Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:14414

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-11-2018
Datum publicatie
28-12-2018
Zaaknummer
NL18.20534
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Belgie, Algerijnse, beroep niet-ontvankelijk, indiening beroepsgronden te laat en geen reden voor verschoonbaarheid gegeven

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.20534


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. H. van der Wal),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. E. de Jong).

Procesverloop

Bij besluit van 1 november 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) niet in behandeling genomen op de grond dat België verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.20536, plaatsgevonden op 22 november 2018. Eiser noch zijn gemachtigde zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt geboren te zijn op [geboortedatum] 1978 en de Algerijnse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 17 augustus 2018 de onderhavige aanvraag ingediend.

2. Verweerder heeft de aanvraag op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000 niet in behandeling genomen. In dit artikel is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen, indien op grond van de Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (de Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij België een verzoek om terugname gedaan. België heeft dit verzoek aanvaard.

3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft daartoe – samengevat weergeven – het volgende aangevoerd. Er is sprake geweest van een onzorgvuldig afgenomen gehoor, nu eiser gehoord is middels een niet-registertolk. Eiser heeft, zoals alle asielzoekers, bij gebrek aan kennis aangegeven dat hij de tolk goed had begrepen, terwijl dit niet zo was. Daarnaast had verweerder eisers asielverzoek ingevolge artikel 17 van de Dublinverordening aan zich moeten trekken en het verzoek inhoudelijk moeten behandelen. Uit het dossier blijkt immers niet of België de asielaanvraag van eiser heeft afgewezen na een inhoudelijke behandeling of niet in behandeling heeft genomen omdat eiser afkomstig is uit een veilig land van herkomst. In het laatstgenoemde geval weet België niet of eiser gevaar loopt indien hij wordt uitgezet naar Algerije. Eiser vreest bij terugkeer naar Algerije voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Tot slot voert eiser aan dat hij in België niet kan protesteren noch een beroepsprocedure kan starten indien zijn asielaanvraag niet in behandeling is genomen omdat hij afkomstig is uit een veilig land van herkomst.

4. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5. De rechtbank overweegt ambtshalve het volgende.

5.1.

Op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat het beroepschrift de gronden van het beroep. Indien niet voldaan is aan artikel 6:5 van de Awb, kan ingevolge artikel 6:6 van de Awb het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

5.2.

Het beroepschrift van 2 november 2018 bevat niet de gronden van het beroep. Bij bericht van 6 november 2018 heeft de rechtbank de gemachtigde van eiser op het verzuim gewezen en verzocht dit uiterlijk op 13 november 2018 te herstellen. In deze brief staat tevens vermeld dat de rechtbank het beroepschrift niet-ontvankelijk kan verklaren indien dit niet op tijd geschiedt. De gegeven termijn is verstreken zonder dat de gronden van het beroep zijn ingediend. Eerst op 19 november 2018 heeft de gemachtigde van eiser de gronden van het beroep aan het digitale dossier toegevoegd.

5.3.

In de gronden van beroep is geen reden voor de te late indiening van de beroepsgronden gegeven. Bovendien zijn eiser en zijn gemachtigde niet ter zitting verschenen om de te late indiening van het beroepschrift toe te lichten. Er is de rechtbank dan ook niet gebleken van een omstandigheid op grond waarvan tot verschoonbaarheid van het verzuim kan worden geconcludeerd.

5.4.

In het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding het beroepschrift van eiser niet-ontvankelijk te verklaren.

6. Het betreft hier evenwel een verzoek om internationale bescherming. Zoals volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 11 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1381), brengt dit met zich dat de rechtbank kenbaar dient te beoordelen of de noodzaak bestaat om de in het nationale recht neergelegde procedureregel niet toe te passen. Deze noodzaak bestaat als sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden, als bedoeld in rechtsoverweging 45 van het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), Bahaddar tegen Nederland, van

19 februari 1998, nr. 145/1996/764/965, JV 1998/45. Naar het oordeel van de rechtbank leveren de (enkele) stellingen van eiser zoals weergegeven onder 2, geen bijzonder(e) feit en omstandigheid op in de zin van dit arrest. Er bestaat daarom naar het oordeel van de rechtbank geen noodzaak het bepaalde in artikelen 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, en 6:6 van de Awb niet aan eiser tegen te werpen.

7. Het beroep is niet-ontvankelijk.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.C. de Grauw, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.