Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:14364

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-11-2018
Datum publicatie
17-01-2019
Zaaknummer
7047427 \ CV EXPL 18-3034
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verlaten parkeergarage door middel van “treintje rijden”, algemene voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2019/91
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats Leiden

[naam]

Rolnr.: 7047427 \ CV EXPL 18-3034

Datum: 7 november 2018

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[bedrijf]

statutair gevestigd en kantoorhoudende te [plaats] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. [gemachtigde] ,

tegen

[naam]

wonende te [plaats] ,

gedaagde partij,

procederende in persoon.

Partijen worden aangeduid als “ [eiser] ” en “ [gedaagde] ”.

Procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

  • -

    de dagvaarding van 4 juli 2018 met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord met producties,

  • -

    de akte rectificatie partijaanduiding.

Na conclusie van antwoord is een inlichtingen- en schikkingscomparitie gelast.

De comparitie is gehouden op 8 oktober 2018; van het verhandelde is aantekening gehouden.

Voorafgaande aan en ter voorbereiding van de comparitie heeft [eiser] ter griffie een DVD met beeldmateriaal gedeponeerd.

Feiten

Op grond van de onweersproken inhoud van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de kantonrechter van het volgende uit.

[eiser] exploiteert en beheert parkeeraccommodaties in Nederland en biedt tegen betaling parkeerplaatsen daarin aan. Een van deze parkeeraccommodaties betreft [plaats] .

Bij iedere ingang van de parkeeraccommodatie worden voorafgaand aan het naar binnenrijden van de accommodatie de geldende tarieven en de (toepasselijkheid van de) algemene voorwaarden [eiser] conform de wettelijke vereisen kenbaar gemaakt door middel van een informatiebord.

De klantenservice van [eiser] is zeven dagen per week 24 uur per dag bereikbaar. In elke parkeeraccommodatie zijn op meerdere plaatsen “help-knoppen” te vinden, zoals bij uitritten, inritten, loopdeuren en betaalautomaten.

Art. 5.9 van de algemene voorwaarden van [eiser] bepaalt onder meer:

De parkeerder en zijn voertuig dienen de parkeerfaciliteit uitsluitend te verlaten met gebruikmaking van een geldig, door [eiser] geaccepteerd parkeerbewijs of middel. Het zonder gebruikmaking van een geldig door [eiser] geaccepteerd parkeerbewijs of middel verlaten van de parkeerfaciliteit is onder geen beding toegestaan.

De parkeerder is in dat geval het door [eiser] voor de betreffende parkeerfaciliteit vastgestelde tarief “verloren kaart” verschuldigd (…) vermeerderd met een bedrag aan aanvullende schadevergoeding ad € 300,- (…)

Art. 6.3 van de algemene voorwaarden bepaalt onder meer:

Het zonder voorafgaande betaling van het verschuldigde parkeergeld met het voertuig verlaten van de parkeerfaciliteit, bijvoorbeeld door middel van het zogenoemde “treintje rijden” waarbij de parkeerder direct achter zijn voorganger onder de slagboom doorrijdt, is onder geen beding toegestaan. De parkeerder is in dat geval het door [eiser] voor de betreffende parkeerfaciliteit vastgestelde tarief “verloren kaart” verschuldigd (…)

Op 12 november 2017 is met het voertuig met kenteken [kenteken] gebruik gemaakt van de parkeeraccommodatie [plaats] [gedaagde] was op dat moment de kentekenhouder.

Op 12 november 2017 om ongeveer 21:06 uur is met die auto de parkeergarage uitgereden door bumper-klevend achter een voorganger langs c.q. onder de slagboom van de uitritterminal van [eiser] te rijden (het zogenoemde “treintje rijden”).

[eiser] heeft het eerder in rekening gebrachte tarief verloren kaart ad € 36,00 in mindering gebracht omdat [gedaagde] heeft aangetoond dat hij het verschuldigde parkeertarief heeft voldaan.

Vordering

[eiser] vordert bij dagvaarding van [gedaagde] :

€ 00,00 tarief verloren kaart

€ 300,00 schadevergoeding

€ 45,00 buitengerechtelijke kosten

€ 345,00 en de wettelijke rente vanaf de datum van pleging, althans van verzuim en veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

[eiser] voert aan dat op 12 november 2017 het voertuig van [gedaagde] op onrechtmatige wijze en in strijd met de overeenkomst tussen partijen en de algemene voorwaarden van [eiser] is uitgereden door bumper-klevend achter een voorganger langs c.q. onder de slagboom bij de uitritterminal van [eiser] uit te rijden (het zogenaamde treintje rijden).

[gedaagde] heeft hiermee gehandeld in strijd met de tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst en de algemene voorwaarden van [eiser] en is toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de op hem rustende verplichtingen uit de overeenkomst.

Subsidiair voert [eiser] aan dat [gedaagde] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld.

Verweer

[gedaagde] voert gemotiveerd verweer waarop hierna, voor zover relevant, nader wordt ingegaan.

Beoordeling

[eiser] stelt, zoals nader ter zitting onderbouwd, dat [gedaagde] niet art. 6.3 van de algemene voorwaarden heeft overtreden omdat vast is komen staan dat [gedaagde] wel heeft betaald. [eiser] verwijt [gedaagde] wel zich schuldig te hebben gemaakt aan overtreding van art. 5.9 van de algemene voorwaarden.

Partijen verschillen er niet over van mening dat [gedaagde] op 12 november 2017 bumperklevend achter zijn voorganger aan onder de slagboom de parkeeraccommodatie heeft verlaten, zonder daarbij gebruik te maken van zijn parkeerbewijs. Dit betekent dat [gedaagde] zich schuldig heeft gemaakt aan “treintje rijden”. Deze gedraging wordt door art. 5.9 van de algemene voorwaarden gesanctioneerd met een schadevergoeding van € 300,00.

