende reactie van 6 december 2017 verwijst eiseres verder naar de ‘Veel gestelde vragen - Positie van Hazara’s in Ghazni, Kabul en overige Afghaanse provincies’ van VluchtelingenWerk Nederland (VWN) van 24 november 2017, en de daarin aangehaalde bronnen. Daarin wordt onder meer erop gewezen dat uit het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Afghanistan van november 2016 blijkt dat het in gebieden met een niet-homogene bevolkingssamenstelling voor Hazara’s minder veilig is in de delen waar zij de minderheid vormen. Daarom is bij de beoordeling van de feitelijke kwetsbaarheid en het reizen naar het herkomstgebied volgens VWN van belang de invloed van de Taliban in het gebied te beoordelen. Volgens het ambtsbericht van november 2016 is de provincie Ghazni de meest onveilige provincie in de centrale regio, waarbij een aantal districten al tientallen jaren onder controle van de Taliban staat. Inwoners van Ghazni menen dat de veiligheidssituatie in 2016 verder is verslechterd, onder andere door toegenomen gewelddadige confrontaties tussen de Taliban en pro-overheidstroepen.
Uit het ambtsbericht blijkt voorts dat voor Hazara’s vooral de wegen tussen Kabul en Ghazni, Kabul en Daikundi en Kabul en Bamyan zeer gevaarlijk zijn. Uit de verwijzing naar een rapport van het Australische Department of Foreign Affairs and Trade (DFAT) van september 2017 blijkt dat Hazara’s die reizen naar en van de Hazarajat (een aaneengesloten gebied dat zich over meerdere provincies uitstrekt, met name Bamyan, Daikundi en een deel van Ghazni en Wardak), in het bijzonder risico lopen op ontvoering en geweld.

In haar aanvullende reactie van 15 januari 2018 verwijst eiseres naar het artikel ‘Taliban Rules, Decrees, Laws and Prohibitions; Original List of Prohibitions and Decrees, Afghanistan, 1996’ van 13 juni 20172, ter nadere onderbouwing van haar standpunt dat zij en haar kinderen zich bij terugkeer zullen moeten onderwerpen aan de strikte leefregels van de Taliban. Daardoor loopt volgens eiseres in elk geval scholing van haar dochter gevaar.
Het district waar de echtgenoot van eiseres vandaan komt, ligt aan de rand van het door Hazara’s bevolkte gebied, waar de populatie veel gemengder is en waar in de omringende districten een aanzienlijke aanwezigheid van de Taliban is.
Eiseres wijst voorts op de ‘Eligibility Guidelines for Assessing the International Protection Needs of Asylum-Seekers from Afghanistan’ van de UNHCR van 19 april 20163, waarin staat dat er meldingen zijn van marteling of moord van terugkeerders uit het westen door anti-overheidselementen (AGE’s), zoals de Taliban. Ook wijst zij op het jaarrapport van het US Department of State over terrorisme in Afghanistan in 2016 van 19 juli 20174 en een artikel van de Long War Journal van mei 2017.

7.1

De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit de door eiseres bij haar zienswijze overgelegde rapporten ter onderbouwing van haar standpunt dat de veiligheidssituatie in Afghanistan is verslechterd in zijn beoordeling heeft betrokken. Het gaat om het rapport van Amnesty International, “Forced back to danger - Asylum-Seekers returned from Europe to Afghanistan” van 5 oktober 2017, een brief van Defence for Children van 28 september 2017 en een rapport van Human Rights Watch van 17 oktober 20175. Verweerder heeft daarbij verwezen naar de uitspraken van de Afdeling van 20 oktober 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2731) en 30 december 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3513), waarin is geoordeeld dat in Afghanistan geen sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Verweerder heeft ook verwezen naar de beslissing van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 16 mei 2017, M.M. tegen Nederland, no. 15993/09 (ECLI:CE:ECHR:2017:0516DEC001599309).
Voorts heeft verweerder verwezen naar de eerdere asielprocedure van eiseres, waarin in rechte is komen vast te staan dat de situaties voor Hazara’s in Ghazni niet dusdanig is dat moet worden aangenomen dat eiseres hierdoor een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM.

Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de in het rapport van Amnesty International opgenomen cijfers zien op de periode tot en met het jaar 2016. Voorts wordt in die stukken voornamelijk verwezen naar bronnen die gedateerd zijn vóór de beslissing van het EHRM van 16 mei 2017, zodat het EHRM die informatie reeds bij zijn oordeel over de situatie in Afghanistan heeft betrokken. Voor zover in de stukken van Amnesty International bronnen zijn genoemd die gedateerd zijn na de hiervoor bedoelde beslissing van het EHRM, heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat daaruit niet blijkt dat sinds die datum sprake is van een zodanige verslechtering van de veiligheidssituatie in Afghanistan dat thans wel sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de bronnen waarnaar in de brief van Defence for Children van 28 september 2017 wordt verwezen veelal verouderd zijn en niet specifiek zien op de zaak van eiseres en haar kinderen. Dat Defence for Children het niet in het belang van de kinderen acht dat zij terug moeten keren naar Afghanistan maakt de afweging in de vorige asielprocedure niet onjuist. Verweerder heeft daarbij opgemerkt dat het gezin samen Nederland dient te verlaten waardoor geen sprake is van een scheiding tussen kinderen en ouders. Daarbij heeft verweerder voorts van belang geacht dat het gaat om zeer jonge kinderen, waarbij geen sprake is van zeer bijzondere omstandigheden die tot een andere afweging zouden moeten leiden.

Verder heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het rapport van Human Rights Watch, dat gaat over de toegang tot scholing voor meisjes, evenmin leidt tot een ander oordeel, nu in de eerste plaats uit dit rapport niet blijkt dat er geen mogelijkheid tot scholing is in Afghanistan voor meisjes. Dit rapport beschrijft uitsluitend de beperkingen ten aanzien van scholing in Afghanistan voor meisjes. Verweerder ziet daarom niet in hoe dit rapport betrekking heeft op de persoonlijke situatie van de dochter van eiseres. Het enkele feit dat er beperkingen zijn in de toegang tot educatie voor meisjes en dat de dochter van eiseres een Afghaans meisje is dat in de schoolgaande leeftijd komt, geeft volgens verweerder onvoldoende aanleiding om te concluderen tot schending van het recht op onderwijs.

Eiseres heeft in beroep niet nader toegelicht waarom voormelde reactie van verweerder op de door haar bij haar zienswijze overgelegde rapporten niet juist is. Er is daarom geen grond voor het oordeel dat verweerder die rapporten onvoldoende gemotiveerd bij zijn beoordeling heeft betrokken.

Dat de NAVO heeft besloten tot uitbereiding van de militaire inzet in Afghanistan, betekent op zichzelf niet dat thans sprake is van een uitzonderlijke situatie in Afghanistan waarin elke burger een reëel risico loopt willekeurig slachtoffer te worden van het oorlogsgeweld. Uit het door eiseres overgelegde nieuwsbericht blijkt dat de militairen juist worden ingezet om de burgerbevolking te beschermen tegen aanvallen van de Taliban.

7.2

Zoals hiervoor onder 5.1 is overwogen, is in de eerste asielprocedure van eiseres in rechte komen vast te staan dat van haar kan worden verwacht dat zij haar echtgenoot volgt naar zijn woongebied in de provincie Ghazni, waar Hazara’s geen kwetsbare minderheidsgroep zijn. Er is daarom geen grond voor het oordeel dat verweerder ten onrechte niet de veiligheidssituatie in het oorspronkelijke leefgebied van eiseres, waar zij wel tot een kwetsbare minderheidsgroep behoort, in zijn beoordeling heeft betrokken, zoals zij in haar aanvullende reactie van 15 januari 2018 naar voren heeft gebracht.

7.3

In zijn reactie van 5 januari 2018 heeft verweerder, ter uitvoering van zijn nadere toelichting op zijn beleid over etnische en religieuze kwetsbare minderheidsgroepen in Afghanistan6 zoals die blijkt uit de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 20 oktober 2016, nader geduid wat hij als het leefgebied van de echtgenoot van eiseres beschouwt.

Volgens verweerder bekijkt hij de grotere leefomgeving van de etnische of religieuze groep en beziet hij aan de hand van de feitelijke situatie of die groep binnen die leefomgeving in een kwetsbare positie verkeert doordat zij door een andere groep negatief wordt bejegend. Indien in een bepaald gebied een etnische of religieuze groep niet duidelijk in de minderheid is ten opzichte van andere daar aanwezige etnische of religieuze groepen, maakt verweerder een beoordeling van de positie van de groep waartoe de vreemdeling behoort en beziet hij of die groep, wegens de etniciteit of religie van de groep, kwetsbaar is. Volgens verweerder gaat het bij het aanwijzen van een kwetsbare minderheidsgroep in de zin van voormeld beleid dan ook niet slechts om de kwantitatieve etnische en religieuze samenstelling van de bevolking in een bepaald gebied, maar ook om de vraag of de groep feitelijk kwetsbaar is doordat zij door een andere groep in de desbetreffende leefomgeving negatief wordt bejegend.

