Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:14589

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-12-2018
Datum publicatie
11-12-2018
Zaaknummer
18/2646
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een Eritrese man met een asielvergunning heeft verzocht om een vrouw, van wie hij zegt dat zij zijn echtgenote is, van Eritrea naar Nederland te laten komen. De IND heeft dat verzoek afgewezen, omdat volgens de IND niet duidelijk is wat de identiteit van de vrouw is. Omdat niet duidelijk is wie ze is, heeft de IND niet verder getoetst of er tussen de vrouw en de man een familierelatie bestaat. De rechtbank geeft een visuele, schematische uitleg van de Afdelingsuitspraken die eerder over dit onderwerp zijn gewezen, en concludeert op basis daarvan dat de IND niet mocht stoppen met de beoordeling bij de constatering dat de identiteit van de vrouw niet is komen vast te staan. Het beroep is daarom gegrond en de IND moet een nieuw besluit nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/2646

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 december 2018 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.M.J. van Zantvoort),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 2 mei 2017 heeft de staatssecretaris geweigerd eiseres een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor nareis te geven.

Hiertegen heeft eiseres bij brief van 26 mei 2017 bezwaar gemaakt.

Bij brief van 16 maart 2018 heeft eiseres de staatssecretaris in gebreke gesteld.

Op 11 april 2018 heeft eiseres beroep ingesteld omdat de staatssecretaris volgens eiseres niet tijdig had beslist op het bezwaar.

Bij besluit van 17 april 2018 (het bestreden besluit) heeft de staatssecretaris het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en eiseres een dwangsom van € 400,– toegekend.

Volgens artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het beroep van 11 april 2018 vanaf dan ook tegen het bestreden besluit gericht.

De staatssecretaris heeft op 23 oktober 2018 een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld op de zitting van 25 oktober 2018. Referent, [naam] , is samen met de gemachtigde van eiseres naar de zitting gekomen. De staatssecretaris is niet naar de zitting gekomen, zoals hij in het verweerschrift al had vermeld.

Overwegingen

De feiten

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en zegt dat zij de Eritrese nationaliteit heeft. Zij is op dit moment in Soedan. Referent is geboren op [geboortedatum] , heeft de Eritrese nationaliteit en woont in Nijmegen. Referent en eiseres zeggen dat zij met elkaar getrouwd zijn.

Referent heeft bij besluit van 11 december 2015 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd gekregen en heeft daarna voor eiseres een mvv voor nareis gevraagd. Eiseres wil bij referent in Nederland zijn.

Voor de overige feiten verwijst de rechtbank naar het procesverloop.

Het standpunt van de staatssecretaris

2. De staatssecretaris vindt dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden om een mvv voor nareis te krijgen. Een kopie van een paspoort hoeft eiseres niet over te leggen. Wel moet ze van de staatssecretaris met andere (officiële) documenten haar identiteit aantonen. Omdat eiseres dat niet heeft gedaan en ze ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat ze er niets aan kan doen dat ze die andere (officiële) documenten niet heeft, is eiseres volgens de staatssecretaris niet in bewijsnood. Omdat de identiteit van eiseres niet is komen vast te staan, is het volgens de staatssecretaris niet mogelijk om te beoordelen of eiseres en referent een familierelatie hebben.

Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar (het beroep niet-tijdig)

3. Eiseres wilde met het beroep niet-tijdig bereiken dat de staatssecretaris een besluit op het bezwaar zou nemen. Dat heeft de staatssecretaris nu gedaan en eiseres heeft dus gekregen wat zij wilde. Daarom heeft eiseres nu geen belang meer bij een beoordeling van het beroep niet-tijdig, en verklaart de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet-tijdig niet meer inhoudelijk zal beoordelen.

De beoordeling van het bestreden besluit

4. De rechtbank leest de beroepsgronden van eiseres zo dat eiseres vindt dat de staatssecretaris niet mag stoppen met zijn beoordeling als hij vindt dat de identiteit van eiseres niet met documenten aannemelijk is gemaakt. De staatssecretaris moet volgens eiseres ook altijd de familierelatie beoordelen. Dat de staatssecretaris de beroepsgronden ook zo leest, blijkt uit de vierde alinea op pagina 3 van het verweerschrift.

5. Gelet op de beroepsgronden zal de rechtbank beoordelen of de staatssecretaris de aanvraag van eiseres op de juiste manier heeft getoetst.

6. Eiseres en de staatssecretaris zijn het erover eens dat deze zaak moet worden beoordeeld volgens de nieuwe vaste gedragslijn van de staatssecretaris zoals die is opgenomen in zijn brief van 23 november 20171 (de gedragslijn). Uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 16 mei 20182 blijkt dat de Afdeling de gedragslijn in overeenstemming vindt met artikel 11, tweede lid, van de Gezinsherenigings-richtlijn. Eiseres zegt in de beroepsgronden dat dit niet zo is, maar de rechtbank volgt dat – gelet op de rechtspraak van de Afdeling – niet.

