Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:14425

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-11-2018
Datum publicatie
31-01-2019
Zaaknummer
C/09/548053 / HA RK 18-84
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

RWN: verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer

Rekestnummer: HA RK 18-84

Zaaknummer: C/09/548053

Datum beschikking: 27 november 2018

Beschikking op het op 13 februari 2018 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoeker]

verzoeker,

wonende te [woonplaats] ,

in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ),

wonende te Pakistan,

advocaat mr. W.R.S. Ramhit te Hoofddorp.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verder te noemen “de IND”),

zetelende te ’s-Gravenhage,

vertegenwoordigd door mr. R.Y. Reckers.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- de brief van 12 april 2018 van de zijde van de IND;

- de brief van 7 mei 2018 van de zijde van verzoeker;

- de brief van 23 mei 2018 van de IND;

- de conclusie van de officier van justitie van 2 oktober 2018.

Op 30 oktober 2018 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: verzoeker met zijn advocaat en [naam tolk] tolk Punjabi, en mr. R.Y. Reckers namens de IND. De officier van justitie heeft schriftelijk medegedeeld geen behoefte te hebben aan het bijwonen van de mondelinge behandeling.

Verzoek en het standpunt van de IND en de officier van justitie

Het verzoekschrift strekt tot vaststelling van het Nederlanderschap van [minderjarige] , met veroordeling van de IND in de proceskosten.

De IND concludeert tot afwijzing van het verzoek.

De officier van justitie heeft bij voormelde conclusie medegedeeld zich aan te sluiten bij het standpunt van de IND.

Feiten

- Bij Koninklijk Besluit van 30 december 2005 heeft verzoeker, geboren te

[geboortedatum] te [geboorteplaats] (Pakistan), de Nederlandse nationaliteit verkregen.

- Op [huwelijksdatum] huwde verzoeker met [ex echtgenote verzoeker] (hierna: [ex echtgenote verzoeker] ). Dit huwelijk is op [datum echtscheiding] door echtscheiding ontbonden.

- Op [huwelijksdatum] is verzoeker te [huwelijksplaats] (Pakistan) naar Pakistaans recht gehuwd met [naam van de moeder] (hierna: de moeder), welk huwelijk nog altijd voortduurt.

- Uit de moeder is op [geboortedatum minderjarige] te [geboorteplaats minderjarige] (Pakistan) [minderjarige] geboren.

- Naar Pakistaans recht is verzoeker de vader van [minderjarige] .

  • -

    De moeder heeft de Pakistaanse nationaliteit.

  • -

    Bij beschikking van deze rechtbank van 12 februari 2015 is het verzoek, door de bijzondere curator namens [minderjarige] gedaan, om het vaderschap van verzoeker over [minderjarige] gerechtelijk vast te stellen afgewezen, kort gezegd omdat de familierechtelijke betrekking tussen verzoeker en [minderjarige] , zoals deze in de Pakistaanse geboorteakte van [minderjarige] is vastgelegd, in Nederland moet worden erkend.

  • -

    Op 4 juni 2015 heeft verzoeker bij de Nederlandse ambassade te Islamabad (Pakistan) een Nederlands paspoort voor [minderjarige] aangevraagd. Bij beslissing van 16 juni 2015 van de Minister van Buitenlandse Zaken is deze aanvraag buiten behandeling gesteld.

  • -

    Tegen deze beslissing heeft verzoeker een bezwaarschrift ingediend. Bij beslissing op bezwaar van 22 september 2015 is het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.

  • -

    Tegen de beslissing op bezwaar heeft verzoeker beroep ingesteld bij de bestuursrechter van deze rechtbank. Bij uitspraak van 17 mei 2016 is – voor zover hier van belang –:

- het beroep van verzoeker gegrond verklaard;

- het bestreden besluit vernietigd;

- bepaald dat de aanvraag van verzoeker om afgifte van een nationaal paspoort aan [minderjarige] moet worden toegewezen.

