Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:14477

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-11-2018
Datum publicatie
06-12-2018
Zaaknummer
NL18.19680
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Italië. Met betrekking tot het beroep van eiser op het wetsdecreet (Nr. 113/2018) staat vast dat eiser niet kan worden aangemerkt als een kwetsbare asielzoeker waardoor hij geen aanspraak kan maken op opvang in het SPRAR opvangsysteem. Dat het beperken van de groep asielzoekers die aanspraak kunnen maken op opvang in het SPRAR opvangsysteem volgens eiser mogelijk gevolgen heeft voor de overige opvangvoorzieningen in Italië, acht de rechtbank onvoldoende voor de conclusie dat op dit moment sprake is van structurele tekortkomingen in de opvangvoorzieningen. Terugkeer naar Italië leidt dus niet zonder meer tot een met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest strijdige situatie. Verweerder heeft in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding hoeven zien om op grond van artikel 17 van de Dublinverordening het asielverzoek aan zich te trekken. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.19680

uitspraak van de kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

gemachtigde: mr. E. de Geus,

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. J. Wieman.

Procesverloop

Bij besluit van 23 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is verschenen F.S. Camara-van Hoven, tolk.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de [nationaliteit] nationaliteit.

Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser de buitengrens van de lidstaten die gebonden zijn aan de Eurodacverordening op illegale wijze heeft overschreden via Italië en dat eiser in Italië een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Op 15 juli 2018 heeft eiser de onderhavige aanvraag ingediend. Verweerder heeft de Italiaanse autoriteiten op

31 juli 2018 verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening (EU) Nr. 604/2013 (Dublinverordening). Italië heeft hier niet tijdig op gereageerd. Op grond van artikel 25, tweede lid, van de Dublinverordening staat dit gelijk met het aanvaarden van het terugnameverzoek. De verantwoordelijkheid van Italië staat daarmee sinds 15 augustus 2018 vast.

2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van deze aanvraag.

3. Eiser heeft als beroepsgrond aangevoerd dat ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser voert daartoe aan dat op 5 oktober 2018 in Italië het Wetsdecreet Nr. 113/2018 (decreet) in werking is getreden, welk decreet onder meer de toegang tot het SPRAR opvangsysteem beperkt tot personen die internationale bescherming genieten en niet-begeleide kinderen. Asielzoekers, niet zijnde niet-begeleide kinderen, hebben daardoor alleen nog toegang tot grootschalige eerstelijns- en tijdelijke opvangcentra (CAS), welke vorm van opvang structurele tekortkomingen kent. Eiser heeft in Italië eerder asiel aangevraagd en moest na de afwijzing van zijn aanvraag de opvang verlaten. Volgens eiser is de kans klein dat hij in Italië opnieuw opvang zal krijgen, zodat hij weer op straat of in een 'informal settlement' terecht komt waardoor hij onder mensonterende omstandigheden zal moeten leven. Daarbij heeft eiser er op gewezen dat Italië het terugnameverzoek niet uitdrukkelijk heeft geaccepteerd. Voorts is er volgens eiser een toename van racistisch geweld in Italië. Ook is de rechtshulp onvoldoende geregeld in Italië.

Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser gewezen op de volgende stukken:

  • -

    SFH/OSAR rapport van 15 augustus 2016;

  • -

    Médecins Sans Frontières rapport van 8 februari 2018;

  • -

    Update Asylum Information Database (AIDA) rapport van 21 maart 2018;

  • -

    een uitspraak van de administratieve rechtbank van Luxemburg van 10 juli 2018 (zaaknummer 4140L/18);

  • -

    het bericht “Nieuw wetsdecreet heeft grote gevolgen voor de omstandigheden en rechten van asielzoekers in Italië” van VluchtelingenWerk Nederland, van 2018 (Update 2018, nr. 41);

  • -

    een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 18 oktober 2018 (ECLI:NL:RBDHA:2018:12420);

  • -

    een uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem van 25 oktober 2018 (NL18.17785);

  • -

    een brief met bijlagen van het Landelijk Bureau van VluchtelingenWerk Nederland (VWN) van 31 oktober 2018.

3.1.

De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt is dat verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van mag uitgaan dat Italië zijn verdragsverplichtingen nakomt. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat dit anders is. Hierin is eiser niet geslaagd.

3.2.