Zoals de Afdeling heeft overwogen in de hiervoor genoemde uitspraak van 20 oktober 2016, kan verweerder worden gevolgd in deze uitleg van het beleid, nu die uitleg er rekening mee houdt dat de samenstelling van de Afghaanse bevolking per provincie en district verschilt en die uitleg de feitelijke positie van een etnische of religieuze groep in aanmerking neemt.

Verweerder neemt op basis van de verklaringen van de echtgenoot van eiseres in zijn eerste asielprocedure aan dat zijn leefgebied zich vooral concentreert in [dorp] en de omliggende dorpen, die zich voornamelijk in het district Khwaja Umari bevinden en een eventueel omliggend district. De administratieve grenzen van de districten zijn hierbij niet van belang, te meer nu de spreiding van de dorpjes in dit gebied voornamelijk wordt bepaald door de vruchtbare gebieden aan de oevers van de beek. De enkele stelling van eiseres dat zij en haar echtgenoot naar verwachting het dorp zullen moeten verlaten en naar de stad moeten gaan om in hun levensonderhoud te kunnen voorzien omdat de echtgenoot van eiseres niet meer kan terugvallen op zijn familie, is onvoldoende om de vaststelling door verweerder van het leefgebied van de echtgenoot van eiseres onjuist te achten, nu zij die stelling niet heeft gestaafd. Daarbij komt dat verweerder ook de veiligheidssituatie in de omliggende districten bij zijn beoordeling heeft betrokken.

Onder verwijzing naar diverse bronnen over de bevolkingssamenstelling in Ghazni heeft verweerder vastgesteld dat in het district van de echtgenoot van eiseres de Hazara’s de grootste etnische groep vormen. Verweerder heeft daarbij betrokken dat de echtgenoot van eiseres ook zelf heeft verklaard dat het dorp [dorp] voor de meerderheid bestaat uit Hazara’s.
Verweerder heeft zich daarbij voorts op het standpunt gesteld dat niet alleen de kwantitatieve bevolkingssamenstelling van het leefgebied van de echtgenoot van eiseres, maar ook de feitelijke situatie in dat gebied, geen grond biedt voor het oordeel dat eiseres daar behoort tot een kwetsbare minderheidsgroep. Daartoe heeft verweerder verwezen naar het rapport van het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO) van december 2017.7 Over de verslagperiode van dat rapport wordt geen melding gemaakt van grote aantallen (gewelds)incidenten tegen Hazara’s in de provincie Ghazni, of het leefgebied van de echtgenoot van eiseres in het bijzonder. De meeste geweldsincidenten zijn gerapporteerd in de districten die zich ver buiten het leefgebied van de echtgenoot van eiseres bevinden. Ook in het aangrenzende district Jaghatu, in de provincie Wardak, is geen sprake van grote aantallen (gewelds)incidenten in het algemeen of tegen Hazara’s in het bijzonder. Over het district Khwaja Umari, in het leefgebied van de echtgenoot van eiseres, wordt in het rapport opgemerkt dat het een van de districten is met een betere veiligheidssituatie.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht geconcludeerd dat de door eiseres aangehaalde informatie uit het algemeen ambtsbericht over Afghanistan van november 2016 en van VWN van 24 november 2017, hoewel daaruit blijkt dat veiligheidssituatie in de provincie Ghazni in het geheel zorgelijk is en verder is verslechterd, geen grond biedt voor de conclusie dat eiseres in de directe woonomgeving van haar echtgenoot behoort tot een kwetsbare minderheidsgroep. Daaruit kan tevens worden geconcludeerd dat er geen grond is voor het oordeel dat eiseres bij terugkeer naar dat gebied, wegens haar aanwezigheid aldaar, een reëel risico loopt op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld, zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, Vw.
De stelling van eiseres dat de Taliban een groot deel van het leefgebied van de echtgenoot van eiseres controleren en in dat gebied door bedreigingen, mishandelingen en moord hun islamitische leefregels afdwingen, vindt geen steun in de door haar aangehaalde rapporten. In het hiervoor genoemde EASO-rapport van december 2017 wordt weliswaar vermeld dat de Taliban zelf stelt dat zij de controle hebben over 60 procent van het distrcit Khwaja Umari, maar ook dat het districtscentrum in handen is van de overheid. De omstandigheid dat de Taliban aan invloed wint, heeft verweerder op zichzelf terecht onvoldoende geacht om te concluderen dat daarom thans sprake is van de uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, Vw. Verweerder heeft terecht doorslaggevende betekenis toegekend aan de informatie over het aantal geweldsincidenten waarvan burgers, of Hazara’s in het bijzonder, slachtoffer zijn geworden, dat in het leefgebied van de echtgenoot van eiseres relatief gering is.