  • -

    Op 8 juni 2016 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken hoger beroep aangetekend tegen deze uitspraak bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

  • -

    De Raad van State heeft bij uitspraak van 29 september 2016 het hoger beroep gegrond verklaard en de uitspraak van deze rechtbank van 17 mei 2016 vernietigd.

Beoordeling

In geschil is of [minderjarige] in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit.

Verzoeker stelt dat op [datum echtscheiding] het eerst gesloten huwelijk tussen verzoeker en [ex echtgenote verzoeker] is ontbonden. Vanaf dat moment is geen sprake meer van bigamie en kan het huwelijk tussen de ouders van [minderjarige] in Nederland worden erkend. Nu verzoeker op het moment van geboorte van [minderjarige] Nederlander was en gehuwd met de moeder van [minderjarige] is [minderjarige] op grond van artikel 3 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) jo. artikel 1:199 van het Burgerlijk Wetboek (BW) Nederlander. Verzoeker verwijst verder naar de beschikking van deze rechtbank van 28 augustus 2018 in de zaak met kenmerk HA RK 16-189 / C/09/509060 en stelt dat in die vergelijkbare zaak het Nederlanderschap van de minderjarigen is vastgesteld.

De IND voert verweer onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 19 mei 2017 (ECLI:NL:HR:2017:942).

De rechtbank overweegt als volgt.

Op grond van artikel 3 lid 1 RWN is Nederlander het kind waarvan ten tijde van zijn geboorte de vader of de moeder Nederlander is. Vast staat dat verzoeker ten tijde van de geboorte van [minderjarige] Nederlander was. Verder staat vast dat [minderjarige] is geboren uit een op dat moment bigaam huwelijk.

De rechtbank is van oordeel dat de zaak waar verzoeker naar verwijst geen vergelijkbare zaak betreft, nu in die zaak geen sprake was van een minderjarige die is geboren uit een ten tijde van de geboorte bigaam huwelijk. Nu geen sprake is van een vergelijkbaar geval treft het beroep van verzoeker reeds daarom geen doel.

De vraag is of verzoeker in het kader van de toepassing van artikel 3 RWN ten tijde van de geboorte als de vader van [minderjarige] aangemerkt kan worden.

Vast staat dat verzoeker naar Pakistaans recht, op grond van zijn huwelijk met de moeder, bij de geboorte van [minderjarige] de vader is geworden van [minderjarige] . Beoordeeld moet worden of deze in Pakistan tot stand gekomen afstammingsrelatie in Nederland kan worden erkend. Dit moet worden beoordeeld aan de hand van de artikelen 10:101 BW in samenhang met artikel 10:100 BW. Op grond van deze bepalingen wordt – voor zover hier aan de orde – een in het buitenland tot stand gekomen rechtsfeit of rechtshandeling waarbij familierechtelijke betrekkingen zijn vastgesteld of gewijzigd – in casu de naar Pakistaans recht tot stand gekomen afstammingsrelatie tussen verzoeker en [minderjarige] – erkend, tenzij

- aan de rechtshandeling geen behoorlijk onderzoek of behoorlijke rechtspleging is

voorafgegaan, of

- de erkenning van de rechtshandeling onverenigbaar is met de openbare orde.

Het toetsen van de geldigheid van het aan de afstamming ten grondslag liggende huwelijk is weliswaar geen zelfstandig vereiste bij het toepassen van de erkenningsregel van artikel 10:101 BW, maar dient wel aan de orde te komen in het kader van de openbare orde-toets van artikel 10:100 lid 1, onderdeel c, BW. Dat betekent dat indien een in het buitenland ontstane familierechtelijke betrekking voortvloeit uit een huwelijk waaraan in Nederland erkenning wordt onthouden wegens kennelijke onverenigbaarheid met de openbare orde in de zin van artikel 10:32 BW, ook de erkenning van die familierechtelijke betrekking afstuit op de weigeringsgrond van de openbare orde als bedoeld in artikel 10:100 lid 1, onderdeel c, BW. De rechtbank verwijst hierbij naar haar uitspraak van 31 augustus 2017 (ECLI:NL: RBDHA:2017:10088).

