Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:15034

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-12-2018
Datum publicatie
20-12-2018
Zaaknummer
C/09/563488 / HA ZA 18-1176
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voegingsincident toegewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/563488 / HA ZA 18-1176

Vonnis in incident van 19 december 2018

in de zaak van

de rechtspersoon naar vreemd recht

ADAPTIVE SPECTRUM AND SIGNAL ALIGNMENT INCORPORATED,

te California, Verenigde Staten van Amerika,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat: mr. J.D. Drok te Amsterdam,

tegen

1 KONINKLIJKE KPN N.V.,

te Rotterdam,

2. KPN B.V.,

te Rotterdam,

3. TELFORT ZAKELIJK B.V.,

te Oostrum,

4. XS4ALL INTERNET B.V.,

te Amsterdam,

gedaagden in de hoofdzaak,

verweersters in het incident,

advocaat: mr. F.W. Gerritzen te Amsterdam,

en

NOKIA SOLUTIONS AND NETWORKS NEDERLAND B.V.,

te Den Haag,

eiseres in het incident,

advocaat: mr. A. Killan te Den Haag.

Partijen zullen hierna ASSIA, KPN c.s. en Nokia genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 12 oktober 2018;

  • -

    de akte houdende overlegging producties van 21 november 2018, met producties 1 tot en met 26;

  • -

    de incidentele conclusie houdende vordering tot voeging ex art. 217 Rv;

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident van ASSIA;

  • -

    de conclusie van antwoord in het voegingsincident ex 217 Rv van KPN c.s..

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 Het geschil in het incident

2.1.

Nokia vordert dat haar wordt toegestaan zich in de hoofdzaak aan de zijde van KPN c.s. te voegen, met veroordeling van ASSIA in de daadwerkelijke kosten van dit incident. Nokia heeft ter onderbouwing van haar vordering gesteld dat zij, als leverancier van de door ASSIA aangevallen producten van KPN c.s., een (groot) belang heeft bij de uitkomst van de hoofdzaak, omdat deze rechtens en feitelijk gevolgen voor haar kan hebben. Zo heeft ASSIA in de dagvaarding gerefereerd aan een product van Nokia, dat door Nokia aan KPN c.s. wordt geleverd. Toewijzing van de vordering van ASSIA zou kunnen betekenen dat het product van Nokia als inbreukmakend wordt aangemerkt, zonder dat Nokia zich hiertegen heeft kunnen verweren. Verder acht Nokia het aannemelijk dat KPN c.s. haar schade van een eventueel inbreukverbod op Nokia zal willen verhalen.

2.2.

ASSIA voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering in het incident, met veroordeling van Nokia in de kosten van dit incident. ASSIA heeft daartoe aangevoerd - verkort weergegeven - dat Nokia geen voldoende concreet belang heeft gesteld bij haar vordering tot voeging. Daarnaast brengt toewijzing van de vordering tot voeging twee keer zo hoge kosten met zich, creëert de voeging een procedurele ongelijkheid en werkt de voeging onnodig vertragend.

2.3.

KPN c.s. steunt de incidentele vordering en concludeert tot toewijzing daarvan, met veroordeling van ASSIA in de daadwerkelijke kosten van dit incident.

2.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 De beoordeling

in het incident

3.1.

Een ieder die belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding, kan ingevolge artikel 217 Rv1 vorderen zich daarin te mogen voegen. Voor het aannemen van een zodanig belang is voldoende dat de partij die voeging vordert, nadelige gevolgen kan ondervinden van een uitkomst van de procedure die ongunstig is voor de partij aan wier zijde zij zich voegt. Onder nadelige gevolgen zijn in dit verband te verstaan de feitelijke of juridische gevolgen die de toe- dan wel afwijzing van de in die procedure ingestelde vordering of het gezag van gewijsde van in de uitspraak in die procedure gegeven eindbeslissingen zal kunnen hebben voor degene die de voeging vordert2. Aan de toewijsbaarheid kunnen niettemin de eisen van een goede procesorde in de weg staan.

3.2.

De incidentele vordering komt voor toewijzing in aanmerking. Daartoe is het volgende redengevend.

3.3.

