Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:14774

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-12-2018
Datum publicatie
19-12-2018
Zaaknummer
NL18.19784
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2019:1612, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Asielaanvraag niet-ontvankelijk. Internationale bescherming in Hongarije. Statushouders zelfde rechten en plichten als Hongaarse burgers. Eiser heeft vrees voor gestelde schending van art. 3 EVRM niet aannemelijk gemaakt. Bij voorkomende problemen kan en dient eiser te klagen bij de Hongaarse autoriteiten. Beroep ongegrond. Geen proceskostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.19784


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. A. Jhingoer),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. P.M.W. Jans).


Procesverloop
Bij besluit van 24 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorziening te treffen in afwachting van de uitkomst van zijn beroep (NL18.19785)

Het onderzoek op zitting heeft, samen met de behandeling van het verzoek, plaatsgevonden op 29 november 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. F. Boone, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen T. Cetinkaya. Namens de wettelijk voogd van eiser, Stichting Nidos, was A. Buwalda aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Syrische nationaliteit. Eisers asielaanvraag is niet-ontvankelijk verklaard omdat hij in Hongarije internationale bescherming geniet1.

2. Vaststaat dat de autoriteiten van Hongarije op verzoek van verweerder hebben meegedeeld dat zij op 12 juni 2018 aan eiser subsidiaire bescherming hebben verleend.

Verweerder heeft terecht overwogen dat daarmee wordt aangenomen dat eiser zodanige banden heeft met dat land dat van hem verwacht mag worden dat hij daar heen gaat2.

3. Eiser betwist in beroep dat dat er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel vanuit kan worden gegaan dat Hongarije zijn verplichtingen jegens eiser als statushouders zal nakomen. Volgens eiser dreigt bij terugkeer een schending van artikel 3 van het EVRM3. Eiser heeft daartoe gewezen op het rapport van het Hungarian Helsinki Comittee van september 20174, waarin wordt gesteld dat statushouders voor hulp afhankelijk zijn van kerkelijke instellingen en NGO’s. Verder wijst eiser naar het AIDA-rapport van februari 20185, waarin wordt gesproken over het beperkte aanbod van passend onderwijs voor alleenstaande minderjarige asielzoekers, alsmede over beperkingen in de toegang tot sociale zekerheid en over de door statushouders ervaren drempels bij de toegang tot de gezondheidszorg in Hongarije. Ten derde heeft eiser gewezen op het rapport van het Europees Parlement (EP) van 20 december 20176 waaruit volgens eiser blijkt van een extreem restrictief beleid ten aanzien van asielzoekers en statushouders. Ten slotte heeft eiser verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 5 april 20187. Eiser stelt dat in zijn geval schending van artikel 3 EVRM temeer dreigt omdat hij minderjarig is, moeilijk voor zichzelf kan opkomen en voor huisvesting, dagbesteding en onderwijs volledig afhankelijk is van wat hem wordt aangeboden.

4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het bestreden besluit echter gemotiveerd uiteengezet dat statushouders in Hongarije gelijke rechten en plichten hebben als Hongaarse staatsburgers. Specifiek voor minderjarige vergunninghouders geldt dat die op gelijke voet toegang hebben tot regulier- en beroepsonderwijs. Verweerder erkent het bestaan van praktische obstakels waardoor zij feitelijk in een moeizame positie verkeren, maar stelt naar het oordeel van de rechtbank terecht dat niet aannemelijk is dat daardoor sprake is van zodanige misstanden dat statushouders zijn blootgesteld aan een schending van 3 van het EVRM. Uit het rapport van het EP blijkt specifiek ten aanzien van alleenstaande minderjarige statushouders juist van een toegenomen aandacht in wetgeving en beleid voor de bescherming van hun belangen8. Dat de praktische uitvoering van een en ander vooralsnog voor verbetering vatbaar is, maakt dit niet anders.

5. Zoals verweerder voorts in het voornemen heeft overwogen, geven eisers verklaringen over zijn persoonlijke situatie in Hongarije evenmin aanleiding om te vrezen voor de gestelde schending van artikel 3 EVRM. Uit de statusverlening aan eiser volgt de intentie van de Hongaarse autoriteiten om eiser bescherming te bieden. Eiser heeft naar zijn zeggen weliswaar last gehad van onvriendelijke bejegening, hij heeft verklaard dat hij te weinig te eten kreeg, hij zou slachtoffer zijn geworden van diefstal, en hij vond dat de school niet goed was geregeld, maar niet is gebleken dat hij alle mogelijkheden heeft benut om hierover te klagen bij de autoriteiten. Dit mocht wel van hem als statushouder worden verwacht. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat dit voor hem niet mogelijk was of bij voorbaat zinloos. Eiser heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat hij verstoken was van hulp. Na zijn statusverlening is hij in een open opvangkamp geplaatst en is hem meegedeeld dat hij een voogd zou krijgen. Eiser heeft er echter voor gekozen om hier niet op te wachten en Hongarije al na relatief korte tijd te verlaten. Alleen al hierdoor is eisers situatie niet vergelijkbaar met die van de minderjarigen in de zaak waarover is geoordeeld in de uitspraak van de rechtbank van 5 april 2018.

6. Hoewel ook Nidos stelt dat eiser zich in Hongarije zich niet veilig heeft gevoeld, wordt door Nidos niet geconcretiseerd waarom terugkeer naar Hongarije in dat opzicht nadelig zal zijn voor eiser. De omstandigheid dat de positie van eiser in Nederland mogelijk eenvoudiger is en de vaststelling van Nidos en de school van eiser dat eiser hier een goede ontwikkeling doormaakt, betekent niet dat zijn belang als minderjarige uitsluitend is gediend met zijn verblijf in Nederland en dat om die reden voorbij dient te worden gegaan aan eisers banden met Hongarije.

7. De aanvraag is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van S.A.K. Kurvink, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Artikel 30a, eerste lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000.

2 Artikel 3.106a van het Vreemdelingenbesluit 2000.

3 Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden

4 TWO YEARS AFTER: What’s Left of Refugee Protection in Hungary? Information Note by the Hungarian Helsinki Committee, September 2017

5 Asylum Information Database (AIDA), Country Report: Hungary, februari 2018

6 Integration of Refugees in Greece, Hungary and Italy: Comparative analysis

7 ECLI:NL:RBDHA:2018:4944

8 P 70