Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:14632

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-12-2018
Datum publicatie
12-12-2018
Zaaknummer
NL18.6347
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Zonder voldoende nadere motivering van de zijde van verweerder, valt niet in te zien waarom de geloofwaardig geachte verklaringen van eiser, in het licht van de door de rechtbank aangehaalde jurisprudentie van het EHRM, niet leiden tot de conclusie dat de behandeling die hij heeft ondergaan in ieder geval aangemerkt kan worden als een onmenselijke of vernederende behandeling. In zoverre kleeft er aan het bestreden besluit een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek. Voorts acht de rechtbank zich, op basis van het onderzoek dat is verricht door verweerder, niet in staat om vast te stellen of sprake is geweest van een behandeling die dient te worden gekwalificeerd als ‘foltering’. Naar het oordeel van de rechtbank bieden de tijdens het nader gehoor afgelegde verklaringen daarvoor wel een indicatie, maar zijn daarvoor niet voldoende concreet. De rechtbank is daarom van oordeel dat het op de weg van verweerder had gelegen om door te vragen tijdens het nader gehoor, dan wel een aanvullend gehoor te houden.

Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.6347


uitspraak van de meervoudige kamer van 3 december 2018 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. A.M. van Eik),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R.A.B. van Steijn).

Procesverloop

Op 3 januari 2016 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Op 29 maart 2018 heeft eiser beroep ingediend tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.

Bij besluit van 17 mei 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Voorts heeft verweerder een dwangsom aangeboden van € 1.620,- voor het niet tijdig nemen van dit besluit.

Het reeds ingediende beroep wordt op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geacht te zijn gericht tegen het bestreden besluit.

Bij brief van 5 juli 2018 heeft de rechtbank het ministerie van Buitenlandse Zaken verzocht de stukken die ten grondslag liggen aan het in het bestreden besluit aangehaalde individuele ambtsbericht (IAB) omtrent eiser van 6 februari 2018 (kenmerk [kenmerk] ) toe te zenden.

Het ministerie van Buitenlandse Zaken heeft op 17 juli 2018 de onderliggende stukken van het IAB aan de rechtbank doen toekomen, te weten:
- een memorandum van 7 juni 2017 van het Cluster Ambtsberichten (CAB) aan de Chef de Poste van de Ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden (AKN) te Beiroet;
- een ongedateerd onderzoeksverslag van AKN te Beiroet aan CAB.
Voorts heeft het ministerie op grond van artikel 8:29, eerste lid, Awb de rechtbank verzocht te bepalen dat uitsluitend zij kennis zal mogen nemen van bepaalde gedeelten van de onderliggende stukken van het IAB.

Bij beslissing van 1 augustus 2018 heeft de geheimhoudingskamer van deze rechtbank en nevenzittingsplaats bepaald dat de door het ministerie van Buitenlandse Zaken verzochte beperking van de kennisneming niet gerechtvaardigd is ten aanzien van het ongedateerde Onderzoeksverslag onder D. Onderzoeksresultaten, eerste alinea, eerste zin. Voor het overige is de beperking van de kennisneming wel gerechtvaardigd.

Het ministerie van Buitenlandse Zaken heeft in reactie op de beslissing van 1 augustus 2018 op 8 augustus 2018 een nieuwe versie van de gemaskeerde onderliggende stukken van het IAB aan de rechtbank doen toekomen. De rechtbank heeft deze nieuwe versie vervolgens aan eiser en verweerder doen toekomen.

Partijen hebben de rechtbank op grond van artikel 8:29, vijfde lid, Awb toestemming verleend om mede op grond van de onderliggende stukken van het IAB uitspraak te doen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 september 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is van Libanese nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] .

1.1

Eiser heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag het volgende aangevoerd.

In 1986 is een Israëlische militair vliegtuig boven Libanon neergeschoten en één van de piloten van dat vliegtuig, [naam 2] , is nooit teruggevonden.

