Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:14413

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-11-2018
Datum publicatie
28-12-2018
Zaaknummer
NL18.20503
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

asiel, Algerijnse, opvolgende aanvraag, homoseksuele geaardheid niet geloofwaardig geacht, geen strijd met WI 2018/10, geen 3 EVRM risico bij terugkeer naar Algerije

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.20503


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. C.G. Matze),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. E. de Jong).


Procesverloop
Bij besluit van 29 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is M. Lmajboubi als tolk ter zitting verschenen.

Overwegingen

1. Eiser heeft gesteld geboren te zijn op [geboortedatum] 1991 en de Algerijnse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 20 september 2018 de onderhavige aanvraag ingediend.

Eiser heeft eerder, op 16 september 2016, een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 16 november 2016 is deze aanvraag afgewezen. Op 18 november 2016 is eiser met onbekende bestemming vertrokken. Eiser heeft vervolgens op 20 december 2017 een asielaanvraag in Oostenrijk ingediend. Op 20 september 2018 heeft Oostenrijk eiser overgedragen aan Nederland, omdat Nederland verantwoordelijk is om eisers asielaanvraag te behandelen.

2. Eiser heeft – samengevat weergegeven – aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij homoseksueel is en als gevolg van zijn geaardheid gevaar loopt bij terugkeer naar Algerije. Eiser is vier tot vijf keer achtervolgd en uitgescholden. Bovendien heeft hij een keer gehoord dat een groep Salafia personen het over hem hadden. Verder hebben mensen gezien dat hij homoseksuele relaties heeft gehad.

3. Verweerder heeft de aanvraag van eiser op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, e en g, van de Vw 2000 afgewezen als kennelijk ongegrond en heeft daaraan het volgende ten grondslag gelegd. Verweerder heeft de volgende elementen in het asielrelaas van eiser als relevant gekwalificeerd:

1) identiteit, nationaliteit en herkomst;

2) de seksuele geaardheid van eiser;

3) problemen naar aanleiding van de geaardheid van eiser.

Verweerder heeft de verklaringen van eiser over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. Daarentegen heeft verweerder de verklaringen van eiser over zijn homoseksuele geaardheid en de problemen naar aanleiding hiervan niet geloofwaardig geacht.

Algerije kan beschouwd worden als een veilig land van herkomst, met uitzondering voor LHBTI-ers. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat, in afwijking van de algehele situatie in Algerije, er aanleiding is om aan te nemen dat Algerije ten aanzien van hem persoonlijk zijn verdragsverplichtingen niet nakomt en derhalve in zijn geval niet als veilig land van herkomst kan worden beschouwd. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat er voor hem geen mogelijkheid bestaat om, indien er zich problemen voordoen in Algerije, tegen deze problemen in de huidige situatie de bescherming van de Algerijnse autoriteiten in te roepen.

4. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft daartoe – samengevat weergeven – het volgende aangevoerd. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder niet overeenkomstig de Werkinstructie 2018/9 (WI 2018/9) heeft gehandeld en dat verweerder zijn homoseksuele geaardheid ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Vanwege zijn geaardheid kan eiser niet terugkeren naar Algerije, aangezien hij aldaar in een met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) verboden situatie terecht zal komen.

5. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

6. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Ingevolge artikel 30b, eerste lid, aanhef, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden afgewezen als kennelijk ongegrond in de zin van artikel 32, tweede lid, van de Procedurerichtlijn, indien:

b. de vreemdeling afkomstig is uit een veilig land van herkomst in de zin van de artikelen 36 en 37 van de Procedurerichtlijn;

e. de vreemdeling kennelijk inconsequente en tegenstrijdige, kennelijk valse of duidelijk onwaarschijnlijke verklaringen heeft afgelegd die strijdig zijn met voldoende geverifieerde informatie over het land van herkomst, waardoor zijn verklaringen alle overtuigingskracht wordt ontnomen met betrekking tot de vraag of hij in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28;

g. de vreemdeling een opvolgende aanvraag heeft ingediend en deze niet overeenkomstig artikel 30a, eerste lid, onderdeel d of e, niet-ontvankelijk is verklaard.

7. De rechtbank overweegt als volgt.

7.1.

