Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:14331

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-11-2018
Datum publicatie
06-12-2018
Zaaknummer
NL17.303
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Sierra Leone, herhaalde asielaanvraag, lhbt, WI 2018/9

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.303


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 november 2018 in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 21 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen P. Urunsaye. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiser is van Sierra Leoonse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] .

De besluiten tot afwijzing van zijn asielaanvragen van 28 november 2001, 5 juli 2004, 22 juni 2004, en 4 februari 2010 staan in rechte vast. Ook heeft hij tot twee keer zonder succes een aanvraag gedaan om uitstel van vertrek op medische gronden1.

2. Op 10 juni 2015 heeft eiser een opvolgende, vijfde asielaanvraag ingediend. Eiser heeft aan deze aanvraag ten grondslag gelegd homoseksueel te zijn en om die reden problemen te vrezen indien hij terug moet keren naar zijn land van herkomst. Eiser zou in zijn land van herkomst zijn ontvoerd door rebellen en zijn gemarteld en seksueel misbruikt. Eiser heeft medische klachten.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31 van de Vw. Volgens verweerder heeft eiser de gestelde homoseksuele gerichtheid niet aannemelijk gemaakt. Verweerder heeft daarbij overwogen dat eisers verklaringen hierover vaag, summier en op onderdelen tegenstrijdig zijn. De gestelde problemen in het land van herkomst zijn al eerder beoordeeld en ongeloofwaardig bevonden. Verweerder ziet geen reden nu anders te oordelen. De medische klachten leiden bij uitzetting niet tot een schending van artikel 3 van het EVRM2.

4. Eiser meent dat het in opdracht van verweerder uitgevoerde onderzoek van BMA3 een onderbouwing vormt van de gestelde psychische klachten. Verweerder heeft vervolgens niet gemotiveerd waarom niet kan worden aangenomen dat deze klachten voortkomen uit de gestelde problemen in het land van herkomst. De verklaringen over de seksuele gerichtheid moeten worden bezien tegen de achtergrond van eisers begripsniveau. Verweerder heeft er onvoldoende rekening mee gehouden dat eiser hierdoor vooral feitelijk verklaart. Eiser heeft daarnaast gewezen op de nieuwe Werkinstructie 2018/9 van verweerder en op het rapport “Trots of schaamte” van COC Nederland van juni 2018. Daaruit valt volgens eiser af te leiden dat verweerder in zijn geval een onjuist referentiekader heeft gehanteerd.

De rechtbank overweegt als volgt.

5. Verweerder heeft bij zijn beoordeling terecht overwogen dat de gestelde problemen in het land van herkomst al zijn beoordeeld in eerdere aanvraagprocedures en dat de toen genomen besluiten in rechte vaststaan. In de enkele vaststelling van eisers psychische klachten door BMA hoeft verweerder geen aanleiding te zien thans anders te oordelen over de aannemelijkheid van de gestelde problemen. Eiser heeft verwezen naar medische verklaringen van 22 juli 2015, 31 januari 2017 en 26 september 2018 van eisers behandelaar J.M. Persoon, psychiater bij Osperon. In zijn verklaring van 31 januari 2017 schrijft de behandelaar over het beperkte begripsniveau van eiser en schaamte over de martelingen die eiser zijn aangedaan als “storende factoren” in het nader gehoor. Dit is naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende om nu aannemelijk te achten dat eiser vanwege psychische klachten destijds niet naar behoren heeft kunnen verklaren over zijn problemen in het land van herkomst. Daarbij is van belang dat al in eerdere beslissingen van verweerder is overwogen dat eiser niet heeft onderbouwd dat hij als gevolg van psychische problemen ontoereikend heeft kunnen verklaren. Ook in de correcties en aanvullingen op het aanvullend gehoor van 7 september 2016 is niet opgemerkt dat de psychische problemen van eiser dan wel zijn beperkte begripsvermogen van invloed zijn geweest op zijn vermogen om te verklaren.

6. Verweerder past een vaste gedragslijn toe bij het onderzoek naar de door een asielzoeker aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegde seksuele gerichtheid4. Daarbij doet verweerder op een zorgvuldige manier onderzoek naar een gestelde seksuele geaardheid, rekening houdend met de persoonlijke achtergrond van de vreemdeling5.

Bij zijn beoordeling van een gestelde seksuele gerichtheid hecht verweerder veel waarde aan de verklaringen van een vreemdeling over diens eigen ervaringen.

7. De door eiser ingeroepen Werkinstructie (WI) 2018/9 dateert van na het bestreden besluit en is opgesteld na het verschijnen van het rapport ‘Trots of schaamte’. Ook in deze WI is vermeld dat het zwaartepunt van de beoordeling ligt op de antwoorden op vragen over de eigen ervaringen en persoonlijke beleving van de vreemdeling met betrekking tot zijn seksuele gerichtheid.

