Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:14338

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-11-2018
Datum publicatie
20-12-2018
Zaaknummer
18/3027
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

MVV Eritrea

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 18/3027

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 november 2018 in de zaak tussen

[naam] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.S. Yap),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, daaronder mede begrepen zijn rechtsvoorgangers, verweerder

(gemachtigde: mr. V.D. Schreuder).

Procesverloop

Bij besluit van 4 juli 2017 (primair besluit) heeft verweerder de aanvraag van 1 februari 2017 tot verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) ten behoeve van eiseres afgewezen.

Eiseres heeft op 23 april 2018 bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaren tegen het primaire besluit.

Bij besluit van 8 juni 2018 (bestreden besluit) heeft verweerder (alsnog) op de bezwaren van eiseres is beslist.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2018. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Tevens is verschenen [naam 2] (referent). Verweerder is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiseres stelt dat zij is geboren op [geboortedatum] en dat zij de Eritrese nationaliteit heeft. Eiseres stelt dat zij met referent is getrouwd.

2. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb1 heeft het door eiseres ingestelde beroep mede betrekking op het bestreden besluit. Eiseres heeft haar beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaar ter zitting ingetrokken. In het hiernavolgende zal daarom uitsluitend worden ingegaan op de rechtmatigheid van het bestreden besluit.

3. Verweerder werpt eiseres bij de afwijzing van de aanvraag om een mvv tegen dat zij geen paspoort of ander identificerend document heeft overgelegd, en evenmin is aangetoond dat sprake is van bewijsnood. Ook heeft eiseres volgens verweerder de gezinsband met referent niet aangetoond. In het bestreden besluit heeft verweerder daaraan toegevoegd dat het wél overgelegde document, een kerkelijke huwelijksakte, niet als substantieel indicatief bewijs kan worden aangemerkt om de gestelde identiteit van eiseres aannemelijk te maken.

4. Eiseres heeft het volgende aangevoerd over het ontbreken van een officieel identificerend document: zij kon in Eritrea makkelijk zonder en er was dus geen noodzaak om een identiteitsdocument aan te vragen. Eiseres heeft verder betoogd dat de door haar overgelegde kerkelijke huwelijksakte ten onrechte niet is beoordeeld met toepassing van verweerders huidige gedragslijn. Zij heeft daarbij verwezen naar één van de vijf uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 16 mei 20182. Gelet op de nieuwe gedragslijn heeft verweerder ook ten onrechte afgezien van het doen van aanvullend onderzoek. In beroep heeft eiseres verder de 'Bijlage Antecendentenverklaring' en een foto van zichzelf overgelegd om haar identiteit te onderbouwen. Eiseres voert tot slot aan dat zij valt onder de reikwijdte van de Gezinsherenigingsrichtlijn3.

5. Bij verweerschrift van 13 augustus 2018 heeft verweerder volhard bij zijn standpunt dat de kerkelijke huwelijksakte niet als substantieel indicatief bewijs kan worden aangemerkt. Hij heeft nader toegelicht dat op het document essentiële persoonsgegevens over eiseres ontbreken (geboortedatum) en dat het bovendien slechts één document betreft. Verweerder ziet geen aanleiding om eiseres nader onderzoek aan te bieden.

De rechtbank oordeelt als volgt.

6. Op grond van artikel 29, tweede lid, van de Vw4 kan een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden verleend aan de echtgenoot of het minderjarige kind van de vreemdeling aan wie een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw, indien deze op het tijdstip van binnenkomst van die vreemdeling behoorden tot diens gezin en gelijktijdig met de vreemdeling Nederland zijn ingereisd dan wel zijn nagereisd binnen drie maanden nadat aan die vreemdeling de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend.

7. Volgens hoofdstuk C1/4.4.6 van de Vc5 moet de vreemdeling die een beroep doet op artikel 29, tweede lid, van de Vw of een gezinslid bij wie de vreemdeling verblijf beoogt, de gestelde familierelatie aantonen door het overleggen van een geldig document voor grensoverschrijding dat de identiteit van de vreemdeling aantoont. Indien de vreemdeling het benodigde document niet kan overleggen, moet hij of het gezinslid aannemelijk maken dat het ontbreken van dit document niet aan hem is toe te rekenen. Indien de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken van dit document niet aan hem is toe te rekenen, moet de vreemdeling zijn identiteit op een andere wijze kenbaar maken.