Eiser werkte in 1997 als chauffeur voor [naam 3] ( [naam 3] ), die lid was van de Syrische Nationale Socialistische Partij (SNSP). Eiser heeft samen met en in opdracht van [naam 3] een stoffelijk overschot, dat in een militaire deken gewikkeld was, opgegraven. Enige tijd later heeft [naam 3] hem een bot van dit stoffelijk overschot gegeven en hem gevraagd dit op de omheining van de Duitse ambassade te plaatsen. Toen eiser vroeg wat er allemaal aan de hand was, zei [naam 3] dat zij dachten dat het om het stoffelijk overschot van [naam 2] ging. Een paar jaar later is eiser gestopt met zijn werk voor [naam 3] . Eiser is vervolgens via [naam 4] ( [naam 4] ) in contact gekomen met [naam 5] , een Joodse vrouw, die het stoffelijk overschot graag wilde hebben. Eiser heeft toen weer contact opgenomen met [naam 3] . Eiser heeft een monster van het stoffelijk overschot gekregen en dit aan [naam 5] geleverd, zodat de identiteit van het stoffelijk overschot kon worden vastgesteld. Eiser en zijn handlangers ontvingen daarvoor ongeveer 12.500 dollar. Volgens [naam 5] klopte het monster echter niet. Eiser hoorde van [naam 3] dat hij expres een verkeerd monster had gegeven om te controleren of zij serieus was. Daarna zou [naam 4] een nieuw monster leveren in Thailand. [naam 4] is echter opgepakt door de inlichtingendienst. Eiser is daarna ook door de inlichtingendienst van het Libanese leger aangehouden. [naam 3] is een paar dagen later aangehouden. De inlichtingendienst heeft eiser vijf dagen lang vastgehouden en verhoord. Daarna is hij overgedragen aan de militaire rechtbank, waar hij een maand heeft vastgezeten. Eiser is op borgtocht vrijgelaten. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn detentie een verklaring van zijn Libanese raadsman overgelegd van 1 juni 2018. Eiser heeft besloten om Libanon te verlaten nadat hij van zijn strafadvocaat had gehoord dat hij zou worden veroordeeld. Na eisers vertrek is zijn echtgenote telefonisch bedreigd.

Eiser stelt te vrezen voor de Libanese autoriteten dan wel de SNSP. Eiser stelt ook te vrezen voor de Mossad, omdat sprake zou zijn van een toegedichte politieke overtuiging van eiser en hij ervan werd verdacht informatie over de Israëlische militair achter te houden. Ook vreest eiser voor Hezbollah omdat in de media is bericht dat eiser ervan werd verdacht samen te werken met de Mossad.

2. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31 Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder heeft daarbij de volgende elementen uit het asielrelaas als relevant aangemerkt:
- de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;
- de arrestatie, mishandeling en veroordeling van eiser.
Verweerder acht alle relevante elementen geloofwaardig. Het relaas is volgens verweerder echter onvoldoende zwaarwegend voor de conclusie dat eiser te vrezen heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag, dan wel dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser komt niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

3. De rechtbank stelt vast dat voor de beoordeling van de vrees die eiser bij terugkeer stelt te hebben voor vervolging of een reëel risico op het lijden van ernstige schade allereerst van belang is of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de behandeling die eiser tijdens zijn arrestatie, detentie en verhoren door de inlichtingendienst heeft ondergaan, dient te worden gekwalificeerd als ‘mishandeling’ en dat deze niet ernstig genoeg is om onder de reikwijdte van de artikelen 9 en 15 van Richtlijn 2011/95/EU (Kwalificatierichtlijn), of artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) te vallen. Indien deze kwalificatie geen stand houdt, vervalt, zoals verweerder ook ter zitting heeft aangegeven, de grondslag voor de afwijzing zoals deze in het bestreden besluit is geformuleerd. De rechtbank zal daarom de beroepsgrond van eiser dat verweerder in het bestreden besluit niet heeft onderkend dat eiser tijdens zijn arrestatie en daaropvolgende detentie en verhoren door de inlichtingendienst in Libanon is gefolterd dan wel gemarteld (hierna: gefolterd), althans (zoals is toegelicht ter zitting) dat sprake is van een onmenselijke of vernederende behandeling, als eerste bespreken.

4. Eiser voert in dit verband (samengevat) aan dat verweerder ten onrechte in het bestreden besluit stelt dat hij tijdens deze verhoren “enkel” is mishandeld en dat deze stelling een zorgvuldige voorbereiding en deugdelijke motivering ontbeert. Eiser stelt te zijn gefolterd. Eisers verklaringen in het nader gehoor zijn geloofwaardig geacht. Volgens zijn verklaringen is aan hem opzettelijk hevige pijn toegebracht, zowel lichamelijk als geestelijk, met het oogmerk om een bekentenis te verkrijgen, dan wel om te dienen als bestraffing, intimidatie of dwang door een overheidsfunctionaris. Ten onrechte stelt verweerder dat alleen sprake is van foltering indien het lichamelijk leed dat wordt toegebracht heel ernstig is. Het gaat om de context waarin het leed wordt toegebracht en door wie het wordt toegebracht. Eiser legt ook een verklaring van zijn Libanese advocaat over die bevestigt dat eiser is gefolterd. Bovendien passen eisers verklaringen in het algemene beeld over Libanon zoals blijkt uit de ingebrachte landeninformatie van Human Rights Watch (HRW) waaruit volgt dat veelvuldig wordt gemarteld door de Libanese veiligheids- en inlichtingendiensten.

5. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit (samengevat) op het standpunt gesteld dat de behandeling die eiser heeft ondergaan niet kan worden gekwalificeerd als foltering. Daaraan legt verweerder onder meer ten grondslag dat niet kan worden ingezien dat eiser pas in de correcties en aanvullingen stelt te zijn gefolterd, terwijl evenmin is toegelicht waarom eiser dit niet tijdens het nader gehoor heeft verklaard. In het gehoor zelf wordt geen steun gevonden voor de stelling dat eiser zou zijn gefolterd. Daarbij acht verweerder van belang dat eiser heeft verklaard vrijwillig naar de inlichtingendienst te zijn gegaan en daar intensief te zijn verhoord. Uit eisers verklaringen blijkt weliswaar dat hij is mishandeld, maar niet dat van foltering sprake is. Verder heeft eiser desgevraagd verklaard geen blijvend letsel te hebben overgehouden aan de verhoren en dat hij elke dag werd gezien door een arts. De stelling dat eiser geheugenproblemen heeft als gevolg van de foltering is verder niet onderbouwd.

Ter zitting heeft verweerder benadrukt dat de behandeling die eiser tijdens de arrestatie en daaropvolgende detentie en verhoren heeft moeten ondergaan niet valt onder de definitie van foltering, omdat uit de verklaringen van eiser niet blijkt dat sprake was van hevige pijn of hevig leed. Daarbij acht verweerder van belang dat geen sprake is van letsel en de detentie beperkt in duur was, te weten vijf dagen. Dat eiser deze behandeling heeft ondergaan door overheidsfunctionarissen, zijnde personen van de Libanese inlichtingendienst, met het oog op het verkrijgen van informatie van eiser, is verder niet in geschil, maar maakt het voorgaande niet anders. Verweerder heeft ter zitting verder toegelicht dat het bestreden besluit zo dient te worden gelezen, dat de door eiser ondergane behandeling evenmin is te duiden als een onmenselijke of onterende behandeling en dus in die zin ook niet onder de reikwijdte van artikel 3 EVRM of artikel 15 van de Kwalificatierichtlijn valt.


Juridisch kader

6.1

Artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn luidt, voor zover van belang, als volgt:
1. De lidstaten mogen van de verzoeker verlangen dat hij alle elementen ter staving van het verzoek om internationale bescherming zo spoedig mogelijk indient. De lidstaat heeft tot taak om de relevante elementen van het verzoek in samenwerking met de verzoeker te beoordelen.
(..)
3. De beoordeling van een verzoek om internationale bescherming moet plaatsvinden op individuele basis en houdt onder meer rekening met:
a. alle relevante feiten in verband met het land van herkomst op het tijdstip waarop een beslissing inzake het verzoek wordt genomen, met inbegrip van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van het land van herkomst en de wijze waarop deze worden toegepast;
b. de door de verzoeker afgelegde verklaring en overgelegde documenten, samen met informatie over de vraag of de verzoeker aan vervolging of andere ernstige schade blootgesteld is dan wel blootgesteld zou kunnen worden.
4. Het feit dat de verzoeker in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging of aan ernstige schade, of dat hij rechtstreeks is bedreigd met dergelijke vervolging of dergelijke schade, is een duidelijke aanwijzing dat de vrees van de verzoeker voor vervolging gegrond is en het risico op het lijden van ernstige schade reëel is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen.

6.2

Artikel 9 van de Kwalificatierichtlijn luidt – voor zover van belang – als volgt:
1. Om te worden beschouwd als een daad van vervolging in de zin van artikel 1, onder A, van het Verdrag van Genève moet de daad:
a) zo ernstig van aard zijn of zo vaak voorkomen dat zij een ernstige schending vormt van de grondrechten van de mens, met name de rechten ten aanzien waarvan geen afwijking mogelijk is uit hoofde van artikel 15, lid 2, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden; of
b) een samenstel zijn van verschillende maatregelen, waaronder mensenrechtenschendingen, die voldoende ernstig zijn om iemand op een soortgelijke wijze te treffen als omschreven onder a).
2. Daden van vervolging in de zin van lid 1 kunnen onder meer de vorm aannemen van:
a) daden van lichamelijk of geestelijk geweld, inclusief seksueel geweld.

6.3

Uit artikel 15, onder b, van de Kwalificatierichtlijn volgt dat ernstige schade bestaat uit foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van een verzoeker in zijn land van herkomst.

6.4

In artikel 3 van het EVRM is bepaald dat niemand mag worden onderworpen aan
folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

6.5

Artikel 15 van het EVRM luidt als volgt:
1. In tijd van oorlog of in geval van enig andere algemene noodtoestand die het bestaan van het land bedreigt, kan iedere Hoge Verdragsluitende Partij maatregelen nemen die afwijken van zijn verplichtingen ingevolge dit Verdrag, voor zover de ernst van de situatie deze maatregelen strikt vereist en op voorwaarde dat deze niet in strijd zijn met andere verplichtingen die voortvloeien uit het internationale recht.
2. De voorgaande bepaling staat geen enkele afwijking toe van artikel 2, behalve ingeval van dood als gevolg van rechtmatige oorlogshandelingen, en van de artikelen 3, 4, eerste lid, en 7.