8. Eiser is uitvoerig gehoord over de gestelde homoseksuele gerichtheid. Hij heeft niet bestreden dat hij summiere verklaringen heeft afgelegd over zijn persoonlijke ervaringen en zijn beleving van zijn seksuele gerichtheid. Namens eiser is in beroep aangevoerd dat dit is te wijten aan eisers beperkte begripsvermogen en psychische klachten. Eiser heeft ook in dit verband gewezen op de brief van zijn behandelaar van 31 januari 2017. Deze verklaring benoemt de homoseksuele relatie in het land van herkomst als een bron van angst voor eiser, ook in het nader gehoor. De rechtbank merkt echter op dat uit het rapport van het gehoor opvolgende aanvraag blijkt dat eiser uitgebreid heeft kunnen verklaren over zijn psychische klachten6. Verder is tijdens het aanvullend gehoor uitdrukkelijk aan de orde geweest dat eiser vanwege schaamte niet eerder had durven vertellen dat hij homoseksueel is7. Uit het verslag blijkt niet van belemmeringen bij eiser om daar op dat moment over te verklaren. Aan het einde van zowel het nader gehoor als het aanvullende gehoor heeft eiser verklaard dat hij tevreden was over het verloop van het gesprek en dat hij geen op- of aanmerkingen had op het gesprek of de tolk, die hij goed had verstaan en begrepen8. Ook hier geldt dat er geen correcties en aanvullingen zijn ingediend met als strekking dat psychische problemen van eiser dan wel zijn beperkte begripsvermogen van invloed zijn geweest op zijn vermogen om te verklaren. Hetgeen in beroep is aangevoerd kan dan ook niet afdoen aan de conclusie van verweerder dat eiser zijn homoseksuele geaardheid niet aannemelijk heeft gemaakt.

9. Eiser heeft aangevoerd dat uitzetting gelet op zijn gezondheidstoestand in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Volgens hem is een medische noodsituatie reëel gezien zijn suïcidale uitingen. Uit het in opdracht van verweerder uitgebrachte advies van BMA blijkt evenwel dat deze geen medische noodsituatie op korte termijn verwacht. BMA baseert zich daarbij op bij de behandelaar ingewonnen informatie. Uit de medische verklaring van de behandelaar van eiser van 26 september 2018 blijkt dat eisers toestand ongewijzigd is.

De geuite suïcidaliteit is volgens BMA nauw verweven met een mogelijke uitzetting. Het advies van BMA geldt als een deskundigenoordeel nu er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid of volledigheid ervan. In de brief van 31 januari 2017 stelt de behandelaar dat onderbreking van de behandeling naar zijn inschatting zal leiden tot een medische noodsituatie door een toename van de ptss en suïcidale ideaties. De enkele omstandigheid dat eisers behandelaar op basis van de zelfde informatie tot een ander inzicht komt over het risico op een medische noodsituatie maakt echter niet dat verweerder niet van het oordeel van BMA heeft kunnen uitgaan.

10. Eiser is het er tenslotte niet mee eens dat hem geen vertrektermijn is gegund en dat tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd. Hij wijst erop dat de aanvraag met toepassing van artikel 31van de Vw is afgewezen en betwist dat sprake is van een risico op onderduiken.

De rechtbank stelt vast dat verweerder in zijn voornemen van 29 september 2016 voldoende heeft gemotiveerd dat is voldaan aan de voorwaarden voor het aannemen van dit risico9. Eiser stelt ongemotiveerd dat de daarbij genoemde gronden uit artikel 5.1b van het Vb onjuist zijn.

Gelet op het aan te nemen risico op onderduiken heeft verweerder kunnen besluiten eiser geen vertrektermijn te gunnen. Verweerder heeft vervolgens terecht een inreisverbod opgelegd10. De omstandigheid dat de aanvraag met toepassing van artikel 31 van de Vw is afgewezen, is hierbij niet van betekenis.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. M.Ch. Grazell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 november 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van die uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

2 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

3 Bureau Medische Advisering, advies van 23 juni 2017

4 Ten tijde van het bestreden besluit was dit WI 2015/9, welke inmiddels is vervangen door WI 2018/9.

5 Zie Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 15 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1630)

6 Zie het rapport van het gehoor opvolgende aanvraag van 10 juni 2015, p 8.

7 Zie het rapport van het aanvullend gehoor van 4 juli 2016, p 3.

8 Zie het rapport van het gehoor opvolgende aanvraag, p 10, en het rapport van het aanvullend gehoor, p 15.

9 Zie artikel 62, tweede lid, onder a, van de Vw, in samenhang met artikel 6.1 en artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb)

10 Zie artikel 66a, eerste lid, onder a, van de Vw