8. Ter beoordeling staat allereerst of verweerder terecht heeft geconcludeerd dat eiseres haar identiteit niet aannemelijk heeft gemaakt en of dit aan haar valt toe te rekenen.

9. Verweerder wordt gevolgd in zijn standpunt dat het ontbreken van een identificerend document aan eiseres kan worden toegerekend, nu niet aannemelijk is dat zij nooit een Eritrese identiteitskaart heeft verkregen. Uit het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van 6 februari 2017 volgt dat alle Eritreeërs van achttien jaar in het bezit van een identiteitskaart moeten zijn. In het rapport van het EASO6 "Country of Origin Information Report – Eritrea" van mei 2015 is opgenomen dat de oude identiteitskaart vanaf de leeftijd van 18 jaar in persoon kon worden aangevraagd en afgehaald binnen één van de regionale kantoren van de Immigratiedienst, bij de Centrale Immigratiedienst in Asmara of bij de Eritrese vertegenwoordigingen in het buitenland. De oude identiteitskaart is tot februari 2014 afgegeven. Begin 2016 is een nieuwe identiteitskaart ingevoerd. Eiseres is geboren op 1 januari 1995. Terecht heeft verweerder er dus op gewezen dat eiseres in 2014, gezien haar leeftijd op dat moment en voordat het uitgeven van oude identiteitskaarten was gestopt, in het bezit van een identiteitskaart had kunnen zijn.

10. Eiseres is er niet in geslaagd om, met op haar individuele situatie betrekking hebbende en consistente verklaringen, aannemelijk te maken dat het voor haar persoonlijk onmogelijk was om voor haar vertrek uit Eritrea een identiteitskaart te verkrijgen, ook niet nadat verweerder haar schriftelijk heeft gevraagd om uitleg op dit punt. De niet nader onderbouwde stelling dat eiseres afkomstig is uit een klein dorp in Eritrea en daarom geen identificerend document nodig had, is niet toereikend. Daarmee is immers niet inzichtelijk gemaakt hoe zij zich vanaf achttienjarige leeftijd, die zij in 2013 bereikte, zonder identificerend document heeft kunnen handhaven in Eritrea. Aangezien van dit land bekend is dat het een goede registratie ten aanzien van de burgers bijhoudt en diverse officiële documenten afgeeft, mag van haar worden verwacht dat zij met overtuigende argumenten en uitgebreid onderbouwt waarom zij niet de vereiste identiteitsdocumenten heeft gehad. De stelling van eiseres dat haar individuele situatie dezelfde is als die van de vreemdeling in de uitspraak van deze rechtbank van 21 december 20177 slaagt niet, nu eiseres haar situatie met eigen persoonlijke verklaringen aannemelijk moet maken. De vreemdeling in die uitspraak had bovendien meer verklaard over de reden waarom niet werd beschikt over een identiteitsbewijs dan eiseres, zodat de uitspraak ook in zoverre niet toepasselijk is. Gezien het voorgaande is verweerder terecht niet uitgegaan van bewijsnood.

