Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:14346

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-11-2018
Datum publicatie
07-12-2018
Zaaknummer
NL18.18612
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

asiel, afghanistan, opvolgende aanvraag, afvalligheid, beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.18612


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] eiser

(gemachtigde: mr. W.P.R. Peeters),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. H. Toonders).


Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 2 oktober 2018 (het bestreden besluit).


Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL 18.18613, plaatsgevonden op 15 november 2018.Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Afghaanse nationaliteit.

Zijn eerste asielaanvraag is afgewezen bij besluit van 9 mei 2017, waarbij zijn gestelde problemen in Afghanistan als ongeloofwaardig zijn beoordeeld. Dit besluit is in rechte komen vast te staan met de uitspraak van 16 augustus 2018 van de Afdeling1.

2. Op 24 augustus 2018 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag gedaan. Behalve de reeds in de eerste procedure gestelde problemen uit 2015, heeft eiser hier ook aan ten grondslag gelegd dat hij afvallig is en dat hij door zijn vader is verstoten. Eiser heeft daarbij verklaard dat hij in augustus 2017 is gefilmd terwijl hij op een feestje bier dronk. Zijn vader heeft hem toen verstoten vanwege het drinken van alcohol. De afvalligheid heeft plaatsgehad nadat eiser uit het AZC moest vertrekken en hij toen door niet-moslims is geholpen. Eerder hadden de problemen in Afghanistan en de verstoting door zijn vader al bijgedragen aan de beslissing om zich af te keren van de islam.

3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond als bedoeld in artikel 30b, eerste lid en onder g, van de Vw2. Aan eiser is een vertrektermijn onthouden en hem is een inreisverbod opgelegd.

Verweerder heeft overwogen dat eiser ter onderbouwing van de eerder al gestelde problemen weliswaar stelt over een medische verklaring te beschikken, maar dat eiser die verklaring niet heeft overgelegd. Evenmin heeft eiser het gestelde filmpje overgelegd of bewijs dat het filmpje naar Afghanistan is verstuurd. Verder heeft eiser ongeloofwaardig verklaard over diens gestelde afvalligheid.

4. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat er drie filmpjes zijn waarop is te zien dat hij op een feestje aanwezig is, bier drinkt en sigaretten rookt en waarbij meisjes zonder hoofddoek aanwezig zijn. Hij heeft aan verweerder drie stills van die opnamen toegestuurd, die de inhoud van de filmjes voldoende aantonen. Eiser verkeert in bewijsnood voor wat betreft het verzoek om aan te tonen dat deze filmpjes naar zijn familie in Afghanistan zijn verstuurd. Hij heeft ook geen enkel contact meer met zijn familie. Er is echter wel aangetoond dat WhatsApp is gebruikt om te communiceren met Afghanistan en dat de informatie in de telefoon waaruit de verzending van de filmpjes naar de familie zou kunnen blijken waarschijnlijk is overschreven, althans niet kan worden uitgelezen.

Eiser stelt dat uit de filmpjes blijkt dat hij zich haram heeft gedragen. Verweerder miskent dat eiser vanwege dit haram gedrag als afvallige zal worden gezien. Ook miskent verweerder dat het afstand nemen van een religie niet noodzakelijkerwijs uit religieus motief gebeurt.

5. De rechtbank stelt vast dat eiser geen gronden heeft geformuleerd tegen verweerders overweging dat de eerder gestelde problemen in Afghanistan uit 2015 onveranderd ongeloofwaardig zijn.

6. Verder heeft verweerder terecht overwogen dat eiser de verzending van de van hem gemaakte filmpjes naar de familie in Afghanistan niet heeft onderbouwd. Voor zover eiser stelt deze verzending niet langer te kunnen bewijzen, omdat de desbetreffende informatie inmiddels niet langer op zijn telefoon is uit te lezen, overweegt de rechtbank dat dit gezien de op eiser rustende bewijslast voor zijn rekening dient te blijven. Dit geldt temeer nu hij na het gestelde voorval in augustus 2017 nog een jaar heeft gewacht met het doen van de opvolgende asielaanvraag.

Nu aldus niet aannemelijk is geworden dat eisers vader heeft kennisgenomen van de inhoud van de bedoelde filmpjes, heeft eiser daarmee evenmin aannemelijk gemaakt dat hij is verstoten door zijn vader.

7. Zoals verweerder terecht stelt, volgt uit eisers verklaringen dat diens afvalligheid een bewuste keuze is geweest naar aanleiding van de gestelde problemen in Afghanistan in 2015, de gebeurtenissen in augustus 2017 en ten slotte de ondervonden hulp van niet-moslims twee maanden voor de opvolgende aanvraag. Los van het gegeven dat de problemen in 2015 en 2017 niet worden geloofd, heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat eiser niet inzichtelijk heeft kunnen maken hoe een en ander van invloed is geweest op zijn geloofsbeleving. Met name heeft eiser niet kunnen verduidelijken waarom hij zich pas na de ondervonden hulp van derden heeft gemeld als afvallige en waarom die hulp de doorslag heeft gegeven in het proces van het zich afkeren van de islam.

Voor zover eiser stelt dat hem in Afghanistan afvalligheid zal worden toegedicht, overweegt de rechtbank dat die stelling uitsluitend is gebaseerd op de veronderstelling dat de inhoud van de filmopnamen in Afghanistan bekend is, hetgeen niet aannemelijk is geworden.

8. Verweerder heeft de aanvraag dan ook terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.

9. Eiser heeft geen specifieke gronden geformuleerd tegen de vertrektermijn en het inreisverbod.

10. Het beroep is dan ook ongegrond.

11. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Loonstra, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

2 Vreemdelingenwet 2000