[gedaagde] heeft verweer gevoerd tegen de algemene voorwaarden waarop [eiser] haar vordering grondt. In verband daarmee heeft [gedaagde] gemotiveerd betoogd dat de algemene voorwaarden niet op de overeenkomst van toepassing zijn (geworden), althans, naar de kantonrechter begrijpt, vernietigbaar zijn omdat hem geen redelijke mogelijkheid is geboden daarvan kennis te nemen (art. 6:233 sub b BW).

Gezien art. 6:230c BW jo. 6:230b sub 6 BW is voor de terbeschikkingstelling van algemene voorwaarden voor een dienstverrichter in de zin van art. 6:230a BW, zoals hier [eiser] , voldoende dat deze voor de wederpartij ( [gedaagde] ) eenvoudig toegankelijk zijn op een door [eiser] medegedeeld (internet)adres. Vooropgesteld wordt dat [eiser] , onder overlegging van foto’s, heeft aangevoerd dat er vlakbij de inritterminal van de parkeergarage en voor de slagboom een informatiebord staat waarop de geldende tarieven worden kenbaar gemaakt en waarop wordt gewezen op de toepasselijkheid van haar algemene voorwaarden.

Uit de door [eiser] overgelegde foto’s heeft zij voldoende aannemelijk gemaakt dat er middels het informatiebord op wordt gewezen dat de toepasselijke algemene voorwaarden van [eiser] zijn op te vragen via [webadres] waarbij ook een telefoonnummer van haar klantenservice is vermeld. Daarmee heeft [eiser] naar het oordeel van de kantonrechter voldaan aan de in dit geval geldende eisen voor de terhandstelling van algemene voorwaarden zoals bedoeld in art. 6:230c BW. De stelling van [gedaagde] dat hij de algemene voorwaarden onmogelijk heeft kunnen doorlezen en accepteren voordat hij de garage binnenreed, kan niet leiden tot vernietiging van de algemene voorwaarden.

De algemene voorwaarden, waaronder dus ook de in artikel 5.9 neergelegde (boete)clausule, maken daarmee onderdeel uit van de overeenkomst, zodat [gedaagde] daaraan is gebonden.

Voorts heeft [gedaagde] zich op het standpunt gesteld dat art. 5.9 van de Algemene Voorwaarden een oneerlijk boetebeding is en dat [eiser] geen schade heeft geleden.

In dit verband overweegt de kantonrechter dat op grond van rechtspraak van het Hof van Justitie en de Hoge Raad (ook) ambtshalve dient te worden beoordeeld of een beding in algemene voorwaarden behorend bij een, zoals hier, met een consument aangegane overeenkomst, onredelijk bezwarend is. Indien dan wordt vastgesteld dat het beding “oneerlijk” in de zin van artikel 3 lid 1 van Richtlijn 93/13/EEG jo. punt e van de bij die richtlijn behorende bijlage is, mag de kantonrechter de boete niet matigen, maar dient het beding ten aanzien van de consument buiten beschouwing te worden gelaten (tenzij de consument zich daartegen verzet). Van een oneerlijk beding als hier bedoeld is sprake indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort, zoals bedingen die tot doel of gevolg hebben de consument die zijn verbintenissen niet nakomt, een onevenredig hoge schadevergoeding op te leggen.

[eiser] heeft gemotiveerd bepleit dat het beding van art. 5.9 van de algemene voorwaarden niet oneerlijk in de zin van gemelde richtlijn is. De kantonrechter is van oordeel dat, gelet op de toelichting van [eiser] omtrent de preventieve werking van het boetebeding, de gevaarzetting van “treintje rijden” voor andere verkeersdeelnemers (en zaken) binnen en buiten de parkeergarage, de omstandigheid dat [gedaagde] er in dit geval bewust voor heeft gekozen de parkeergarage op deze ongebruikelijke en contractueel niet toegestane wijze te verlaten en de gemotiveerde onderbouwing van [eiser] van de hoogte van haar kosten en schade door dergelijk gedrag (in zijn algemeenheid), een beding dat zulk gedrag, bij wege van (afschrikwekkende) prikkel tot nakoming, sanctioneert met een boete van € 300,00 niet oneerlijk is.

Voorts heeft [gedaagde] aangevoerd dat het uitrijden uit de parkeergarage werd gestremd door het falende systeem van [eiser] en dat hij daarvan de dupe is geworden.

[eiser] heeft aangegeven dat op het beeldmateriaal te zien is dat twee auto’s voor [gedaagde] voor het uitrijden contact hebben met de telefoniste, ieder gedurende 1 minuut en 50 seconden. Het moge zo zijn dat [gedaagde] een tijdje in de rij heeft moeten wachten, maar naar het oordeel van de kantonrechter kan die wachttijd, ook als het om 10 auto’s voor hem gaat, het besluit van [gedaagde] om bumperklevend achter zijn voorganger aan de garage te verlaten, niet rechtvaardigen.

Dit leidt tot de conclusie dat het bedrag van € 300,00 aan [eiser] zal worden toegewezen.

De buitengerechtelijke incassokosten en de rente zijn als niet weersproken eveneens toewijsbaar.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De kantonrechter:

- veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen € 345,00, vermeerderd met de wettelijke rente over € 300,00 vanaf 12 november 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 323,21, waaronder begrepen € 120,00[salaris] voor gemachtigdensalaris, onverminderd de eventueel over deze kosten verschuldigde btw;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. [naam] en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 november 2018.