Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:14825

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-12-2018
Datum publicatie
11-01-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 2063
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom tussen (minderjarige) referente en haar zussen en broer geen sprake is van beschermingswaardig gezins- of familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/2063

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 december 2018 in de zaak tussen

[eisers 1] (hierna: [eisers 1])

geboren op [geboortedatum] 1992

[eisers 2] (hierna: [eisers 2])

geboren op [geboortedatum] 1999

[eisers 3] (hierna: [eisers 3])

geboren op [geboortedatum] 2004

tezamen eisers

(gemachtigde: mr. K. Ross),

[referente]

geboren op [geboortedatum] 2000

referente

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluiten van 15 december 2017 heeft verweerder de ten behoeve van eisers ingediende aanvragen van 7 augustus 2017 om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) afgewezen.

Bij besluit van 5 maart 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren tegen de besluiten van 15 december 2017 ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij brief van 17 oktober 2018 hebben eisers aanvullende gronden en bijlagen ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2018.

Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Tevens was referente aanwezig, bijgestaan door [X], werkzaam bij Stichting Nidos Den Haag (hierna: Nidos) en [Y], werkzaam bij Jeugdformaat. Als tolk was aanwezig M. Ogbamichael.

Verweerder is, zoals reeds aangekondigd in het verweerschrift, niet verschenen.

Overwegingen

1. Eisers en referente hebben de Eritrese nationaliteit.

Referente, zus van eisers, is op 10 oktober 2015 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eisers willen zich met referente herenigen en bij haar in Nederland verblijven op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Referente stond tot 1 november 2018 als alleenstaande minderjarige vreemdeling onder het toezicht van Nidos. Referente heeft met hulp van Nidos in 2016 mvv-aanvragen ingediend voor eisers. Deze mvv-aanvragen zijn bij besluit van 29 november 2016 afgewezen. Het daartegen ingediende bezwaarschrift is bij besluit van 19 oktober 2017 niet-ontvankelijk verklaard. Het tegen dat besluit ingestelde beroep (AWB 17/15710) is bij uitspraak van

18 juli 2018 door de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, gegrond verklaard. De rechtbank heeft het besluit van 19 oktober 2017 vernietigd en verweerder opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen. Verweerder is tegen deze uitspraak in hoger beroep gegaan, waarop ten tijde van de zitting van 1 november 2018 nog geen uitspraak is gedaan.

Op 7 augustus 2017 heeft referente ten behoeve van eisers de onderhavige mvv-aanvragen ingediend.

2.1

Verweerder heeft bij de besluiten van 15 december 2017 de aanvragen afgewezen omdat volgens verweerder geen sprake is van een beschermingswaardig gezins- of familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Daartoe heeft verweerder het volgende overwogen. Gelet op paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) neemt verweerder familie- en gezinsleven aan tussen overige naaste bloedverwanten, zoals broer of zus, mits sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Referente en eisers hebben echter niet aannemelijk gemaakt dat hiervan sprake is. Verweerder acht de verklaringen van referente voor het niet kunnen overleggen van identificerende of familierechtelijke documenten ten aanzien van eisers niet onaannemelijk, maar dit maakt volgens verweerder nog niet dat de identiteit en gezinsband is aangetoond. Verweerder wil daarnaar geen nader onderzoek doen, omdat ook indien de identiteit en familierechtelijke band aangetoond of aannemelijk zijn gemaakt, de aanvragen niet tot een inwilliging zouden leiden aangezien niet is aangetoond dat van een meer dan normale afhankelijkheidsband tussen referente en eisers sprake is, en dat referente en eisers niet zonder elkaar kunnen functioneren. De omstandigheid dat referente in Eritrea met eisers heeft samengewoond na het overlijden van hun moeder na de geboorte van hun jongste zus, en een hecht gezin met eisers vormde, duidt eerder op een gebruikelijke broer/zus relatie. Dat de oudste zus van referente, [eisers 1], geld aan haar broers en zussen stuurde vanuit Israël, maakt dit niet anders. Daar komt nog bij dat de vader van eisers en referente nog in leven is. Op grond van artikel 189 van het Eritrees Burgerlijk Wetboek krijgt de achterblijvende ouder het gezag wanneer de moeder of vader overlijdt.

Ten aanzien van de band tussen referente en [eisers 1] heeft verweerder overwogen dat niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een pleegouder/pleegkindrelatie. Ook indien referente meent dat hiervan sprake is, is deze relatie verbroken vanaf het moment dat [eisers 1] zelf ervoor gekozen heeft om Eritrea te verlaten.

