Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:14769

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-11-2018
Datum publicatie
19-12-2018
Zaaknummer
NL18.20176
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Mondelinge uitspraak
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Opvolgende asielaanvraag. Bekering eerder niet geloofwaardig geacht. Ingebrachte stukken geen novum. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.20176


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. W.N. van der Voet),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. P.M.W. Jans).


Procesverloop
Bij besluit van 29 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorziening te treffen tot op zijn beroep is beslist (NL18.20177).

Het onderzoek op zitting heeft, samen met de behandeling van het verzoek, plaatsgevonden op 29 november 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen D. Madjlessi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de behandeling van de zaak op zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Eiser heeft eerder asiel aangevraagd. Met de uitspraak van de Afdeling van 8 februari 20171 staat de afwijzing van eisers eerste asielaanvraag vast. Daarbij is eisers gestelde bekering tot het christendom als ongeloofwaardig beoordeeld.

2. Op 6 februari 2018 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag ingediend, waarbij hij wederom heeft gesteld dat hij bekeerd is tot het christendom. Verweerder heeft deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard bij gebrek aan nieuwe elementen of bevindingen.

3. Ter onderbouwing van de opvolgende asielaanvraag heeft eiser verschillende documenten uit Iran overgelegd, te weten een kopie van een echtscheidingsverzoek, een originele ontvangstbevestiging van een verzoekschrift, een originele dagvaarding, een brief van zijn echtgenote en een openbare oproeping in een Iraanse krant, alle met vertaling.

4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deze stukken terecht niet als novum aangemerkt. Daarbij geldt dat het aan eiser is om de authenticiteit van bij een opvolgende aanvraag overgelegde documenten aan te tonen. In dit geval is dat niet gebeurd. Bureau Documenten heeft vastgesteld dat het overgelegde echtscheidingsverzoek een kopie betreft. Volgens vaste rechtspraak kunnen kopiedocumenten niet dienen als onderbouwing van asielmotieven.

5. Voor zover eiser stelt dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten om de overige Iraanse documenten op echtheid te onderzoeken, overweegt de rechtbank dat die documenten als zodanig niet kunnen dienen ter onderbouwing van de gestelde bekering tot het christendom, nu daarvan in die documenten op geen enkele wijze melding wordt gemaakt. Het gegeven dat in het overgelegde echtscheidingsverzoek wel wordt gesproken over de bekering van eiser tot het christendom is niet van betekenis voor de beoordeling van de overige documenten, nu de authenticiteit van de kopie van het echtscheidingsverzoek niet vaststaat.

6. Hiernaast heeft eiser brieven overgelegd van de Gereformeerde Kerk Drachten Oost, de kerkelijke gemeente Leef en Father’s House Movement. In deze brieven wordt – kort gezegd – vermeld dat eiser deelneemt aan kerkelijke activiteiten, ook overigens actief is in de kerkelijke gemeenschap en dat eiser een oprechte christen is. Ter ondersteuning heeft eiser daarnaast foto’s overgelegd. Verweerder heeft echter terecht overwogen dat het eerst en vooral aan de vreemdeling is om een gestelde bekering als asielmotief aannemelijk te maken met zijn eigen verklaringen. Dit volgt ook uit de Werkinstructie 2018/10. Dat volgens de werkinstructie verklaringen van derden worden meegewogen in de beoordeling laat verder onverlet dat verweerder niet ten onrechte heeft overwogen dat de geschetste activiteiten van eiser in de kerkgemeenschap en de getoonde foto’s niet kunnen afdoen aan vastgestelde ongeloofwaardigheid van eisers eerdere verklaringen.

7. Ten slotte heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat ook eisers verklaringen tijdens het gehoor opvolgende aanvraag van 23 oktober 2018 onvoldoende zijn om thans anders te oordelen over de gestelde bekering tot het christendom. Zoals volgt uit Werkinstructie 2018/10 rust bij een opvolgende aanvraag ook in dit opzicht een zwaardere bewijslast op de vreemdeling. Voor zover volgens deze sprake is van een verdieping van zijn geloofsbeleving zal hij zelf inzichtelijk en aannemelijk moeten maken wat er is veranderd ten opzichte van de vorige beoordeling. Anders dan eiser in zijn beroepsgronden stelt, heeft verweerder gemotiveerd dat eiser heeft nagelaten om alsnog inzicht te geven in zijn motieven voor en het proces van zijn gestelde bekering en dat deze verklaringen van dezelfde aard zijn als die welke eerder ongeloofwaardig zijn bevonden. Eiser wordt dan ook niet gevolgd in zijn stelling dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten om door te vragen.

8. Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat eiser geen nieuwe elementen of bevindingen heeft gesteld ter onderbouwing van zijn opvolgende aanvraag.

9. De aanvraag is terecht niet-ontvankelijk verklaard.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van S.A.K. Kurvink, griffier, op 29 november 2018.

Dit proces-verbaal is digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Kenmerk: 201700779/1/V2