In de uitspraak van 15 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1630) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) geoordeeld dat verweerder aan de hand van de vaste onderzoeksmethode neergelegd in de Werkinstructie 2015/9 (WI 2015/9) op een zorgvuldige manier onderzoek naar een gestelde seksuele gerichtheid als asielmotief verricht, en dat verweerder met de WI 2015/9 de systematiek aan de hand waarvan hij antwoorden op vragen over een seksuele gerichtheid beoordeelt, voldoende inzichtelijk heeft gemaakt. Tijdens het gehoor worden aan de vreemdeling vragen gesteld over de in de WI 2015/9 genoemde thema’s, zoals privéleven; huidige en voorgaande relaties; contact met homoseksuelen in Nederland en kennis van de Nederlandse situatie; discriminatie, repressie en vervolging in land van herkomst; toekomst. Ingevolge paragraaf 3 van de WI 2015/9 mag verweerder bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de verklaringen over de seksuele geaardheid, in het algemeen het zwaartepunt leggen op de antwoorden van de vreemdeling op vragen over de eigen ervaring, onder andere bewustwording en zelfacceptatie met betrekking tot zijn seksuele gerichtheid, wat dit voor hem en zijn omgeving heeft betekend, wat de situatie voor personen met die gerichtheid in het land van herkomst is en hoe diens ervaringen, ook volgens zijn asielrelaas, in het algemene beeld passen. Dit geldt temeer als een vreemdeling afkomstig is uit een land waar homoseksualiteit maatschappelijk onacceptabel of strafbaar gesteld is. Verweerder beziet de verklaringen van de vreemdeling over zijn gestelde seksuele gerichtheid steeds in hun onderlinge samenhang.

Bij brief van 4 juli 2018 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer is verweerder ingegaan op de vraag hoe de beoordeling van de geloofwaardigheid van LHBTI-asielzoekers verder kan worden verbeterd. Verweerder begrijpt de kritiek van belangenorganisaties en om die reden zal de nadruk niet meer liggen op het bewustwordingsproces en de wijze van zelfacceptatie. Verder benadrukt hij het belang van het stellen van open vragen en het stellen van vragen over persoonlijke ervaringen en betekenisgeving. Het gaat er daarbij om dat de asielzoeker zoveel mogelijk een authentiek verhaal vertelt. De vreemdeling moet in staat worden gesteld om op zijn eigen niveau uitleg te geven. Daarbij wordt ook nu al rekening gehouden met het referentiekader (opleidingsniveau, cultuur, levensfase etc.) van de asielzoeker. Dit is immers een algemeen uitgangspunt bij het behandelen en beoordelen van asielaanvragen. Desondanks zal hier in de werkinstructie extra aandacht aan worden besteed. Verder zullen alle thema’s uit de werkinstructie door verweerder in onderlinge samenhang worden betrokken, zonder dat onevenredig gewicht wordt gehecht aan één aspect van het verhaal van de vreemdeling. De wijzigingen in de geloofwaardigheidsbeoordeling van LHBTI’s zijn opgenomen in de WI 2018/9.

7.2.

De rechtbank volgt niet dat verweerder in strijd met de WI 2018/9 heeft gehandeld door onvoldoende rekening te houden met eisers referentiekader. Zo zijn eisers persoonlijke omstandigheden, zoals zijn afkomst, zijn burgerlijke staat en het niet hebben van kinderen, het niet behoren tot een religieuze stroming binnen de islam, zijn opleidingsniveau en werkzaamheden, zijn voorgaande asielprocedure in Nederland en de periode dat eiser reeds in West-Europa verblijft, uiteengezet. Tegen deze achtergrond heeft verweerder het asielrelaas van eiser beoordeeld. De omstandigheid dat in het gehoor opvolgende aanvraag ook gesloten vragen zijn gesteld, zoals eiser ter zitting heeft opgemerkt, wil nog niet zeggen dat geen open gesprek is gevoerd waarin eiser in de gelegenheid is gesteld om zijn verhaal te doen. Van onzorgvuldigheid in dezen is de rechtbank dan ook niet gebleken.

7.3.