7. In deze uitspraken heeft de Afdeling ook uitgelegd hoe zij de gedragslijn begrijpt: “Een vreemdeling moet zowel de gestelde familierelatie met de desbetreffende referent als zijn identiteit aantonen met officiële documenten. Indien een vreemdeling stelt dat hij geen officiële documenten over de gestelde familierelatie kan overleggen, moet hij dit aannemelijk maken. Als die vreemdeling dit aannemelijk heeft gemaakt, betrekt de staatssecretaris onofficiële documenten bij zijn beoordeling en kan hij aanvullend onderzoek aanbieden. Als die vreemdeling dit niet aannemelijk heeft gemaakt maar wel één of meer onofficiële documenten over de gestelde familierelatie heeft overgelegd, betrekt de staatssecretaris deze onofficiële documenten bij zijn beoordeling. Door de vreemdeling overgelegde onofficiële documenten over de gestelde familierelatie kunnen de staatssecretaris aanleiding geven om de desbetreffende vreemdeling aanvullend onderzoek aan te bieden. Hiervoor is in de eerste plaats vereist dat de onofficiële documenten die die vreemdeling over de gestelde familierelatie heeft overgelegd, substantieel bewijs zijn. In de tweede plaats is vereist dat die vreemdeling, als hij geen officiële documenten heeft overgelegd om zijn identiteit aan te tonen en stelt dat hij geen officiële identiteitsdocumenten kan overleggen, dit met een op de persoon toegespitste verklaring aannemelijk maakt óf substantieel bewijs van zijn identiteit in de vorm van één of meer onofficiële identiteitsdocumenten overlegt. De staatssecretaris biedt echter geen aanvullend onderzoek aan als een contra-indicatie van toepassing is.” Tot zover de uitleg van de gedragslijn van de Afdeling.

8. Als bijlage bij deze uitspraak van de rechtbank is een schema gevoegd waarmee de rechtbank laat zien hoe zij denkt dat de Afdeling de gedragslijn begrijpt.

9. Als de rechtbank kijkt naar (A) en (B) van het schema moet de vreemdeling primair zijn gestelde familierelatie met referent en zijn identiteit aantonen met officiële documenten. Dat dit een primaire eis is, blijkt volgens de rechtbank uit de uitspraak van de Afdeling van 16 mei 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1639) die is genoemd in punt 6.

Uit de gedragslijn volgt dat als de vreemdeling niet aan deze primaire eis voldoet, de staatssecretaris overgaat naar (C) van het schema. Bij (C) is vermeld dat de vreemdeling, als hij stelt dat hij geen officiële documenten over de gestelde familierelatie kan overleggen, dit aannemelijk moet maken.

(D) Als de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen officiële documenten over de gestelde familierelatie kan overleggen, betrekt de staatssecretaris onofficiële documenten bij zijn beoordeling en kan hij aanvullend onderzoek aanbieden.

(E) Ook als de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen officiële documenten over de gestelde familierelatie kan overleggen, maar wel één of meer onofficiële documenten over de gestelde familierelatie heeft overgelegd, betrekt de staatssecretaris die onofficiële documenten bij zijn beoordeling. Die documenten kunnen ook dan de staatssecretaris aanleiding geven om de vreemdeling aanvullend onderzoek aan te bieden. De rechtbank stelt vast dat hieraan echter ten opzichte van (D) twee extra voorwaarden zijn gesteld: (F) en (G). Dat deze voorwaarden alleen gelden voor (E), leidt de rechtbank af uit het feit dat de Afdeling in haar uitleg zegt: “Hiervoor is in de eerste plaats vereist (…)” en “In de tweede plaats is vereist (…)”. Volgens de rechtbank slaat “Hiervoor” alleen terug op (E).

Met andere woorden: als de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen officiële documenten over de gestelde familierelatie kan overleggen (E), kunnen eventueel overgelegde onofficiële documenten alleen aanleiding geven tot nader onderzoek als voldaan is aan de voorwaarden onder (F) en (G). Als de vreemdeling het niet kunnen overleggen van officiële documenten over de gestelde familierelatie wel aannemelijk heeft gemaakt (D), gelden die aanvullende voorwaarden niet voor het kunnen aanbieden van aanvullend onderzoek.

Volgens (F) is in de eerste plaats vereist dat de onofficiële documenten die de vreemdeling over de gestelde familierelatie heeft overgelegd, substantieel bewijs zijn.

