Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:14418

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-11-2018
Datum publicatie
31-01-2019
Zaaknummer
C/09/541589 / HA RK 17-517
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

rijkswet op het nederlanderschap

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer

Rekestnummer: HA RK 17-517

Zaaknummer: C/09/541589

Datum beschikking: 20 november 2018

Beschikking op het op 19 oktober 2017 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoekers] (dan wel: [verzoekster] ) [verzoekster] ,

verzoekers, dan wel verzoeker of verzoekster,

optredend in de hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers van [minderjarige] , ook bekend als [minderjarige] of [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] ),

voor deze zaak woonplaats kiezende ten kantore van hun advocaat,

mr. E. Tahitu te Amsterdam.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verder te noemen “de IND”),

zetelende te ’s-Gravenhage,

vertegenwoordigd door mr. C.J. Cappon.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- de brieven van 15 november 2017 en 15 februari 2018 van de IND;

- de conclusie van de officier van justitie van 7 juni 2018;

- de brief van verzoekers van 20 september 2018.

Op 25 september 2018 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: verzoeker met zijn advocaat en met [naam tolk] tolk in het Pasjtoe, en namens de IND mr. C.J. Cappon. Van de zijde van verzoekers zijn pleitnotities overgelegd. Verzoekster is – hoewel behoorlijk opgeroepen – niet ter terechtzitting verschenen.

De officier van justitie heeft schriftelijk medegedeeld geen behoefte te hebben aan het bijwonen van de mondelinge behandeling.

Verzoek en het standpunt van de IND en de officier van justitie

Het verzoekschrift strekt tot vaststelling van het Nederlanderschap van [minderjarige] , een en ander met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en met veroordeling van de IND in de proceskosten.

De IND concludeert tot afwijzing van het verzoek.

De officier van justitie heeft bij voormelde conclusie medegedeeld zich aan te sluiten bij het standpunt van de IND.

Feiten

- Verzoeker, geboren op [naam tolk] te [geboorteplaats] , Afghanistan, heeft op 10 juli 2002 een naturalisatieverzoek ingediend en daarbij aangegeven geen minderjarige kinderen te hebben voor wie om medenaturalisatie wordt verzocht.

- Op 24 januari 2003 is verzoeker op de Afghaanse ambassade te [plaatsnaam 2] , Duitsland gehuwd met [verzoekster] (verzoekster), geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , Afghanistan. Dit huwelijk is geregistreerd in de Nederlandse Basisregistratie Personen (BRP). Blijkens een origineel huwelijksboekje huwden verzoekers op [huwelijksdatum] te [huwelijksplaats] , Afghanistan.

- Verzoeker heeft bij Koninklijk Besluit van 26 mei 2003 de Nederlandse nationaliteit verkregen. In het Koninklijk besluit is niets vermeld over medenaturalisatie van minderjarige kinderen.

- Blijkens een Duits uittreksel uit het geboorteregister is op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , Duitsland, [minderjarige] geboren. Verzoekers staan in dit uittreksel als ouders vermeld.

- Blijkens een op 4 mei 2011 door het Department of Population and Registration te
Afghanistan afgegeven identiteitsbewijs (tazkera) is [minderjarige] (hier vermeld als [andere vermelding naam mj] )
geboren op [afwijkende geboortedatum] te [andere geboorteplaats] , Afghanistan. Op dit document is
aangetekend dat [minderjarige] ten tijde van de afgifte negen (9) jaar oud was. De tazkera
vermeldt verzoeker als vader van [minderjarige] . De tazkera bevat geen gegevens over de
moeder.

- Bij de Nederlandse vertegenwoordiging te Kiev, Oekraïne is op 24 december 2014 door verzoekers een Nederlands paspoort aangevraagd voor [andere vermelding naam mj] , geboren op [afwijkende geboortedatum] te [andere geboorteplaats] , Afghanistan. Bij de aanvraag is de tazkera overgelegd.

- De paspoortaanvraag is door het ministerie van Buitenlandse Zaken niet in behandeling genomen omdat er ernstige twijfel bestond over de identiteit van de persoon ten behoeve van wie de aanvraag was ingediend. Tegen dit op 20 januari 2016 genomen besluit is bezwaar gemaakt, welk bezwaar op 28 juni 2016 ongegrond is verklaard.

- Vervolgens is tegen de beslissing op bezwaar van 28 juni 2016 beroep ingesteld, welk beroep op 2 februari 2017 door deze rechtbank ongegrond is verklaard. In deze uitspraak is vermeld dat [minderjarige] van 29 november 2003 tot 11 augustus 2008 ingeschreven was in de BRP in [plaatsnaam 1] . Deze laatste datum volgt ook uit een kopie van een uittreksel van de gemeente [plaatsnaam 1] van 28 januari 2016.

Beoordeling

In geschil is of [minderjarige] de Nederlandse nationaliteit heeft.