6.4

In artikel 1, eerste lid, Antifolteringsverdrag is het volgende bepaald:

Voor de toepassing van dit Verdrag wordt onder „foltering" verstaan iedere handeling waardoor opzettelijk hevige pijn of hevig leed, lichamelijk dan wel geestelijk, wordt toegebracht aan een persoon met zulke oogmerk als om van hem of van een derde inlichtingen of een bekentenis te verkrijgen, hem te bestraffen voor een handeling die hij of een derde heeft begaan of waarvan hij of een derde wordt verdacht deze te hebben begaan, of hem of een derde te intimideren of ergens toe te dwingen dan wel om enigerlei reden gebaseerd op discriminatie van welke aard ook, wanneer zulke pijn of zulk leed wordt toegebracht door of op aanstichten van dan wel met de instemming of gedogen van een overheidsfunctionaris of andere persoon die in een officiële hoedanigheid handelt. Foltering omvat niet pijn of leed slechts voortvloeiend uit, inherent aan of samenhangend met wettige straffen.

7. In het door eiser aangehaalde document “Interpretation of Torture in the light of the practice and jurisprudence of international bodies” van de Office of the United Nations High Commissioner of Human Rights staat over de definitie van foltering op pagina twee het volgende opgenomen:

“Torture is not an act in itself, or specific type of acts, but it is the legal qualification of an event or behaviour, based on the comprehensive assessment of this event or behaviour. Therefore, the difference between these different qualifications, torture, cruel, inhuman and degrading treatment or punishment or ill-treatment depends on the specific circumstances of each case and is not always obvious. It is clear that, because of the specific intensity or nature of certain acts, the qualification of torture may be easily granted in certain cases. However, in some others, the vulnerability of the victim (age, gender, status, etc), as well as the environment and the cumulative effect of various factors, should be taken into account to determine whether this case amounts to torture or whether it does not reach this ultimate threshold and should be considered as cruel, inhuman or degrading treatment or punishment”.

8.1

Volgens vaste jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie1 (Hof) volgt uit artikel 9 van de Kwalificatierichtlijn dat schendingen van grondrechten slechts een vervolging in de zin van artikel 1 A van het Verdrag van Genève opleveren indien zij een bepaalde mate van ernst bereiken. Bij een inbreuk op een van de in artikel 15 van het EVRM opgenomen rechten, waaronder artikel 3 van het EVRM, wordt ervan uitgegaan dat aan die mate van ernst is voldaan. Voorts volgt uit verdere jurisprudentie van het Hof2 dat het in artikel 3 EVRM verankerde grondrecht deel uitmaakt van de algemene beginselen van gemeenschapsrecht waarvan het Hof de naleving waarborgt en dat bij de uitlegging van de draagwijdte van dit recht in de communautaire rechtsorde rekening gehouden wordt met de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Verder volgt uit deze jurisprudentie dat artikel 15(b) van de Kwalificatierichtlijn in wezen overeenstemt met artikel 3 van het EVRM.

De rechtbank zal dan ook bij de beoordeling van de vraag of de door eiser ondergane behandeling kan worden gekwalificeerd als foltering dan wel een onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in de artikelen van de Kwalificatierichtlijn, de jurisprudentie van het EHRM met betrekking tot artikel 3 van het EVRM tot uitgangspunt nemen.

8.2

Het EHRM heeft ter beoordeling daarvan in zijn jurisprudentie3 enkele uitgangspunten geformuleerd. In het op 31 mei 2018 gewezen arrest in de Abu Zubaydah-zaak4, is dat als volgt samengevat:

“630. In order for ill-treatment to fall within the scope of Article 3 it must attain a minimum level of severity. The assessment of this minimum depends on all the circumstances of the case, such as the duration of the treatment, its physical or mental effects and, in some cases, the sex, age and state of health of the victim (see Ireland v. the United Kingdom, cited above, § 162; Kudła v. Poland [GC], no. 30210/96 (https://hudoc.echr.coe.int/eng), § 92, ECHR 2000‑XI; and Jalloh, cited above, § 67). Further factors include the purpose for which the treatment was inflicted together with the intention or motivation behind it (compare, inter alia, Aksoy v. Turkey, 18 December 1996, § 64, Reports 1996-VI; Egmez v. Cyprus, no. 30873/96 (https://hudoc.echr.coe.int/eng), § 78, ECHR 2000-XII; Krastanov v. Bulgaria, no. 50222/99 (https://hudoc.echr.coe.int/eng), § 53, 30 September 2004; and El‑Masri, cited above, § 196).

Treatment has been held by the Court to be “inhuman” because, inter alia, it was premeditated, was applied for hours at a stretch and caused either actual bodily injury or intense physical and mental suffering, and also “degrading” because it was such as to arouse in its victims feelings of fear, anguish and inferiority capable of humiliating and debasing them (see Labita, cited above, § 120).