De vordering is tijdig ingesteld en Nokia heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij een belang heeft om zich te voegen in de hoofdzaak. Nokia kan, in haar hoedanigheid van leverancier van KPN c.s., immers aansprakelijk worden gehouden voor door KPN c.s. te lijden schade als gevolg van een eventueel inbreukverbod. Anders dan ASSIA betoogt, is niet vereist dat op dit moment al duidelijk is dat dit ook daadwerkelijk zal gebeuren.

3.4.

Aan het verweer van ASSIA dat toewijzing van de vordering leidt tot een toename van de kosten van de procedure en tot procedurele ongelijkheid, wordt voorbijgegaan. Dat de kosten van ASSIA hoger uitvallen doordat zij extra werkzaamheden zal moeten verrichten en mogelijk ook doordat zij bij afwijzing van haar vorderingen in de hoofdzaak in de kosten van de voegende partij kan worden veroordeeld, kan niet aan toewijzing in de weg staan. Van procedurele ongelijkheid is geen sprake omdat het eigen aan voeging is dat de gevoegde partij haar zienswijze ten aanzien van de vorderingen in de hoofdzaak kenbaar mag maken. Dat betekent ook dat het Nokia zal zijn toegestaan producties in het geding te brengen. De rechtbank zal ter zake beslissen als na te melden. Nu daarbij wordt aangesloten bij de voor de hoofdzaak, op grond van het Versneld Regime in Octrooizaken (hierna: VRO), bij beschikking van 5 oktober 2018 vastgestelde termijnen zijn de bezwaren tegen voeging in verband met onredelijke vertraging van de VRO-procedure weggenomen. Het verweer ten slotte dat de voeging leidt tot een verdubbeling van de pleittijd, gaat niet op nu in verband met de voeging in beginsel geen extra pleittijd zal worden toegestaan.

3.5.

ASSIA zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit incident aan de zijde van Nokia. Nokia heeft een volledige proceskostenveroordeling op de voet van artikel 1019h Rv gevorderd, maar zij heeft nagelaten deze kosten te begroten en te specificeren. Bij gebreke daarvan wordt bij de vaststelling van het salaris van de advocaat aansluiting gezocht bij de liquidatietarieven civiel zoals die gelden voor uitspraken op of na 1 mei 2018, waarbij wordt uitgegaan van tarief II voor vorderingen van onbepaalde waarde. Aan proceskosten wordt dan ook een bedrag van € 543,- (1 punt x tarief € 543,-) toegewezen.

3.6.

De rechtbank ziet, gelet op de omvang van de door KPN c.s. ingediende conclusie van antwoord in het incident, waarin zij slechts aangeeft de vordering van Nokia te steunen, aanleiding om de kosten van het incident op nihil te stellen.

in de hoofdzaak

3.7.

Nu de gevorderde voeging wordt toegewezen in een VRO-zaak, zullen de in de VRO-beschikking van 5 oktober 2018 gegeven bepalingen voor zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing zijn op Nokia als gevoegde partij. Dit betekent dat Nokia op dezelfde momenten als KPN c.s. aan zet is in de procedure.

3.8.

Elke verdere beslissing wordt aangehouden.

4 De beslissing

De rechtbank

in het incident

4.1.

laat Nokia toe zich te voegen in de hoofdzaak aan de zijde van KPN c.s.;

4.2.

veroordeelt ASSIA in de kosten van dit incident;

4.3.

begroot deze kosten tot op deze uitspraak aan de zijde van KPN c.s. op nihil;

4.4.

begroot deze kosten tot op deze uitspraak aan de zijde van Nokia op € 543,-;

4.5.

verklaart dit vonnis wat de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

4.6.

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

in de hoofdzaak

4.7.

bepaalt dat de procedure wordt voortgezet overeenkomstig het bepaalde in de VRO-beschikking van 5 oktober 2018, met dien verstande dat Nokia op de (rol)zitting van woensdag 30 januari 2019 eveneens zal kunnen concluderen voor antwoord, waartoe geen verder uitstel zal worden verleend;

4.8.

bepaalt dat de in de VRO-beschikking van 5 oktober 2018 gegeven bepalingen, voor zover relevant, op overeenkomstige wijze voor Nokia van toepassing zijn;

4.9.

houdt elke verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Th. van Walderveen en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2018.

1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

2 HR 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1602 (https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2015:1602), NJ 2015/295; HR 11 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2534 (https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2015:2534), NJ 2015/369; HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:306, NJ 2017/125.