Volgens (G) is in de tweede plaats vereist dat de vreemdeling, als hij geen officiële documenten heeft overgelegd om zijn identiteit aan te tonen en stelt dat hij geen officiële identiteitsdocumenten kan overleggen, dit (H) met een op de persoon toegespitste verklaring aannemelijk maakt óf (I) substantieel bewijs van zijn identiteit in de vorm van één of meer onofficiële identiteitsdocumenten overlegt.

Hieruit blijkt volgens de rechtbank dat als de vreemdeling stelt dat hij (B) zijn identiteit niet met officiële documenten kan aantonen, het vervolg van de identiteitstoets pas in het kader van (E) aan de orde kan komen. Daaruit volgt volgens de rechtbank weer dat de staatssecretaris (eventueel) pas kan concluderen dat de vreemdeling zijn identiteit niet aannemelijk heeft gemaakt nadat hij (E), en daarmee ook (F), (G), (H) en (I) heeft doorlopen. Als de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden van (D), en de staatssecretaris dus niet toekomt aan het beoordelen van (E), kan de staatssecretaris de eisen (F), (G) , (H) en (I) niet stellen. De staatssecretaris mag dan dus niet eisen dat de vreemdeling zijn identiteit op de bij (H) en (I) genoemde manier aannemelijk maakt. Daarom kan in de beoordeling niet worden volstaan met de vaststelling dat iemand zijn identiteit niet met een op de persoon toegespitste verklaring of met substantieel bewijs in de vorm van onofficiële identiteitsdocumenten aannemelijk heeft gemaakt; er zal ook moeten worden beoordeeld of iemand aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen officiële documenten over de gestelde familierelatie kan overleggen (D), in welk geval zonder de aanvullende eisen zoals genoemd onder (F) en (G) kan worden besloten tot het aanbieden van aanvullend onderzoek (D). Dat dat aanvullend onderzoek alleen op de gestelde familierelatie kan zien, blijkt niet uit de uitleg van de Afdeling; het is – die uitleg volgend – dus mogelijk dat een vreemdeling die geen officiële identiteits- of familierelatiedocumenten heeft (A/B), maar wel aannemelijk maakt dat hij geen officiële documenten over de gestelde familierelatie kan overleggen (C), vervolgens naar aanleiding van de onofficiële documenten die hij wel heeft overgelegd, aanvullend onderzoek krijgt aangeboden dat ziet op de gestelde familierelatie en/of zijn identiteit (D).

10. Vervolgens stelt de rechtbank vast dat uit het bestreden besluit blijkt dat de staatssecretaris voor mensen met de Eritrese nationaliteit, een paspoort, een identiteitskaart, een rijbewijs en een residence card ziet als officiële documenten om hun identiteit aan te tonen. Officiële documenten om hun gestelde familierelatie aan te tonen zijn volgens de staatssecretaris: een paspoort, een geboorteakte en een huwelijksakte, mits die is opgenomen in het register van de burgerlijke stand van Eritrea.

11. Eiseres hoeft van de staatssecretaris geen (kopie van een) paspoort over te leggen. Eiseres en de staatssecretaris zijn het er verder over eens dat eiseres geen van de andere bij punt 10 genoemde officiële documenten om haar identiteit aan te tonen, heeft overgelegd.

12. Over de gestelde familierelatie van eiseres en referent staat in de brief van referent van 8 november 2016 dat zij geen door de Eritrese overheid afgegeven document hebben om aan te tonen dat zij met elkaar zijn getrouwd, omdat zij uit een regio komen waar geen wettelijke documenten worden verstrekt. De rechtbank stelt vast dat de staatssecretaris hierover in het bestreden besluit niets heeft gezegd; hij heeft niet gezegd of hij het wel of niet aannemelijk vindt dat eiseres om die reden de benodigde officiële huwelijksakte niet kan overleggen. De staatsecretaris is helemaal niet ingegaan op de familierelatie van eiseres en referent. Dat heeft te maken met het volgende.

13. In de vijfde alinea op pagina 3 van het primaire besluit zegt de staatssecretaris het volgende: “Het is daarom niet gebleken dat het ontbreken van een identificerend document u niet is toe te rekenen. Er wordt dus geen bewijsnood aangenomen ten aanzien van het ontbreken van een identificerend document. (…) U voldoet niet aan de voorwaarden. Daarom wijs ik uw aanvraag af.”

In de vijfde alinea op pagina 3 van het bestreden besluit, waarvan het primaire besluit deel uitmaakt, zegt de staatssecretaris het volgende: “Nu de identiteit van de betrokkene niet is vast komen te staan, is het reeds daarom niet mogelijk om te beoordelen of er sprake is van een familierechtelijke relatie tussen u en de betrokkene. In het bestreden besluit [lees: het primaire besluit] is hier dan ook terecht niet op ingegaan.”