In order to determine whether any particular form of ill-treatment should be classified as torture, the Court must have regard to the distinction drawn in Article 3 between this notion and that of inhuman or degrading treatment. This distinction would appear to have been embodied in the Convention to allow the special stigma of “torture” to attach only to deliberate inhuman treatment causing very serious and cruel suffering (see Aksoy, cited above, § 62). In addition to the severity of the treatment, there is a purposive element, as recognised in the United Nations Convention against Torture and Other Cruel, Inhuman or Degrading Treatment or Punishment, which came into force on 26 June 1987, which defines torture in terms of the intentional infliction of severe pain or suffering with the aim, inter alia, of obtaining information, inflicting punishment or intimidating (Article 1 of the United Nations Convention) (see İlhan v. Turkey [GC], no. 22277/93 (https://hudoc.echr.coe.int/eng), § 85, ECHR 2000‑VII; El-Masri, cited above, § 197; Al Nashiri v. Poland, cited above, § 508; and Husayn (Abu Zubaydah) v. Poland, cited above, § 500).

631. Furthermore, a threat of conduct prohibited by Article 3, provided it is sufficiently real and immediate, may fall foul of that provision. Thus, to threaten an individual with torture may constitute at least inhuman treatment (see Gäfgen v. Germany [GC], no. 22978/05 (https://hudoc.echr.coe.int/eng), § 91, ECHR 2010; and Husayn (Abu Zubaydah) v. Poland, cited above, § 501).”

8.3

In het Selmouni-arrest5 heeft het EHRM daarbij onder meer in de kern aangegeven, dat een behandeling eerder dan voorheen als foltering wordt gekwalificeerd. Daarover is het volgende overwogen:
“100. In other words, it remains to be established in the instant case whether the “pain or suffering” inflicted on Mr Selmouni can be defined as “severe” within the meaning of Article 1 of the United Nations Convention. The Court considers that this “severity” is, like the “minimum severity” required for the application of Article 3, in the nature of things, relative; it depends on all the circumstances of the case, such as the duration of the treatment, its physical or mental effects and, in some cases, the sex, age and state of health of the victim, etc.
101. The Court has previously examined cases in which it concluded that there had been treatment which could only be described as torture (see the Aksoy judgment cited above, p. 2279, § 64, and the Aydın judgment cited above, pp. 1891-92, §§ 83-84 and 86). However, having regard to the fact that the Convention is a “living instrument which must be interpreted in the light of present-day conditions” (see, among other authorities, the following judgments: Tyrer v. the United Kingdom, 25 April 1978, Series A no. 26, pp. 15-16, § 31; Soering cited above, p. 40, § 102; and Loizidou v. Turkey, 23 March 1995, Series A no. 310, pp. 26-27, § 71), the Court considers that certain acts which were classified in the past as “inhuman and degrading treatment” as opposed to “torture” could be classified differently in future. It takes the view that the increasingly high standard being required in the area of the protection of human rights and fundamental liberties correspondingly and inevitably requires greater firmness in assessing breaches of the fundamental values of democratic societies.”

8.4

In het Gäfgen-arrest6 komt het EHRM bij de toepassing van de genoemde uitgangspunten op grond van de in die zaak voorliggende feiten tot de volgende conclusie:
“ 101. (…) the Court considers it necessary to make its own assessment of whether this treatment can be said to have attained the minimum level of severity to bring it within the scope of Article 3 and, if so, how it is to be classified. Having regard to the relevant factors indicated in the Court’s case-law (see paragraphs 88-91 above), it will examine, in turn, the duration of the treatment to which the applicant was subjected, its physical or mental effects on him, whether it was intentional or otherwise, its purpose and the context in which it was inflicted.
102. In so far as the duration of the impugned conduct is concerned, the Court notes that the interrogation under threat of ill-treatment lasted for approximately ten minutes.
103. As to its physical and mental effects, the Court notes that the applicant, who had previously refused to disclose J.’s whereabouts, confessed under threat as to where he had hidden the body. Thereafter, he continued to elaborate in detail on J.’s death throughout the investigation proceedings. The Court therefore considers that the real and immediate threats of deliberate and imminent ill-treatment to which the applicant was subjected during his interrogation must be regarded as having caused him considerable fear, anguish and mental suffering. The applicant, however, did not submit medical certificates to establish any long-term adverse psychological consequences suffered or sustained as a result.
104. The Court further observes that the threat was not a spontaneous act but was premeditated and calculated in a deliberate and intentional manner.
105. As regards the purpose of the threats, the Court is satisfied that the applicant was intentionally subjected to such treatment in order to extract information on J.’s whereabouts.
106. The Court further notes that the threats of deliberate and imminent ill-treatment were made in the context of the applicant being in the custody of law-enforcement officials, apparently handcuffed, and thus in a state of vulnerability. It is clear that D. and E. acted in the performance of their duties as State agents and that they intended, if necessary, to carry out that threat under medical supervision and by a specially trained officer. Moreover, D.’s order to threaten the applicant was not a spontaneous decision, since he had given such an order on a number of earlier occasions and had become increasingly impatient at the non-compliance of his subordinates with his directions. The threat took place in an atmosphere of heightened tension and emotions in circumstances where the police officers were under intense pressure (…).
108. Having regard to the relevant factors for characterising the treatment to which the applicant was subjected, the Court is satisfied that the real and immediate threats against the applicant for the purpose of extracting information from him attained the minimum level of severity to bring the impugned conduct within the scope of Article 3. It reiterates that according to its own case-law (see paragraph 91 above), which also refers to the definition of torture in Article 1 of the United Nations Convention against Torture (see paragraphs 64 and 90 above), and according to the views taken by other international human rights monitoring bodies (see paragraphs 66-68 above), to which the Redress Trust likewise referred, a threat of torture can amount to torture, as the nature of torture covers both physical pain and mental suffering. In particular, the fear of physical torture may itself constitute mental torture. However, there appears to be broad agreement, and the Court likewise considers, that the classification of whether a given threat of physical torture amounted to psychological torture or to inhuman or degrading treatment depends upon all the circumstances of a given case, including, notably, the severity of the pressure exerted and the intensity of the mental suffering caused. Contrasting the applicant’s case to those in which torture has been found to be established in its case-law, the Court considers that the method of interrogation to which he was subjected in the circumstances of this case was sufficiently serious to amount to inhuman treatment prohibited by Article 3, but that it did not reach the level of cruelty required to attain the threshold of torture.”

