Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:14329

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-11-2018
Datum publicatie
06-12-2018
Zaaknummer
NL18.19233
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Statushouder Griekenland, 30a, eerste lid, aanhef en onder a Vw

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.19233

V-nummer: [nummer]


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. M.S. Yap),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. F. Ticheler).


Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 17 oktober 2018 (het bestreden besluit).

De behandeling van het beroep heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.19234, plaatsgevonden op 15 november 2018. Eiser is met berichtgeving vooraf niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Chinese nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] . Eiser heeft op 28 augustus 2018 een asielaanvraag ingediend. In het bestreden besluit is deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eisers aanvraag niet-ontvankelijk is omdat Griekenland op 22 februari 2017 internationale bescherming aan hem heeft verleend. Niet is gebleken dat deze internationale bescherming niet meer van kracht zou zijn. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel gaat verweerder ervan uit dat Griekenland zijn verplichtingen jegens eiser zal nakomen. Verweerder heeft in dit kader verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 30 mei 2018.1 Het is dan ook redelijk voor eiser om terug te keren naar Griekenland.

3. Eiser stelt dat verweerder nader had moeten onderzoeken of zijn Griekse verblijfstatus nog van kracht is. Daar komt bij dat een terugkeer naar Griekenland een schending van artikel 3 van het EVRM2 oplevert. Eiser vreest dat hij weer onjuist zal worden bejegend door de Griekse autoriteiten. Ook voelt eiser zich onveilig in Griekenland en heeft hij maar beperkte toegang tot medische zorg gekregen. Verweerder baseert het bestreden besluit op de uitspraak van de Afdeling van 30 mei 2018. Verweerder laat daarbij echter ten onrechte de uitspraak van het Duitse Constitutionele Hof van 8 mei 20173 en rapporten van de UNHCR4 van 16 oktober 2017 en van AIDA5 van 30 maart 2018 buiten beschouwing. Ten aanzien van de vertrektermijn heeft eiser tot slot gesteld dat niet van hem verlangd kan worden dat hij direct terugkeert naar Griekenland. Hem had een periode van vier weken gegund moeten worden.

De rechtbank oordeelt was volgt.

4. De Afdeling heeft in de uitspraak van 1 september 20166 geoordeeld dat verweerder in beginsel mag uitgaan van informatie uit het Eurodac-systeem dat afkomstig is van een andere lidstaat. Er is sprake van een vergewisplicht voor verweerder indien de informatie onvoldoende recent is, dan wel onvoldoende informatie bevat over de verblijfsrechtelijke status van de vreemdeling.

5. De rechtbank stelt vast dat verweerder zijn standpunt heeft gebaseerd op het onderzoek dat hij op 28 augustus 2018 in het Eurodac-systeem heeft verricht. Volgens de informatie in dit systeem hebben de Griekse autoriteiten op 22 februari 2017 internationale bescherming aan eiser verleend. Deze informatie is dus voldoende duidelijk en actueel. Verweerder heeft daarnaast verwezen naar algemene informatie van de UNHCR waaruit blijkt dat een Griekse asielvergunning geldig is voor een periode van drie jaar. De rechtbank is daarom van oordeel dat op grond van deze informatie verweerder ervan uit mag gaan dat eiser bij terugkeer naar Griekenland nog steeds internationale bescherming geniet. Voor een nader onderzoek bestond dan ook geen aanleiding.

6. Ingevolge artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een asielvergunning niet-ontvankelijk worden verklaard indien de vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet. De Afdeling heeft in voornoemde uitspraak van 30 mei 2018 overwogen dat de situatie voor statushouders in Griekenland moeilijk is, maar niet zodanig dat zij bij terugkeer zonder meer een reëel risico lopen op een schending van artikel 3 van het EVRM. Het enkele feit dat een persoon terugkeert naar een lidstaat waar zijn economische positie slechter zal zijn dan in de lidstaat waar hij thans verblijft, is niet voldoende om te oordelen dat artikel 3 van het EVRM zal worden geschonden. Statushouders hebben dezelfde rechten als Griekse staatsburgers als het gaat om de arbeidsmarkt, de gezondheidszorg en onderwijs.

7. De rechtbank erkent dat in de praktijk verschillen bestaan in de leefomstandigheden tussen statushouders en Griekse staatsburgers, bijvoorbeeld omdat veel statushouders de Griekse taal niet spreken. De Griekse overheid staat echter niet onverschillig tegenover de problemen van statushouders. De Griekse autoriteiten hebben maatregelen genomen om bestaande problemen op te lossen. Zo heeft Griekenland op lokaal niveau tien Migrant Integration Centres geopend om ondersteuning te bieden aan de integratie van statushouders.7 In het individuele geval van eiser is niet aannemelijk gemaakt dat hij wel een reëel risico loopt op een schending van artikel 3 van het EVRM, of dat de Griekse autoriteiten hem niet willen of kunnen beschermen. Eiser had immers toegang tot medische hulp van de Griekse staat. Daarnaast mag van eiser worden verwacht dat hij inspanningen levert om zijn rechten te effectueren. Daar hoort bij dat, indien nodig, eiser in Griekenland klaagt bij (hogere) autoriteiten.

De door eiser aangehaalde algemene informatie van UNHCR en AIDA leidt niet tot een ander oordeel. Zoals verweerder ter zitting heeft aangevuld, is gesteld noch gebleken dat hieruit kan worden afgeleid dat er sprake is van een situatie die wezenlijk anders is dan de situatie die de Afdeling heeft beschreven in de uitspraak van 30 mei 2018.

8. De rechtbank stelt tot slot vast dat artikel 62a, derde lid, van de Vw bepaalt dat de vreemdeling die niet langer rechtmatig verblijf heeft en in het bezit is van een verblijfsvergunning van een andere lidstaat, zich onmiddellijk naar het grondgebied van deze lidstaat dient te begeven. Verweerder heeft daarom terecht geen vertrektermijn aan eiser geboden.

9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van mr. W.H. Mentink, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 ECLI:NL:RVS:2018:1795

2 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden

3 ECLI:DE:BverfG:2017:rk20170508.2bvr015717

4 Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen van de Verenigde Naties

5 Asylum Information Database

6 ECLI:NL:RVS:2016:2441

7 Dit blijkt uit de brieven van verweerder van 6 november 2017 en van het ministerie van Buitenlandse Zaken van 20 december 2017, waarnaar wordt verwezen in de uitspraak van de Afdeling van 30 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1795