7.4

De stelling van eiseres dat zij en haar echtgenoot in Afghanistan geen familie meer hebben en dat zij zonder sociaal netwerk een reëel risico lopen om in een ontheemdensituatie terecht te komen, is onvoldoende om aan te nemen dat zij daardoor een gevaar loopt. De mogelijke problemen die zij als gevolg daarvan kan ondervinden, zijn niet van dien aard dat daarmee is voldaan aan de maatstaf die artikel 3 EVRM in dit kader stelt (zie de uitspraak van de Afdeling van 10 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:69).

7.5

Zoals verweerder nader heeft toegelicht betrekt hij bij zijn beoordeling of een vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw ook de binnenlandse reisroute naar het herkomstgebied, als de vreemdeling onderbouwd betoogt dat het voor hem onmogelijk is om zijn herkomstgebied te bereiken zonder zich bloot te stellen aan een reëel risico op ernstige schade vanwege de algehele veiligheids- of mensenrechtensituatie in het gebied dat hij moet doorkruisen om zijn herkomstgebied te bereiken (vergelijk de uitspraak van de Franse Conseil d’État van 16 oktober 2017, ECLI:FR:CECHR:2017:401585.20171016).

Verweerder erkent dat de situatie op de door eiseres te gebruiken weg om het herkomstgebied van haar echtgenoot te bereiken gevaarlijk kan zijn, zoals blijkt uit de door eiseres aangehaalde informatie uit het algemeen ambtsbericht over Afghanistan van november 2016 en het rapport van het Australische DFAT van september 2017. Verweerder heeft onder verwijzing naar het hiervoor genoemde rapport van het EASO van december 2017 echter op goede gronden geconcludeerd dat niet aannemelijk is dat zij op doorreis naar het herkomstgebied een reëel risico op ernstige schade loopt en dat zij het herkomstgebied niet op een andere, veilige wijze kan bereiken. Uit het EASO-rapport blijkt niet dat de snelweg van Kabul naar Kandahar dermate gevaarlijk is, dat eiseres, enkel vanwege het gebruik daarvan, een reëel risico op ernstige schade loopt. De snelweg loopt voor het grootste deel door de relatief veilige districten Maydan Shahr en Saydabad. Hoewel in het EASO-rapport enkele ontvoeringen worden gemeld op deze snelweg, blijkt niet dat eiseres behoort tot de personen met een verhoogde kans om doelwit te worden van de ontvoeringen. Doelwit van zes incidenten op die snelweg waren mijnenruimers, bouwvakkers en bevoorradingskonvooien. Eiseres heeft die informatie niet gemotiveerd bestreden. Uit het door eiseres aangehaalde rapport van het DFAT van september 2017 blijkt dat het aantal ontvoeringen afneemt. De veronderstelling dat het waarschijnlijk is dat Hazara’s worden geselecteerd voor ontvoering of geweld als een voertuig wordt gestopt, vindt geen steun in de in het EASO-rapport beschreven incidenten van ontvoeringen.

7.6

Uit het voorgaande volgt dat er geen grond is voor het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de veiligheidssituatie in Afghanistan, en meer in het bijzonder in het leefgebied waarnaar eiseres met haar echtgenoot zal kunnen terugkeren of op de binnenlandse route naar dat gebied, sinds de afwijzing van haar vorige asielaanvraag niet zodanig is verslechterd dat iedere burger, of een Hazara in het bijzonder, daar als gevolg van de algemene situatie een reëel risico loopt slachtoffer te worden van geweld, zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw.

De beroepsgrond slaagt niet.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van der Kluit, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Peeters, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

1 http://www.tolonews.com/afghanistan/foreign-troops-afghanistan-increase-16000-nato-chief

2 https://www.thoughtco.com/taliban-rules-decrees-laws-and-prohibitions-2352763?print

3 https://www.ecoi.net/file_upload/1930_1461054450_570f96564.pdf

4 https://www.ecoi.net/local_link/344095/487639_de.html

5 https://www.hrw.org/report/2017/10/17/i-wont-be-doctor-and-one-day-youll-be-sick/girls-access-education-afghanistan

6 Paragraaf C7/2.4.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc)

7 https://coi.easo.europa.eu/administration/easo/PLib/EASO_Afghanistan_security_situation_ 2017.pd, paragraaf 2.10, pagina 118 e.v.