Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:14335

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-11-2018
Datum publicatie
07-12-2018
Zaaknummer
awb 17/14513
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2019:4493, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

nareis, eritrea, onofficiele documenten, beroep gegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 17/14513

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van

27 november 2018 in de zaak tussen

[naam] , eiseres,

gemachtigde: mr. J.E. de Poorte,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, daaronder mede begrepen zijn rechtsvoorgangers, verweerder,

gemachtigde: mr. N.E.N. Haverman.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 13 september 2017 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 18 december 2017. Eiseres is verschenen bij haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens zijn verschenen [naam 2] (referent) en T. Tzegai als tolk.

Het onderzoek is gesloten.

Vervolgens heeft de rechtbank op 21 december 2017 het onderzoek heropend in verband met een zitting van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) op 18 januari 2018.

Op 3 januari 2018 heeft eiseres een kopie van een UNHCR-verklaring en beter leesbare kopieën van reeds overgelegde documenten ingebracht.

Op 21 maart 2018 heeft eiseres twee foto’s en boekingsbevestigingen overgelegd.

De Afdeling heeft vervolgens op 16 mei 2018 uitspraak gedaan in zes Eritrese zaken.

Bij brief van 14 juni 2018 heeft de rechtbank hierom besloten om het beroep ter herbeoordeling voor te leggen aan verweerder.

Op 5 september 2018 heeft verweerder in aanvulling op het verweerschrift een nadere schriftelijke reactie ingediend en het standpunt gehandhaafd.

Bij brief van 3 oktober 2018 heeft de rechtbank partijen verzocht om binnen twee weken na verzending van deze brief te laten weten of men nog op een zitting wenst te worden gehoord.

Omdat partijen hierop niet hebben gereageerd, is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Eritrese nationaliteit te hebben. Namens eiseres heeft referent op 15 januari 2016 een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (een mvv) in het kader van nareis ingediend. Eiseres stelt de echtgenote te zijn van referent.

2. Verweerder heeft bij het bestreden besluit de afwijzing van de aanvraag in bezwaar gehandhaafd, omdat eiseres haar identiteit niet met officiële documenten heeft onderbouwd. Volgens verweerder is er geen sprake van bewijsnood met betrekking tot de identiteit van eiseres, zodat er geen aanleiding is om nader onderzoek te doen naar de gestelde familierelatie tussen eiseres en referent.

3. Eiseres heeft een UNHCR-attestation, een UNHCR-voedselkaart, een religieuze huwelijksakte van 7 februari 2011, een medische verklaring van het Eritrese Bureau van Gezondheid van 3 februari 2011, twee foto’s waarop volgens eiseres zijzelf en referent te zien zijn bij diens recente bezoek aan Ethiopië en boekingsbevestigingen van de vliegreis overgelegd. Ook stelt eiseres dat referent haar naam heeft genoemd tijdens diens asielgehoren. Wat eiseres verder in beroep heeft aangevoerd wordt ook hierna besproken.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. In zijn brief van 23 november 2017 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van de Staten-Generaal1 heeft verweerder zijn nieuwe vaste gedragslijn neergelegd. Dit aangepaste beoordelingskader is van toepassing op zowel nieuwe als lopende aanvragen.

In de uitspraken van 16 mei 2018 heeft de Afdeling2 deze gedragslijn in overeenstemming geacht met artikel 11, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn3.

5. De rechtbank stelt vast dat de nieuwe vaste gedragslijn die verweerder hanteert bij de (her)beoordeling van nareisaanvragen van Eritrese vreemdelingen, die door de Afdeling in bovengenoemde uitspraken is geaccordeerd, er op neer komt dat als een vreemdeling geen officiële documenten heeft overgelegd om zijn identiteit of de gestelde familierelatie met een referent aan te tonen, verweerder onofficiële documenten betrekt bij zijn beoordeling of die vreemdeling de door hem gestelde identiteit of familierelatie aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder doet dit ongeacht of die vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten aanzien van het overleggen van officiële documenten in bewijsnood verkeert. De onofficiële documenten kunnen verweerder aanleiding geven om de desbetreffende vreemdeling aanvullend onderzoek aan te bieden, zoals het afnemen van een gehoor. Verweerder biedt echter geen aanvullend onderzoek aan als een contra-indicatie van toepassing is.

6. Uit de vaste gedragslijn van verweerder volgt dat in het midden kan blijven of er sprake is van bewijsnood. Het standpunt in het bestreden besluit is op dit punt dus achterhaald, zodat er sprake is van een motiveringsgebrek.

7. In zijn aanvullend verweerschrift van 5 september 2018 heeft verweerder alsnog de attestation van het UNHCR en nogmaals de UNHCR-voedselkaart beoordeeld. Verweerder heeft deze weliswaar als indicatieve documenten aangemerkt, maar tevens geconcludeerd dat deze documenten op basis van eigen verklaringen van eiseres zijn opgesteld. Volgens verweerder is er geen aanleiding voor nader onderzoek naar de familierelatie, nu de identiteit van eiseres hiermee niet is aangetoond. Niet aannemelijk is gemaakt dat er geen officiële documenten zouden kunnen worden overgelegd. Er is geen sprake van bewijsnood. Ook de kerkelijke huwelijksakte en de medische verklaring zijn op basis van de eigen verklaringen van eiseres opgesteld, zodat niet kan worden vastgesteld dat de persoon op de huwelijksakte daadwerkelijk eiseres is. Gelet hierop kon worden afgezien van een aanvullend onderzoek naar het huwelijk, aldus verweerder.

8. Dit aanvullende standpunt van verweerder vormt voor de rechtbank geen aanleiding om het motiveringsgebrek in het bestreden besluit te passeren. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat eiseres een veelheid aan documenten heeft overgelegd, waaronder een medische verklaring van het Eritrese bureau van gezondheid. Van belang is verder dat eiseres in aanvulling op de eerder overgelegde onofficiële documenten, in beroep nog twee foto’s heeft overgelegd. Volgens eiseres zijn deze foto’s gemaakt bij een recent bezoek van referent aan Ethiopië. Voorts heeft eiseres stukken overgelegd waaruit de boekingsbevestiging van de vliegreis van referent zou blijken. Verweerder heeft deze stukken niet bij de beoordeling betrokken. Tot slot wordt overwogen dat verweerder geen contra-indicatie heeft tegengeworpen.

9. Dit leidt tot de slotsom dat verweerder aan eiseres alsnog een aanvullend identificerend gehoor had moeten aanbieden.

10. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit is in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb4. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen.

11. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiseres heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 1.002 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze

uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.002

(duizendtwee euro), te betalen aan eiseres;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- (honderdzesentachtig euro) aan

eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Loonstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 november 2018.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Kamerstukken II 2017/18, 19 637, nr. 2354

2 ECLI:NL:RVS:2018:1508, ECLI:NL:RVS:2018:1509, ECLI:NL:RVS:2018:1637, ECLI:NL:RVS:2018:1638, ECLI:NL:RVS:2018:1639 en ECLI:NL:RVS:2018:1640.

3 Richtlijn 2003/86/EG

4 Algemene wet bestuursrecht.