8.5

In het El Masri-arrest7 leidt toepassing van de genoemde uitgangspunten tot, onder meer, de volgende overwegingen en conclusie:

“200. As to the applicant’s treatment in the hotel, the Court observes that he was under constant guard by agents of the Macedonian security forces, interrogated in a foreign language of which he had a limited command, threatened with a gun and consistently refused access to anyone other than his interrogators.
(…)
202. It is true that while he was kept in the hotel, no physical force was used against the applicant. However, the Court reiterates that Article 3 does not refer exclusively to the infliction of physical pain but also of mental suffering, which is caused by creating a state of anguish and stress by means other than bodily assault (see Iljina and Sarulienė v. Lithuania, no. 32293/05 (https://hudoc.echr.coe.int/eng), § 47, 15 March 2011). There is no doubt that the applicant’s solitary incarceration in the hotel intimidated him on account of his apprehension as to what would happen to him next and must have caused him emotional and psychological distress. The applicant’s prolonged confinement in the hotel left him entirely vulnerable. He undeniably lived in a permanent state of anxiety owing to his uncertainty about his fate during the interrogation sessions to which he was subjected. The Court notes that such treatment was intentionally meted out to the applicant with the aim of extracting a confession or information about his alleged ties with terrorist organisations (see Dikme v. Turkey, no. 20869/92 (https://hudoc.echr.coe.int/eng), §§ 82 and 95, ECHR 2000‑VIII). Furthermore, the threat that he would be shot if he left the hotel room was sufficiently real and immediate which, in itself, may be in conflict with Article 3 of the Convention (see, mutatis mutandis, Campbell and Cosans v. the United Kingdom, 25 February 1982, § 26, Series A no. 48, and Gäfgen v. Germany [GC], no. 22978/05 (https://hudoc.echr.coe.int/eng), § 91, ECHR 2010.”

203. Lastly, the applicant’s suffering was further increased by the secret nature of the operation and the fact that he was kept incommunicado for twenty-three days in a hotel, an extraordinary place of detention outside any judicial framework (see also paragraph 101 above, and paragraph 236 below).

204. In view of the foregoing, the Court considers that the treatment to which the applicant was subjected while in the hotel amounted on various counts to inhuman and degrading treatment in breach of Article 3 of the Convention.”

Verklaringen eiser

9. De verklaringen van eiser afgelegd tijdens het nader gehoor over de arrestatie en daaropvolgende detentie en verhoren door de inlichtingendienst, heeft verweerder in het bestreden besluit geloofwaardig geacht. Eiser heeft tijdens dit gehoor over de behandeling die hij heeft moeten ondergaan als volgt verklaard (pagina 24 en 25 nader gehoor).


“Ik was geblinddoekt en mijn handen waren achter mijn rug geboeid. Vanuit Hamdoun ben ik met de auto vervoerd. Zij hebben mij geblinddoekt en mijn handen geboeid. Achteraf weet ik dat ik werd gebracht naar het ministerie van defensie. Ik heb vijf dagen daar verbleven. Zij hebben mij intensief verhoord. Ik kreeg toen een aanval van krampen tijdens het gehoor. Ik had overal krampen. Wat de verhoren betreft, het vond niet plaats op een vast tijdstip. Het kon midden in de nacht zijn, overdag of in de avond. Vanuit het ministerie ben ik vervoerd naar de militaire rechtbank. Daar heb ik vijf dagen vast gezeten. Op de rechtbank hebben zij mij niet gemarteld. De rechter heeft mij verhoord. Hierna ben ik overgeplaatst naar de gevangenis van Roemieh. (…)

Wat werd aan u gevraagd tijdens de verhoren in het gebouw van het ministerie van defensie?
Zij hebben aan mij vragen gesteld over de kwestie. In eerste instantie heb ik het ontkend. Maar zij hebben mij zowel psychisch als lichamelijk onder druk gezet.