11. In een brief van verweerder van 23 november 2017 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van de Staten-Generaal8 heeft verweerder een nieuwe vaste gedragslijn neergelegd die van toepassing is op zowel nieuwe als lopende aanvragen. In de hiervoor genoemde vijf uitspraken van 16 mei 2018 legt de Afdeling deze gedragslijn als volgt uit. Een vreemdeling moet zowel de gestelde familierelatie met de desbetreffende referent als zijn identiteit aantonen met officiële documenten. Indien een vreemdeling stelt dat hij geen officiële documenten over de gestelde familierelatie kan overleggen, moet hij dit aannemelijk maken. Als die vreemdeling dit aannemelijk heeft gemaakt, betrekt verweerder onofficiële documenten bij zijn beoordeling en kan hij aanvullend onderzoek aanbieden. Als die vreemdeling dit niet aannemelijk heeft gemaakt maar wel één of meer onofficiële documenten over de gestelde familierelatie heeft overgelegd, betrekt verweerder deze onofficiële documenten bij zijn beoordeling. Deze documenten kunnen verweerder aanleiding geven om de desbetreffende vreemdeling aanvullend onderzoek aan te bieden. Hiervoor is in de eerste plaats vereist dat de onofficiële documenten die die vreemdeling over de gestelde familierelatie heeft overgelegd, substantieel bewijs zijn. In de tweede plaats is vereist dat die vreemdeling, als hij geen officiële documenten heeft overgelegd om zijn identiteit aan te tonen en stelt dat hij geen officiële identiteitsdocumenten kan overleggen, dit met een op de persoon toegespitste verklaring aannemelijk maakt óf substantieel bewijs van zijn identiteit in de vorm van één of meer onofficiële identiteitsdocumenten overlegt. Verweerder biedt echter geen aanvullend onderzoek aan als een contra-indicatie van toepassing is.

12. Ondanks het ontbreken van bewijsnood was verweerder, gelet op deze vaste gedragslijn, gehouden om te beoordelen of de wel overgelegde onofficiële documenten zijn aan te merken als substantieel bewijs. Verweerder wordt gevolgd in zijn standpunt dat eiseres haar identiteit met de door haar overgelegde stukken niet aannemelijk heeft gemaakt. Over de kerkelijke huwelijksakte heeft verweerder terecht opgemerkt dat die door het ontbreken van een geboortedatum niet valt te herleiden tot eiseres. Bovendien betreft het slechts één enkel document, waardoor niet gesproken kan worden van substantieel onofficieel bewijs. Eiseres is bij brief van 1 mei 2018 in de gelegenheid gesteld om andere indicatieve documenten met betrekking tot haar identiteit te overleggen, maar dit heeft zij niet meer gedaan. De door eiseres pas in beroep overgelegde 'Bijlage Antecendentenverklaring' en foto kunnen evenmin worden aangemerkt als documenten waarmee zij haar identiteit aannemelijk kan maken, reeds nu deze documenten geen persoonsgegevens bevatten.

13. Verweerder heeft dus ook gehandeld in overeenstemming met zijn vaste gedragslijn. Het beroep van eiseres op de Gezinsherenigingsrichtlijn treft geen doel, omdat uit de eerder aangehaalde uitspraken van de Afdeling van 16 mei 2018 volgt dat de vaste gedragslijn van verweerder in overeenstemming is met deze richtlijn.

14. Dit alles leidt tot de conclusie dat verweerder, anders dan bepleit door eiseres, heeft mogen afzien van het doen van nader onderzoek in de vorm van het afnemen van een identificerend gehoor.

15. Nu eiseres haar identiteit niet heeft aangetoond, is ook de familierechtelijke relatie tussen eiseres en referent niet aangetoond. Immers, niet is vast te stellen of eiseres degene is die in de overgelegde stukken is genoemd. De rechtbank zal daarom niet treden in de beoordeling van de gestelde huwelijksband tussen eiseres en referent.

16. De slotsom is dat verweerder de aanvraag tot het verlenen van een mvv terecht heeft afgewezen. Het beroep, voor zover het betrekking heeft op het bestreden besluit, wordt ongegrond verklaard.

17. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten in verband met het instellen van beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaren tegen het primaire besluit. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 250,50, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde van € 501 per punt en een wegingsfactor van 0,5.

Beslissing

De rechtbank:

-
verklaart het beroep, voor zover gericht op het bestreden besluit, ongegrond;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170 (honderdzeventig

euro) aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 250,50

(tweehonderdvijftig euro en vijftig eurocent), te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 november 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Algemene wet bestuursrecht.

2 de uitspraak met nummer ECLI:NL:RVS: 2018:1637.

3 Richtlijn 2003/86/EG.

4 Vreemdelingenwet 2000.

5 Vreemdelingencirculaire 2000.

6 European Asylum Support Office.

7 ECLI:NL:RBROT:2017:10055.

8 Kamerstukken II 2017/18, 19 637, nr. 2354.