In deze zaak geldt dat het huwelijk waaruit [minderjarige] is geboren aanvankelijk niet kon worden erkend op grond van artikel 10:32, aanhef en onder a, BW omdat verzoeker de Nederlandse nationaliteit bezat en het een bigaam huwelijk betrof. Vanaf het moment dat het eerdere huwelijk van verzoeker werd ontbonden, te weten op 27 mei 2008, stuit de erkenning van het huwelijk waaruit [minderjarige] is geboren niet langer af op de weigeringsgrond van artikel 10:32, aanhef en onder a, BW en aldus stuit de erkenning van de familierechtelijke betrekking tussen verzoeker en [minderjarige] met ingang van die datum ook niet langer af op de weigeringsgrond van artikel 10:100 lid 1, onderdeel c, BW.

Vervolgens dient te worden beoordeeld met ingang van welk tijdstip in Nederland rechtsgevolg toekomt aan de erkenning van de familierechtelijke betrekking tussen verzoeker en [minderjarige] . De Hoge Raad heeft in dit verband vooropgesteld (zie ECLI:NL:HR:2017:942) dat deze vraag zich niet in algemene zin laat beantwoorden, maar dat het hierbij aankomt op de inhoud en de strekking van de wettelijke bepaling(en) en de daardoor in het leven geroepen rechtsgevolgen met het oog waarop de erkenning van de familierechtelijke betrekking plaatsvindt. In dit geval gaat het om de erkenning van de familierechtelijke betrekking tussen verzoeker en [minderjarige] met het oog op een verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap ex artikel 17 RWN.

Uit het bepaalde in artikel 2 lid 1 RWN volgt dat de verkrijging van het Nederlanderschap geen terugwerkende kracht heeft en uit het bepaalde in artikel 3 lid 1 RWN volgt dat de vraag of een kind als gevolg van afstamming door geboorte van rechtswege het Nederlanderschap heeft verkregen, dient te worden beoordeeld naar het tijdstip van zijn geboorte. Ten tijde van de geboorte van [minderjarige] kon het huwelijk van verzoeker met de moeder hier te lande niet worden erkend en derhalve kon op dat moment ook niet de uit dat huwelijk voortvloeiende familierechtelijke betrekking worden erkend. Dus ontstond er toen voor [minderjarige] geen Nederlanderschap op grond van artikel 3 RWN. De omstandigheid dat de familierechtelijke betrekking tussen verzoeker en [minderjarige] inmiddels kan worden erkend, leidt er niet toe dat [minderjarige] op enig ander tijdstip na zijn geboorte van rechtswege het Nederlanderschap heeft verkregen.

De Hoge Raad heeft overwogen dat het stelsel van de RWN eraan in de weg staat dat het kind dat is geboren uit een ten tijde van zijn geboorte polygaam huwelijk waaraan naderhand het polygame karakter is ontvallen uitsluitend op grond van zijn afstamming van een Nederlandse vader of moeder van rechtswege het Nederlanderschap verkrijgt met terugwerkende kracht tot het tijdstip van zijn geboorte, dan wel met ingang van enig ander tijdstip (zoals het tijdstip waarop het polygame karakter aan dat huwelijk is ontvallen). De Hoge Raad overweegt verder in r.o. 3.10.6:

“Opmerking verdient dat art. 4 leden 1, 2 en 4 RWN erin voorziet dat een kind dat niet is geboren uit het huwelijk van de vader met de moeder, van rechtswege het Nederlanderschap kan verkrijgen als gevolg van erkenning door een Nederlandse vader, dan wel als gevolg van gerechtelijke vaststelling van het ouderschap van een Nederlandse vader.

De RWN voorziet niet in het zich in de onderhavige zaak voordoende geval dat aan het buiten Nederland gesloten huwelijk van de vader met de moeder het polygame karakter is ontvallen, en dat huwelijk alsmede de daaruit voortvloeiende familierechtelijke betrekking tussen de vader en het kind op de voet van art. 10:31 BW, respectievelijk art. 10:101 lid 1 BW in verbinding met art. 10:100 lid 1 BW, hier te lande inmiddels worden erkend (zie hiervoor in 3.9.2).

