Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:14339

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-11-2018
Datum publicatie
06-12-2018
Zaaknummer
NL18.19039
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Democratische Republiek Congo, ongeloofwaardig asielrelaas, artikel 31 Vw

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.19039

V-nummer: [nummer]


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiseres

(gemachtigde: mr. A.I. Engelsman),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. F. Ticheler).

Procesverloop
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 8 oktober 2018 (het bestreden besluit).


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen E.J. Nyembo Katumbro. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres is afkomstig uit de Democratische Republiek Congo. Zij is geboren op [geboortedatum] . Op 30 mei 2018 heeft eiseres een asielaanvraag gedaan. Hieraan heeft zij ten grondslag gelegd dat zij midden oktober 2017 door onbekenden is ontvoerd, omdat zij ervan werd verdacht dat zij op 31 december 2017 zou meedoen aan een protestmars, gericht tegen de zittende president.

2. Verweerder heeft eiseres op 6 juli 2018 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend op grond van de regelgeving voor slachtoffers en getuige-aangevers van mensenhandel. Op 11 september 2018 heeft verweerder het voornemen tot intrekking van deze verblijfsvergunning uitgebracht. Bij het bestreden besluit is de asielaanvraag van eiseres afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder heeft voorts geen ambtshalve reguliere vergunning verleend op grond van de regeling voor slachtoffers en getuige-aangevers mensenhandel. Tot slot is aan eiseres geen uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van de Vw.

3. In het bestreden besluit heeft verweerder de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig geacht. Verweerder acht niet geloofwaardig dat eiseres is ontvoerd door onbekenden op verdenking van deelname aan een protestmars. Verweerder stelt zich daarbij op het standpunt dat ten eerste niet valt in te zien waarom juist eiseres zou zijn ontvoerd, nu niet gebleken is dat zij actief betrokken was bij eerdere betogingen. Voorts heeft eiseres vaag en summier verklaard over de gestelde ontvoering, de locatie waar ze is vastgehouden, de personen met wie zij is vastgehouden, en de gestelde ontsnapping. Tot slot stroken de verklaringen van eiseres, over de hulp van een zekere [naam 2] bij het verkrijgen van een paspoort voor haar uitreis, niet met informatie uit het EU-Vis-systeem.

4. Op wat eiseres daartegen heeft aangevoerd wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

5. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 augustus 2013,1 is het aan de vreemdeling om de gronden voor verlening van een asielvergunning aannemelijk te maken. De vreemdeling dient uit eigen beweging alle gegevens te verstrekken die voor de beoordeling van zijn relaas mogelijk relevant zijn. Het is niet de verantwoordelijkheid van verweerder om met (nadere) vragen vluchtmotieven aan het licht te brengen. Verweerder dient wel aan de vreemdeling de gelegenheid te bieden om alles naar voren te brengen wat de vreemdeling als onderbouwing van zijn asielaanvraag van belang acht.

6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet ten onrechte de gestelde ontvoering, gevangenschap en ontsnapping ongeloofwaardig heeft geacht, gelet op de vage en summiere verklaringen van eiseres op diverse onderdelen van haar asielrelaas.

De rechtbank volgt niet de stelling van eiseres dat tijdens het nader gehoor van 2 oktober 2018 onvoldoende is doorgevraagd en er te weinig diepgang in de vragen was. Uit de vraagstelling in het rapport van het nader gehoor blijkt immers dat eiseres ruimschoots in de gelegenheid is gesteld een beschrijving te geven van de ontvoerders, de woning en de mensen die daar zou zijn geweest. Eiseres heeft echter verzuimd uitvoerig en gedetailleerd hierover te verklaren, terwijl zij naar eigen zeggen twee maanden is vastgehouden. Zoals hierboven overwogen, is het aan eiseres om uit eigen beweging alle relevante gegevens te verstrekken die relevant zijn voor haar asielrelaas, hetgeen zij heeft nagelaten. Verweerder heeft tot slot terecht tegengeworpen dat de verklaring van eiseres dat [naam 2] voor haar in januari 2018 een paspoort heeft geregeld, niet strookt met informatie uit EU-Vis. Hieruit blijkt immers dat eiseres in het bezit is geweest van een paspoort dat reeds in oktober 2017 is afgegeven.

7. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit afdoende heeft gemotiveerd waarom geen ambtshalve reguliere verblijfsvergunning is verleend op grond van de regeling voor slachtoffers en getuige-aangevers mensenhandel. Verweerder heeft immers verwezen en kunnen volstaan met zijn uitgebracht voornemen van 11 september 2018, strekkende tot intrekking van de haar verleende verblijfsvergunning op grond van voornoemde regeling.

8. Verweerder heeft tot slot geen aanleiding hoeven zien om uitstel van vertrek te verlenen op grond van artikel 64 van de Vw. De enkele stelling dat eiseres psychische klachten heeft, is daartoe onvoldoende.

9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van mr. W.H. Mentink, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 ECLI:NL:RVS:2013:886