Eiser heeft aangevoerd dat hij zich vanwege de mannelijke setting in zijn eerste asielprocedure niet vrij heeft gevoeld om zijn homoseksualiteit ten overstaan van de Nederlandse autoriteiten kenbaar te maken, hetgeen voor rekening van verweerder dient te komen. De rechtbank volgt deze stelling, gelet op het verslag van het nader gehoor van 10 november 2016, niet. Uit dit verslag komt naar voren dat zowel de gehoormedewerker als de tolk een vrouw was en dat er geen rechtshulpverlener bij het gehoor aanwezig was. Dat sprake is geweest van een mannelijke setting waarin eiser zich niet veilig zou hebben gevoeld om zijn geaardheid naar voren te brengen, volgt de rechtbank dan ook niet. Verweerder heeft daarom niet ten onrechte overwogen dat het voor rekening van eiser komt dat hij niet eerder kenbaar heeft gemaakt dat hij homoseksueel is.

7.4.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de homoseksuele geaardheid van eiser niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Zo heeft eiser tegenstrijdig verklaard over het moment waarop hij zich realiseerde dat hij homoseksueel was. Eiser heeft eerst verklaard dat hij 18 of 19 jaar oud was toen hij zich realiseerde dat hij zich meer aangetrokken voelde tot jongens, terwijl hij later heeft verklaard dat hij toen hij 15 of 16 jaar oud was al op jongens viel en relaties met jongens had. Bovendien heeft eiser tegenstrijdige verklaringen afgelegd over hoe zijn geaardheid zich in de loop der jaren heeft ontwikkeld. Enerzijds heeft eiser verklaard dat alles normaal was en hij een geheime relatie met een man had en op deze wijze door ging zonder na te denken, terwijl hij anderzijds heeft verklaard dat hij met zichzelf in de knoop zat en zijn seksuele geaardheid niet kon accepteren omdat het verboden is volgens zijn religie. Op de vraag wanneer hij voor het eerst een relatie met een man had, antwoordt eiser dat hij natuurlijk geen 7 of 8 jaar oud was. Als hem vervolgens wordt gevraagd hoe oud hij dan ongeveer was, antwoordt hij dat hij iets van 7 of 8 jaar oud was. Ook in dit opzicht heeft eiser daarom wisselend verklaard. Het betoog van eiser dat hij heeft bedoeld te zeggen dat hij op die leeftijd vriendschappelijke relatie(s) met jongens had, volgt de rechtbank onder verwijzing naar pagina’s 9 (onderaan) en 10 (bovenaan) van het rapport Gehoor opvolgende aanvraag niet. Daarnaast heeft verweerder kunnen overwegen dat eiser over zijn relaties met mannen vaag heeft verklaard. Eiser kan niet precies benoemen wat hij leuk vond aan [persoon X] anders dan dat hij zijn uiterlijk en emotie leuk vond en dat [persoon X] lief voor hem was en hem altijd adviseerde. Verweerder heeft van eiser mogen verwachten dat hij hierover concreter had kunnen verklaren, nu hij stelt anderhalf jaar een relatie met [persoon X] te hebben gehad. Op de vraag hoe hij en [persoon Y] erachter kwamen dat zij elkaar leuk vonden, heeft eiser geantwoord dat [persoon Y] eerlijk tegen hem was. Eiser kan echter niet aangeven hoe [persoon Y] wist dat hij hem leuk vond. Waarschijnlijk was [persoon Y] aangetrokken tot hem en andersom. Eiser heeft tijdens zijn eerste asielprocedure verklaard jarenlang een relatie met een vrouw te hebben gehad, met wie hij samenwoonde en verloofd was. In zijn huidige asielprocedure heeft eiser verklaard dat hij niets voelt voor vrouwen maar ook dat de relatie met zijn eerste vriendin op zijn 12e goed voelde en hij een beetje van haar hield en haar leuk vond. Nu eiser heeft verklaard dat hij vanwege zijn relaties met vrouwen erachter is gekomen op mannen te vallen, mag verweerder van hem verwachten dat hij meer inzicht kan verschaffen in de relaties die hij met vrouwen heeft gehad. Reeds op grond van het voorgaande, heeft verweerder eisers homoseksuele geaardheid ongeloofwaardig kunnen achten.

7.5.

Verweerder heeft zich dan ook niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig is. Gelet hierop heeft eiser niet aannemelijk weten te maken dat Algerije in zijn geval niet is aan te merken als een veilig land van herkomst. De rechtbank volgt om die reden niet dat eiser bij terugkeer naar Algerije een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM loopt.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.C. de Grauw, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.