Een zodanig geval kan voor de toepassing van de RWN in zoverre op een lijn worden gesteld met het in de eerste alinea bedoelde geval dat – vanaf het tijdstip waarop het polygame karakter aan het huwelijk van de vader met de moeder is ontvallen – met toepassing van het door art. 10:95 BW, respectievelijk art. 10:97 BW aangewezen recht kan worden overgegaan tot erkenning door de vader (vgl. art. 1:203 BW), dan wel tot gerechtelijke vaststelling van het ouderschap van de vader (vgl. art. 1:207 BW), een en ander met het oog op de verkrijging van het Nederlanderschap door het kind op de voet van art. 4 leden 1, 2 en 4 RWN. Aan deze mogelijkheid staat niet in de weg dat het kind na genoemd tijdstip al een in Nederland erkende familierechtelijke betrekking met de vader heeft (zie hiervoor in 3.9.2); die omstandigheid is immers onvoldoende voor verkrijging van rechtswege van het Nederlanderschap door het kind (zie hiervoor in 3.10.5), maar de daarvoor redengevende argumenten brengen niet mee dat die verkrijging onmogelijk moet blijven wanneer inmiddels de familierechtelijke betrekking tussen de vader en het kind in Nederland wordt erkend. Ook het beletsel dat het kind reeds twee ouders heeft (vgl. art. 1:204 lid 1, aanhef en onder e, BW, respectievelijk art. 1:207 lid 2, aanhef en onder a, BW) staat aan die mogelijkheid niet in de weg, nu deze erkenning, dan wel gerechtelijke vaststelling van het ouderschap, niet ertoe leidt dat het kind in een familierechtelijke betrekking tot meer dan twee personen komt te staan.

Uit art. 2 lid 1 RWN vloeit voort dat in de hiervoor bedoelde gevallen de verkrijging van het Nederlanderschap geen terugwerkende kracht heeft, maar pas haar beslag krijgt op het daartoe door art. 4 RWN aangewezen tijdstip.”

De rechtbank heeft ter zitting de mogelijkheid die de Hoge Raad in voornoemd arrest schetst om door middel van erkenning dan wel gerechtelijke vaststelling van het vaderschap alsnog het Nederlanderschap voor [minderjarige] te verkrijgen besproken.

Verzoeker heeft in dat kader aangevoerd dat hij omstreeks 2015 reeds heeft getracht [minderjarige] in Nederland te erkennen. De ambtenaar van de burgerlijke stand heeft dit toen geweigerd omdat er volgens de ambtenaar al een familierechtelijke betrekking bestond. Daarnaast is bij beschikking van 12 februari 2015 van deze rechtbank het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap over [minderjarige] afgewezen. Verzoeker erkent echter dat deze pogingen tot erkenning en gerechtelijke vaststelling van het vaderschap zijn gedaan vóór het arrest van de Hoge Raad dat op 19 mei 2017 is gewezen.

De IND heeft ter zitting verklaard niet bekend te zijn met een vergelijkbare zaak waarin op de door de Hoge Raad geschetste wijze alsnog het Nederlanderschap is verkregen. De IND stelt zich evenwel op het standpunt dat wanneer verzoeker [minderjarige] alsnog naar Nederlands recht zou erkennen, aan het vereiste van artikel 4 lid 4 RWN is voldaan, mits er tijdig een rechtsgeldig DNA-onderzoek wordt overgelegd waaruit het biologisch ouderschap van verzoeker over [minderjarige] blijkt.

Uit het voorgaande volgt dat [minderjarige] niet bij geboorte noch op enig ander tijdstip nadien op grond van de RWN van rechtswege het Nederlanderschap heeft verkregen. Daarom zal het verzoek ex artikel 17 RWN worden afgewezen.

Proceskosten

Nu het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap wordt afgewezen zal ook het verzoek om de IND in de proceskosten van verzoeker te veroordelen worden afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. O.F. Bouwman, S.M. Westerhuis-Evers en J.C. Sluymer, bijgestaan door V. van den Hoed-Koreneef als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 november 2018.