Op welke wijze hebben zij dat gedaan?
Kunt u zich voorstellen dat je handen geboeid zijn, je geblinddoekt bent, je niet weet waar je bent en je geluiden hoort. En je wordt natuurlijk geslagen.


Waar sloegen ze mee?
Met hun handen.


Hebben zij u nog op andere wijzen mishandeld?
Ja, in de kamer waar ik vast zat, hebben zij de airconditioning aangedaan. Hierdoor was het heel erg koud. Je mocht niet roken. Alles was verboden. Totdat ik op een gegeven moment met [naam 4] werd geconfronteerd.

Wat bedoelt u met geconfronteerd?

Zij namen mij mee naar het kantoor van de officier. Ik was geblinddoekt en mijn handen waren geboeid. De man vroeg mij voor de tweede keer naar het onderwerp. Ik zei dat ik niet wist waar hij het over had. Mijn blinddoek werd afgedaan en toen zag ik [naam 4] . Op dat moment kon ik de vraag niet meer ontwijken. Ik moest toen alles vertellen. Ik heb toen aan hen verteld wat er was gebeurd.

Wat zeiden zij toen?

Zij dachten dat [naam 4] niet alle informatie aan hen had gegeven. Zij dachten dat er meer personen bij de zaken waren betrokken. Zij gingen door met het verhoren, zoals ik daar net vertelde. Dit vond plaats op verschillende tijdstippen. Ik ben gebleven bij wat ik had verteld. Er was niets nieuws om te vertellen. De periode die ik heb doorgebracht in het ministerie van defensie. In die periode wist ik niet meer of het nu dag of nacht was. Want ik zat ondergronds vast.


Heeft u blijvend letsel overgehouden aan de verhoren?
Nee, ik werd elke dag gezien door een arts. De arts was de enige van wie ik het gezicht heb gezien.”

Vervolgens heeft eiser in de correcties en aanvullingen op het nader gehoor het volgende naar voren gebracht:
“P24, eerste alinea, aanvulling
Client is gemarteld tijdens de verhoren bij het ministerie van Defensie. Client heeft sindsdien het geheugenprobleem.”

Beoordeling

10.1

De rechtbank stelt vast dat uit de verklaringen van eiser volgt (en dit is ook niet in geschil) dat eiser pijn en leed is toegebracht, terwijl hij in de gevangenis van de Libanese militaire inlichtingendienst werd vastgehouden en dat deze pijn en dit leed door die dienst met opzet is toegebracht met het doel een bekentenis en verdere informatie van eiser te verkrijgen. Meer concreet stelt de rechtbank vast dat uit de door verweerder geloofwaardig geachte verklaringen tijdens het nader gehoor kan worden opgemaakt dat eiser geboeid en geblinddoekt is afgevoerd, dat hij vijf dagen is vastgehouden in een ondergrondse kamer, waar het koud was omdat de airconditioning aanstond, dat hij gedurende die vijf dagen op willekeurige momenten (zowel overdag als ’s nachts) intensief werd verhoord, waarbij hij zowel psychisch als fysiek onder druk werd gezet. Hij werd tijdens die verhoren met de hand geslagen en hoorde geluiden. Verder kan uit zijn verklaringen in samenhang met de door zijn raadsman in Libanon opgestelde schriftelijke verklaring van 1 juni 2018 worden afgeleid dat hij geen enkel contact mocht hebben met de buitenwereld tijdens die vijf dagen durende detentie.

Zonder voldoende nadere motivering van de zijde van verweerder, valt niet in te zien waarom deze geloofwaardig geachte verklaringen, in het licht van de hiervoor aangehaalde jurisprudentie van het EHRM, niet leiden tot de conclusie dat de behandeling die hij heeft ondergaan in ieder geval aangemerkt kan worden als een onmenselijke of vernederende behandeling. In zoverre kleeft er aan het bestreden besluit een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek.

10.2

De rechtbank acht zich verder, op basis van het onderzoek dat is verricht door verweerder, niet in staat om vast te stellen of sprake is geweest van een behandeling die dient te worden gekwalificeerd als ‘foltering’. Naar het oordeel van de rechtbank bieden de tijdens het nader gehoor afgelegde verklaringen daarvoor wel een indicatie, maar zijn daarvoor niet voldoende concreet.

Zo heeft eiser tijdens het nader gehoor verklaard dat hij door zijn verhoorders werd geslagen. De gehoormedewerker heeft in reactie daarop wel aan eiser gevraagd waarmee eiser werd geslagen maar heeft vervolgens nagelaten te vragen hoe lang, op welk deel van zijn lichaam en hoe eiser door zijn verhoorders is geslagen.
Eiser heeft ook verklaard dat hij tijdens het verhoor een aanval van kramp kreeg. De gehoormedewerker heeft echter niet aan eiser gevraagd hoe hevig de kramp was, waar de kramp door werd veroorzaakt, op welke plek in zijn lichaam eiser deze kramp voelde en hoe lang die duurde.
Op de vraag van de gehoormedewerker hoe eiser psychisch en lichamelijk onder druk werd gezet heeft eiser onder meer verklaard dat hij geluiden hoorde. Aan eiser is vervolgens echter niet gevraagd welke geluiden hij precies hoorde en waarom dit op hem een psychische of lichamelijke druk uitoefende.