14. Gelet op de wijze van toetsing als vermeld bij punt 9, heeft de staatssecretaris ten onrechte niet (meer) gekeken naar de gestelde familierelatie van eiseres en referent.

15. Eiseres heeft de volgende vijf documenten overgelegd:

 Een schoolboekje, dan wel een leerlingenkaart, schoolkaart of schoolpasje, van 1 december 2012, met twee vertalingen (leerlingenkaart).

 Een document over een huwelijksakte van de shariarechtbank van Keren van 16 mei 2014, met een vertaling.

 Een Engelstalig certificaat van 28 juli 2015 over diverse computercursussen in Keren in Eritrea in de periode van 2 april 2015 tot 28 juli 2015.

 Een kaart voor niet-beroepsmatig werk van het hoofdbureau van Politie in Khartoum in Soedan van 18 september 2017, met een vertaling.

 Een tijdelijke vreemdelingenkaart voor Soedan, van 3 oktober 2018, met een vertaling.

16. Hieruit blijkt dat eiseres in elk geval een huwelijksakte van de shariarechtbank in Keren heeft overgelegd om haar gestelde familierelatie met referent aan te tonen. Uit het bestreden besluit blijkt niet wat de staatssecretaris van deze huwelijksakte vindt in het kader van het aantonen van de familierelatie van eiseres en referent. Alles wat de staatssecretaris over deze huwelijksakte zegt, komt erop neer dat hij vindt daar daarmee de identiteit van eiseres niet kan worden aangetoond. Hoe dan ook, de staatssecretaris had moeten ingaan op de onderbouwing van eiseres van haar familierelatie met referent. Omdat de staatssecretaris dit niet heeft gedaan, is het besluit niet zorgvuldig voorbereid en niet goed gemotiveerd.

De conclusie

17. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd vanwege strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. De staatssecretaris zal met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar moeten nemen. Bij dat besluit zal de staatssecretaris in elk geval volgens de toetsingswijze die is vermeld bij punt 9, en die is vermeld in het schema, de door eiseres overgelegde documenten die zijn vermeld bij punt 15 en de door haar gegeven verklaringen moeten betrekken.

Het griffierecht en de proceskosten

18. Of de staatssecretaris het griffierecht dat eiseres voor het beroep niet-tijdig heeft betaald aan eiseres moet terugbetalen, hangt af van het oordeel van de rechtbank over de rechtmatigheid van het toch nog genomen inhoudelijk besluit. Omdat het beroep tegen het inhoudelijk besluit gegrond is, moet de staatssecretaris het betaalde griffierecht aan eiseres terugbetalen.

19. De gemachtigde van eiseres heeft op de zitting gezegd dat de staatssecretaris vaak niet (tijdig) reageert waardoor advocaten gedwongen worden een beroep niet-tijdig in te dienen, wat hen veel extra werk kost. Daarom heeft de gemachtigde van eiseres de rechtbank verzocht om als signaal aan de staatssecretaris, te bepalen dat de staatssecretaris het griffierecht aan eiseres moet terugbetalen. De rechtbank merkt op dat zij wel heeft bepaald dat de staatssecretaris het griffierecht aan eiseres moet terugbetalen, maar dat dit niet moet worden gezien als het signaal waarom de gemachtigde van eiseres heeft gevraagd.

20. De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten worden door de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.127,25 (1 punt voor het indienen van het beroep niet-tijdig met een waarde per punt van € 501,– en een wegingsfactor 0,25 – de rechtbank vindt een beroep niet-tijdig van zeer gering gewicht omdat het alleen gaat om de vraag of de staatssecretaris niet tijdig heeft beslist; van daar deze wegingsfactor – 1 punt voor het indienen van het beroep tegen het bestreden besluit, 1 punt voor het komen naar de zitting met een waarde per punt van € 501,– en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart het beroep niet-tijdig niet-ontvankelijk;

 verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond;

 vernietigt het bestreden besluit;

 draagt de staatssecretaris op een nieuw besluit op het bezwaar te nemen en daarbij rekening te houden met wat de rechtbank in deze uitspraak heeft geoordeeld;

 draagt de staatsecretaris op het griffierecht van € 170,– aan eiseres te vergoeden;

 veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.127,25, te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Lie, rechter, in aanwezigheid van P.L.M.M. Mulders, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 december 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, hoger beroep vreemdelingenzaken. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening. BIJLAGE

1 Kamerstukken II 2017/18, 19 637, nr. 2354

2 Te vinden op www.rechtspraak.nl onder de nummers: ECLI:NL:RVS:2018: 1508, ECLI:NL:RVS:2018:1509, ECLI:NL:RVS:2018:1637, ECLI:NL:RVS:2018:1638, ECLI:NL:RVS:2018:1639 en ECLI:NL:RVS:2018:1640.