2.2

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing van de aanvragen gehandhaafd. Verweerder heeft, samengevat, het volgende overwogen. De in bezwaar aangevoerde psychische omstandigheden van referente zijn niet met medische stukken onderbouwd. Er is geen medisch document overgelegd waaruit zou kunnen blijken dat referente niet in staat zou zijn om zonder eisers te functioneren. Dit blijkt ook niet uit de ontslagbrief van 22 januari 2018 van Centrum voor Kinder- en Jeugdpsychiatrie [Centrum voor Kinder- en Jeugdpsychiatrie] (hierna: [Centrum voor Kinder- en Jeugdpsychiatrie]). Uit deze brief blijkt enkel hoe referente heeft gereageerd op het negatieve besluit. [eisers 1] is al voor haar achttiende verjaardag uit Eritrea vertrokken en de overige eisers en referente blijken dus al zeven tot acht jaar zonder de fysieke aanwezigheid van [eisers 1] te kunnen functioneren. [eisers 1] kan bovendien de wijze waarop zij haar boers en zussen in die tijd heeft ondersteund, voortzetten vanuit het buitenland.

Referente is niet gehoord op het bezwaar, omdat niet valt in te zien dat een gehoor met haar zou kunnen leiden tot een ander oordeel.

3.1

Eisers voeren in beroep, samengevat, het volgende aan. Het bestreden besluit is niet zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. Het standpunt van verweerder dat er sprake is van een gebruikelijke en gangbare familierelatie tussen referente en eisers is niet juist. Het bestaan van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen referente en eisers is onderbouwd onder meer met een verklaring van Nidos van 19 januari 2018, een verklaring van de mentor van referente van Jeugdformaat van 22 januari 2018 en een verklaring van [Centrum voor Kinder- en Jeugdpsychiatrie] van 22 januari 2018. Uit deze drie deskundigenverslagen blijkt dat er een zeer duidelijk causaal verband bestaat tussen de suïcidepoging van referente en de afwijzing van de aanvragen. Gelet op de brief van [Centrum voor Kinder- en Jeugdpsychiatrie] is dan ook onjuist dat de meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie niet met een medisch document is onderbouwd. Verweerder heeft referente ten onrechte niet gehoord in bezwaar.

3.2

Bij brief van 17 oktober 2018 hebben eisers de beroepsgronden nader toegelicht. Eisers beroepen zich op de Gezinsherenigingsrichtlijn 2003/86/EG, jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) ten aanzien van artikel 8 van het EVRM, een “Kinderrechtenrapportage” van Defence for Children van 4 juli 2018, en een artikel uit Asiel&Migratierecht 2018, nr. 3. Tevens hebben eisers een brief van Nidos van 16 maart 2018, inhoudende een verklaring van [eisers 1], overgelegd. Eisers betogen dat verweerder – door bewijs te verlangen dat referente en [eisers 1] “niet zonder elkaar kunnen”, door daarnaast geen nader onderzoek te doen naar de banden tussen referente en [eisers 1] en door het hanteren van een zware bewijslast ten aanzien van de omstandigheid dat beide ouders uit beeld zijn – in strijd handelt met de zorg- en de daaruit voortvloeiende motiveringsplicht die geldt ten aanzien van het verzoek van referente als minderjarige vluchteling om gezinshereniging.

3.3

Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. Op grond van artikel 2q, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 kan Onze Minister een mvv verlenen aan de vreemdeling ten aanzien van wie is aangetoond dat hij voldoet aan de vereisten voor toegang en verlening van een verblijfsvergunning.

Op grond van artikel 8, eerste lid, van het EVRM, voor zover thans van belang, heeft een ieder recht op respect voor zijn familie- en gezinsleven. Op grond van het tweede lid is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Volgens het beleid, neergelegd in B7/3.8.1 van de Vc 2000 neemt verweerder gezinsleven aan tussen broers en zussen indien sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1

Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder eisers in hun relaas volgt dat zij met referente hebben samengewoond in Eritrea en dat [eisers 1] als oudste zus voor haar broers en zussen heeft gezorgd nadat hun moeder in 2007 is overleden, tot aan het vertrek van [eisers 1] uit Eritrea in 2010. Ook volgt verweerder het relaas dat de vader van eisers en referente in die periode wegens zijn militaire dienstplicht buiten beeld is geweest. Verder valt uit het bestreden besluit af te leiden dat verweerder het niet ongeloofwaardig acht dat [eisers 1] haar broers en zussen vanuit het buitenland financieel ondersteunde. Verweerder is echter van oordeel dat het gestelde feitencomplex niet tot de conclusie leidt dat tussen referente en eisers sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie.