Verzoekers stellen dat dit het geval is en voeren daartoe, verkort weergegeven, het volgende aan. [minderjarige] is hun tijdens hun huwelijk geboren zoon. Hij is geboren in [geboorteplaats] , Duitsland op [geboortedatum] en heeft daarbij de geslachtsnaam van verzoekster gekregen omdat de man niet bij de bevalling aanwezig was. Toen verzoeker in 2002 zijn naturalisatieverzoek in Nederland indiende wist hij nog niet dat verzoekster zwanger was, zodat hij bij de aanvraag niet ook om mede naturalisatie van [minderjarige] heeft gevraagd. [minderjarige] is echter wel geboren voordat het naturalisatiebesluit is afgegeven. Samen met verzoekster is [minderjarige] in 2004 naar Nederland gekomen. Uit het huwelijk van verzoekers zijn later nog drie kinderen geboren die allemaal de Nederlandse nationaliteit hebben, zodat sprake is van ongelijkheid binnen het gezin van verzoekers. De geboortedatum op de in Afghanistan afgegeven tazkera van [minderjarige] is onjuist. De tazkera is in 2011 in haastige omstandigheden, via een agent, in Afghanistan opgemaakt. Aan deze agent zijn de juiste gegevens geleverd maar bij de registratie van die gegevens zijn in voornaam, en de geboortedatum en -plaats fouten gemaakt. Verzoekers zijn bereid om zo nodig via een DNA-test aan te tonen dat [minderjarige] hun zoon is.

De IND stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. De IND erkent dat [minderjarige] is geboren tijdens het huwelijk van verzoekers. Voor [minderjarige] is indertijd echter geen verzoek tot medeverlening van naturalisatie gedaan, zodat [minderjarige] niet in de naturalisatieprocedure van verzoeker is meegenomen en ook niet heeft gedeeld in de naturalisatie van verzoeker. [minderjarige] is ook niet op andere wijze genaturaliseerd, zodat geconcludeerd moet worden dat hij de Nederlandse nationaliteit niet heeft. Voor het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit staat voor [minderjarige] de weg open van artikel 11 lid 4 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN), de zogenaamde na-naturalisatie. De discrepantie tussen de Afghaanse tazkera en de Duitse geboorteakte, met een afwijkende geslachts- en voornaam, geboortedatum en geboorteplaats, maakt wel dat er bij de IND gerede twijfel bestaat over de identiteit van [minderjarige] , ook in verband met diverse bij de IND bekende huwelijken tussen verzoekers en daaraan voorafgaand tussen verzoeker en anderen. Om op grond van artikel 11 lid 4 RWN alsnog het Nederlanderschap te verkrijgen zal die twijfel door verzoekers moeten worden weggenomen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Nu [minderjarige] is geboren op [geboortedatum] , is op dit verzoek de herziene RWN van toepassing, die in werking trad op 1 [geboortedatum] . In deze wet zijn geen overgangsbepalingen opgenomen. Deze wet is met ingang van die datum dus ook van toepassing op reeds ingediende verzoeken zoals hier aan de orde. Een eventuele mede-naturalisatie van minderjarige kinderen komt dan alleen tot stand als daarvoor een verzoek is gedaan en een besluit is genomen. Immers in artikel 11 lid 1 van de RWN deelt een niet-Nederlands kind van een vader of moeder aan wie het Nederlanderschap is verleend, in die verlening, indien dit in het besluit uitdrukkelijk is bepaald. Het verzoek tot medeverlening dient bij het verzoek tot verlening te worden ingediend. Volgens artikel 11 lid 2 wordt een dergelijk verzoek ingewilligd indien het kind sedert het tijdstip van het verzoek toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf heeft op Nederlands grondgebied.

Verzoeker heeft bij zijn aanvraag tot naturalisatie geen verzoek tot medeverlening ingediend en [minderjarige] is ook niet in het naturalisatiebesluit van verzoeker opgenomen. Bovendien, zo is ter zitting gebleken, verbleef [minderjarige] op het moment van de aanvraag en de verlening van het Nederlanderschap aan verzoeker niet in Nederland maar in Duitsland. Ongeacht de vraag of de twijfel aan de identiteit van [minderjarige] terecht is of niet, stelt de rechtbank vast dat niet aan de voorwaarden van artikel 11 RWN is voldaan, zodat [minderjarige] niet heeft gedeeld in de naturalisatie van verzoeker.

Voor zover verzoekers een beroep hebben gedaan op het gelijkheidsbeginsel is de rechtbank van oordeel dat dat niet kan slagen. Er is namelijk geen sprake van gelijke gevallen, nu [minderjarige] voor de naturalisatie van verzoeker is geboren, terwijl de andere drie kinderen van verzoekers na de naturalisatie van verzoeker geboren zijn.

De rechtbank zal het verzoek dan ook afwijzen.

Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een veroordeling van de IND in de proceskosten van verzoekster en zal het verzoek daartoe afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. O.F. Bouwman, J.M. Vink en J.C. Sluymer , bijgestaan door V. van den Hoed-Koreneef als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

20 november 2018.