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft in verschillende arresten, onder meer het arrest van 26 november 2015 in de zaak J.A. en anderen tegen Nederland (ECLI:CE:ECHR:2015:1103DEC002145914) en van 9 juni 2016 in de zaak S.M.H. tegen Nederland (ECLI:CE:ECHR:2016:0517DEC000586813) geoordeeld dat de structuur van en de algehele omstandigheden in het Italiaanse asiel- en opvangsysteem niet zodanig zijn dat overdracht aan dat land zonder meer leidt tot een met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest strijdige situatie. Er zijn weliswaar tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen, maar deze zijn niet zo ernstig dat deze aan de overdracht van asielzoekers aan Italië in de weg staan. In het arrest van 7 juni 2018 in de zaak H. en anderen tegen Zwitserland (ECLI:CE:ECHR:2018:0515DEC006798116) heeft het EHRM nog geoordeeld dat de situatie in Italië niet vergeleken kan worden met de situatie in Griekenland ten tijde van de uitspraak in de zaak M.S.S. tegen België en Griekenland (ECLI:CE:ECHR:2011:0121JUD003069609 (http://pi.rechtspraak.minjus.nl/)) en dat de structuur en de algehele situatie van de ontvangstregelingen in Italië op zichzelf onvoldoende zijn om overdracht naar dat land te belemmeren.

3.3.

Uit een aantal uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt eveneens dat ten aanzien van Italië nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De Afdeling heeft, onder meer in haar uitspaken van 27 augustus 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2791) en 10 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2278) onder verwijzing naar jurisprudentie van het EHRM, geoordeeld dat de situatie in Italië niet zodanig is dat overdracht aan dat land zonder meer leidt tot een met artikel 4 van het Handvest dan wel artikel 3 van het EVRM strijdige situatie. De Afdeling heeft deze lijn recentelijk voortgezet in haar uitspraken van

6 augustus 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2614) en 10 oktober 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3246).

3.4.

De door eiser aangehaalde stukken, voor zover deze niet zijn betrokken bij voornoemde uitspraken, geven geen wezenlijk ander beeld van de situatie van de asielprocedure en opvangvoorzieningen in Italië dan de informatie die in de uitspraken van het EHRM en de Afdeling is beoordeeld. De stukken bevestigen weliswaar dat sprake is van tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Italië, maar bieden onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake is van dusdanig ernstige structurele tekortkomingen dat op grond daarvan niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Voor zover eiser verwijst naar een uitspraak van de Luxemburgse administratieve rechter van 10 juli 2018 volgt de rechtbank hem dan ook niet.

3.5.

Met betrekking tot het beroep op het decreet staat vast dat eiser niet kan worden aangemerkt als een kwetsbare asielzoeker waardoor hij geen aanspraak kan maken op opvang in het SPRAR opvangsysteem. Dat, zoals eiser onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 18 oktober 2018 stelt, het beperken van de groep asielzoekers die aanspraak kunnen maken op opvang in het SPRAR opvangsysteem mogelijk gevolgen heeft voor de overige opvangvoorzieningen in Italië, acht de rechtbank onvoldoende voor de conclusie dat op dit moment sprake is van structurele tekortkomingen in de opvangvoorzieningen. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om, zoals eiser heeft verzocht, de zaak aan te houden om verweerder in staat te stellen nader onderzoek te doen naar die mogelijke consequenties van het beperken van de toegang tot het SPRAR opvangsysteem voor de overige opvangvoorzieningen in Italië. Het beroep van eiser op de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 25 oktober 2018, slaagt gelet hierop evenmin.

3.6.

Indien eiser meent dat Italië handelt in strijd met de Opvangrichtlijn dient hij zich hierover te beklagen bij de autoriteiten in Italië. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat blijkens artikel 20 van de Opvangrichtlijn de lidstaten de materiële opvangvoorzieningen in geval van opvolgende verzoeken kunnen beperken. Indien eiser in Italië (wederom) geconfronteerd wordt met racistisch geweld of als hij daar geen of gebrekkige rechtsbijstand krijgt, dient hij zich hierover eveneens te beklagen bij de Italiaanse autoriteiten. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat zij hem niet zouden kunnen of willen helpen. Eisers verklaring dat hij het slachtoffer is geweest van racistisch geweld en dit heeft gemeld in het opvangkamp, dat dit is doorgegeven aan de politie en dat die hier niets mee hebben gedaan, is daartoe onvoldoende. Niet is gebleken dat de eiser zich heeft gewend tot andere of hogere autoriteiten om hierover te klagen.

4. In hetgeen eiser heeft aangevoerd heeft verweerder gelet op het voorgaande eveneens geen aanleiding hoeven zien om op grond van artikel 17 van de Dublinverordening het asielverzoek aan zich te trekken.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Wegman, rechter, in aanwezigheid van

mr. L.W.F. van Deyzen, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen een week na de dag van bekendmaking.