5.2

Eisers stellen zich primair op het standpunt dat gezien de jurisprudentie van het EHRM over artikel 8 van het EVRM verweerder een onjuist toetsingskader heeft toegepast door de eis te stellen dat tussen eisers en referente sprake dient te zijn van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Subsidiair stellen zij zich op het standpunt dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom aan die eis niet wordt voldaan. Voorts is namens eisers erop gewezen dat in het verweerschrift niet is ingegaan op de aanvullende gronden en stukken, die met de brief van 17 oktober 2018 zijn ingediend.

5.2.1

De rechtbank is van oordeel dat uit de jurisprudentie van het EHRM (www.echr.coe.int) over artikel 8 van het EVRM – onder andere de arresten waarnaar eisers in de aanvullende beroepsgronden hebben verwezen – niet kan worden afgeleid dat voor het bestaan van familie- en gezinsleven tussen (volwassen) familieleden, niet zijnde ouders en minderjarige kinderen, het vereiste van het bestaan van "een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie” thans niet geldt. Zo heeft het EHRM in het arrest van 12 januari 2010 Khan (nr. 47486/06, punt 32) geoordeeld dat voor het aannemen van gezinsleven tussen een meerderjarig kind enerzijds en zijn ouders en broers anderzijds, het bestaan van “additional elements of dependence” nodig is. In het arrest van 17 september 2013 in de zaak F.N. tegen het Verenigd Koningrijk (nr. 2309/09, punt 36) heeft het EHRM onder verwijzing naar arresten zoals Slivenko (nr. 48321/99, punt 97) en Kwakye-Nti and Dufie (nr. 31519/96) herhaald dat voor het aannemen van gezinsleven tussen ouders en meerderjarige kinderen, of tussen volwassen broers en zussen, of tussen andere familieleden (zoals in het geval van F.N. tussen een tante en een nichtje) het aantonen van het bestaan van “additional elements of dependence” vereist is.

Weliswaar geldt het voornoemde toetsingskader blijkens de jurisprudentie van het EHRM (onder andere het arrest van 23 juni 2008, Maslov, nr. 1638/03, punt 62, en het arrest van

23 september 2010, Bousarra tegen Frankrijk, nr. 25672/07, punt 38) niet ten aanzien van de gezinsband die bestaat tussen ouders en meerderjarige kinderen die jongvolwassen zijn en nog geen eigen gezin hebben gesticht, maar een dergelijke situatie doet zich in het geval van eisers niet voor.

Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat voor de beantwoording van de vraag of tussen [eisers 1] en referente, en tussen referente enerzijds en [eisers 2] en [eisers 3] anderzijds, gezinsleven bestaat in de zin van artikel 8 van het EVRM, beoordeeld dient te worden of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid, oftewel van “more than normal emotional ties”. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 januari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:176).

Gezien het vorenstaande kan het primaire standpunt van eisers niet slagen.

5.2.2

Ten onderbouwing van hun subsidiaire standpunt hebben eisers bij brief van

17 oktober 2018 de onder 3.2 genoemde stukken overgelegd. In de “Kinderrechtenrapportage” van Defence for Children van 4 juli 2018 is onder verwijzing naar jurisprudentie van het EHRM uitvoerig betoogd dat tussen eisers en referente sprake is van beschermingswaardig gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM.