Evenmin is gevraagd of, en zo ja, op welke wijze gedreigd werd als eiser niet meer informatie zou geven.
Voorts heeft eiser op de vraag van de gehoormedewerker of hij nog op andere wijzen is mishandeld verklaard: “je mocht niet roken” en “alles was verboden”. De gehoormedewerker heeft ook op dit punt nagelaten door te vragen wat (verder) precies was verboden, zodat onduidelijk blijft of eiser met “alles” ook bedoelt dat hij bijvoorbeeld niet mocht liggen, eten, drinken, toiletteren of slapen.
Daarbij komt ten slotte dat eiser heeft verklaard dat hij geblinddoekt en geboeid was. Niet is duidelijk geworden of eiser gedurende de vijf dagen dat hij vastgehouden en verhoord werd constant geblinddoekt en geboeid was of alleen gedurende een deel van die tijd. Ook op dit punt heeft gehoormedewerker verzuimd door te vragen.

10.2.1

De rechtbank is van oordeel dat het, juist nu er een indicatie voor foltering in de verklaringen van eiser afgelegd tijdens het nader gehoor besloten lag en hij dit tijdens het nader gehoor zelf ook zo heeft geduid (over de detentie bij de rechtbank na de verhoren door de inlichtingendienst zegt hij immers; “bij de rechtbank hebben ze me niet gemarteld”), mede in het licht van de algemene landeninformatie die door eiser is overgelegd waaruit volgt dat veelvuldig wordt gemarteld door de Libanese veiligheids- en inlichtingendiensten, het op de weg van verweerder had gelegen om op de voorgaande punten door te vragen tijdens het nader gehoor, dan wel een aanvullend gehoor te houden. Verweerder heeft dat ten onrechte nagelaten. Dit geldt des te meer nu in de correcties en aanvullingen door eiser nogmaals expliciet is gesteld dat sprake was van marteling. Het enkele feit dat eiser niet uit zichzelf tijdens het nader gehoor heeft verklaard dat hem “zeer hevige lichamelijke dan wel psychische pijn of leed” is toegebracht tijdens de verhoren door de inlichtingendienst, is in het licht van de op verweerder rustende samenwerkingsplicht die onder meer voortvloeit uit artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn, onvoldoende om daar anders over te oordelen. De op verweerder rustende samenwerkingsplicht houdt concreet in dat, indien de door de verzoeker om internationale bescherming aangevoerde elementen, om welke reden ook, niet volledig, actueel of relevant zijn, de betrokken lidstaat in die fase van de procedure actief met de verzoeker moet samenwerken om alle elementen te verzamelen die het verzoek kunnen staven.8 Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit ook om deze reden onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.

11. Reeds op grond van al het voorgaande luidt de conclusie dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en ondeugdelijk is gemotiveerd. Het overige behoeft geen bespreking meer.

12. Het beroep is daarom gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet gelet op de aard van de gebreken geen aanleiding te onderzoeken of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van tien weken.

13. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen tien weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Putten, voorzitter, mr. S. Ok en mr. M. D. Gunster, leden, in aanwezigheid van mr. A.W. Martens. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 december 2018.

Griffier

Voorzitter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van die uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Zie bijvoorbeeld het arrest van 7 november 2013 in de zaak X, Y en Z tegen Nederland, zaken C- 199/12, C-200/12 en C-201/12; ECLI:EU:C:2013:720.

2 Zie het arrest van 17 februari 2009, in de zaak Elgafaji tegen Nederland, C-465/07, ECLI:EU;C;2009:94.

3 Zie de arresten van het EHRM van 28 juli 1999 in de zaak Selmouni v. France (25803/94), van 1 juni 2010 in de zaak Gäfgen v. Germany (22978/05), van 13 december 2012 in de zaak El Masri v. ‘the former Republic of Macedonia" (39630/09) en het arrest van 31 mei 2018 in de zaak Abu Zubaydah v. Lithuania (46454/11).

4 Het arrest van het EHRM van 31 mei 2018 in de zaak Abu Zubaydah v. Lithuania (46454/11)

5 Het arrest van het EHRM van 28 juli 1999 in de zaak Selmouni v. France (25803/94).

6 Het arrest van het EHRM van 1 juni 2010 in de zaak Gäfgen v. Germany (22978/05).

7 Het arrest van het EHRM van 13 december 2012 in de zaak El Masri v. “the former Republic of Macedonia" (39630/09).

8 Zie bijvoorbeeld het arrest van het Hof van 22 november 2012, M tegen Ierland,C‑277/1.