Verweerder heeft in het verweerschrift met betrekking tot de brief van 17 oktober 2018 gesteld dat de daarin aangevoerde gronden, alsmede de gronden ingediend bij brieven van 13 april 2018, 5, 6 en 9 juli 2018, veelal een herhaling betreffen van de standpunten die reeds aan het bezwaar ten grondslag zijn gelegd. Met betrekking tot het beroep van eisers op arresten van het EHRM heeft verweerder opgemerkt dat dit beroep niet kan slagen nu die arresten op de gezinsrelatie tussen het kind en zijn ouders zien.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee geen adequate reactie op de (aanvullende) beroepsgronden heeft gegeven. Verweerder is in het verweerschrift in het geheel niet ingegaan op het “Kinderrechtenrapportage” van Defence for Children van 4 juli 2018, noch heeft onderkend dat daarin ook jurisprudentie is vermeld die op het bestaan van gezinsbanden tussen andere familieleden dan de leden van de kerngezin ziet, zoals het arrest van 17 april 2012 Kopf en Liberda tegen Oostenrijk (nr. 1598/06), dat op de gezinsband tussen pleegouders en pleegkind betrekking heeft. In dat laatstgenoemde arrest (punt 35) heeft het EHRM overwogen dat ondanks dat in de regel samenwonen als een vereiste mag worden gesteld, “exceptionally other factors may also serve to demonstrate that a relationship has sufficient constancy to create de facto family ties”. Ook heeft het EHRM in dat arrest (in punt 36) verwezen naar het arrest van 27 april 2010 Moretti en Benedetti tegen Italië (nr. 16318/07, punten 49-50) waarin het bestaan van gezinsleven tussen pleegouders en pleegkind is aangenomen omdat er sprake was van “a close inter-personal bond between the applicants and the child” en “the applicants had behave in every respect like the child’s parents”.

De rechtbank is van oordeel dat gezien de voornoemde jurisprudentie verweerder bij de beoordeling of tussen [eisers 1] en referente, en referente enerzijds en [eisers 2] en [eisers 3] anderzijds, familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM bestaat, ten onrechte de nadruk heeft gelegd op de vraag of eisers en referente in staat zijn om zonder elkaar zelfstandig te functioneren. Uit de jurisprudentie van het EHRM blijkt immers niet dat van een meer dan normale afhankelijkheidsrelatie tussen broers en zussen sprake kan zijn enkel en alleen indien de aanwezigheid van het familielid noodzakelijk is voor het dagelijks functioneren van de referent(e), maar dat de vraag of sprake is van "een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie” in alle gevallen van feitelijke aard is en de beantwoording daarvan afhankelijk is van het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden. Voor de beoordeling daarvan kunnen blijkens de voornoemde jurisprudentie factoren relevant zijn zoals eventuele samenwoning, financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de gezondheid van de betrokkenen en de banden met het land van herkomst. Hieraan heeft verweerder, naar het oordeel van de rechtbank, onvoldoende aandacht besteed in de verrichte beoordeling en onvoldoende gemotiveerd waarom de door eisers en referente geschetste feiten en omstandigheden, die verweerder niet heeft weersproken, niet als bijkomende elementen van afhankelijkheid, zoals bedoeld in de jurisprudentie van het EHRM, zijn aan te merken.

Verweerder heeft zich voorts naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte op het standpunt gesteld dat ook indien sprake zou zijn van een pleegouder/pleegkindrelatie tussen [eisers 1] en referente, deze verbroken is vanaf het moment dat [eisers 1] zelf ervoor gekozen heeft om Eritrea te verlaten. Uit het arrest Kopf en Liberda tegen Oostenrijk volgt dat bij een dergelijke beoordeling bezien dient te worden of van “exceptionally other factors” sprake is waardoor aangenomen kan worden dat gezinsbanden “de facto” bestaan, ondanks het (tijdelijk) niet samenwonen. Bij deze beoordeling dienen mede de onder 3.2 genoemde documenten te worden betrokken, welke documenten ter onderbouwing van een eerder ingenomen standpunt zijn overgelegd. Daarbij dient verweerder deugdelijk in te gaan op hetgeen over de specifieke casus van referente en eisers is geschreven in het onder 3.2 genoemde artikel uit Asiel&Migratierecht 2018, nr. 3.

6. De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in dit geval geen sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM.

7. Nu hieruit volgt dat niet reeds aanstonds uit het bezwaarschrift kan worden afgeleid dat het bezwaar zonder redelijke twijfel ongegrond is, oordeelt de rechtbank dat verweerder in strijd met artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) referente niet in bezwaar heeft gehoord.

8. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit zal wegens strijd met de artikelen 7:2 en 7:12 van de Awb worden vernietigd. Verweerder zal daarom opnieuw op het bezwaar van eisers moeten beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. De rechtbank ziet geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen nu niet uit te sluiten valt dat voor het nemen van een besluit op bezwaar, nog nader onderzoek (zoals een DNA-onderzoek) nodig is.

9. Omdat het beroep gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en wegingsfactor 1). Ook moet verweerder het door eisers betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van

deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten tot een bedrag van

€ 1.002,-;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht ter hoogte van € 170,- aan eisers te

vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, rechter, in aanwezigheid van

mr. I.N. Powell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 december 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.