Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:14185

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-11-2018
Datum publicatie
03-12-2018
Zaaknummer
AWB 18/845-T
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

tussenuitspraak; uitstel van vertrek; gevolgen uitzetting; arrest C.K.

artikel 64 Vw

Verweerder heeft onder verwijzing naar een advies van het BMA de aanvraag van eiseres om uitstel van vertrek afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat ook bij de vraag of sprake is van een schending van artikel 3 EVRM het arrest C.K. een rol speelt. Het BMA heeft de door eiseres overgelegde medische stukken bij het advies betrokken, maar heeft niet beoordeeld of de gevolgen van de uitzetting op zichzelf kunnen leiden tot een medische noodsituatie (schending van artikel 3 van het EVRM). De rechtbank is gelet op de inhoud van deze medische stukken van oordeel dat zonder nader BMA-advies niet kan worden uitgesloten dat de uitzetting van eiseres vanwege haar ernstige mentale aandoening op zichzelf een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van haar gezondheidstoestand zal inhouden (het arrest C.K.). De rechtbank stelt verweerder met toepassing van de bestuurlijke lus in de gelegenheid het gebrek te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/845-T

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 november 2018 in de zaak tussen

[eiseres] , geboren op [geboortedatum] 1969, van Iraakse nationaliteit, eiseres

(gemachtigde: mr. W.C. Boelens),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S. de Vita).

Procesverloop

Bij besluit van 20 september 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 8 augustus 2017 om uitstel van vertrek als bedoeld in artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) afgewezen.

Eiseres heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Voordat een zitting heeft plaatsgevonden, heeft verweerder bij besluit van 17 januari 2018 (het bestreden besluit) het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, zodat het verzoek om voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 september 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

  1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Eiseres heeft verzocht om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw vanwege haar gezondheidstoestand. Verweerder heeft hierover advies gevraagd aan het Bureau Medische Advisering (BMA). Het BMA heeft op 20 september 2017 advies uitgebracht. Het BMA heeft het advies gebaseerd op de informatie uit de “Bijlage Toestemmingsverklaring medische gegevens” ingevuld door psychiater [A] ( [A] ) van 29 juli 2017, het formulier “Bijlage Bewijs omtrent medische situatie vreemdeling” ingevuld door [A] van 27 juli 2017, een brief van [A] van 27 juli 2017 en een compleet patiëntdossier van 31 augustus 2017 met bijlagen.

  2. Uit het BMA-advies blijkt dat eiseres psychische klachten heeft die passend zijn bij een posttraumatische stress stoornis (PTSS). Het gaat om forse angstklachten, nachtmerries, herbelevingen, een hoog spanningsniveau en een gestoorde emotieregulatie. Op lichamelijk gebied is er sprake van fors overgewicht (morbide obesitas) en een hoge bloeddruk. Verder lijkt er sprake te zijn van (mogelijk) cysten van de eierstokken waar een jaarlijkse controle voor nodig is. Eiseres werd behandeld door [A] voor haar psychische klachten. In dat kader vonden eens per twee weken gesprekken plaats van vooral steunende en structurerende aard. Verder is er farmacotherapie. De behandeling is afgebroken in verband met de overplaatsing van eiseres. Niet duidelijk is of de behandeling daarna voortgezet is. Voor de lichamelijke klachten vond behandeling door de huisarts plaats. De BMA-arts heeft geconcludeerd dat het achterwege blijven van medische behandeling naar verwachting zal leiden tot het toenemen van de angstklachten, slechter slapen en dat het angstniveau mogelijk nog zal toenemen. Op den duur zal dit leiden tot een beeld van uitputting. Verder verwacht de BMA-arts een lichte stijging van de bloeddruk hetgeen op middellange en lange termijn zal leiden tot orgaancomplicaties. Bij het uitblijven van behandeling verwacht de BMA-arts geen medische noodsituatie op korte termijn. De behandeling voor de hoge bloeddruk is te weinig intensief en voor de psychische klachten geldt dat er vanuit het toestandsbeeld zelf en de voorgeschiedenis geen aanwijzingen zijn om dit gevolg te verwachten. Zo is eiseres niet psychotisch of suïcidaal (geweest) en laat de voorgeschiedenis geen incidenten als een gedocumenteerde suïcidepoging of een gedwongen opname zien.

3. Verweerder heeft bij het primaire besluit de aanvraag van eiseres afgewezen onder verwijzing naar het advies van het BMA. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet voor toepassing van artikel 64 van de Vw in aanmerking komt, omdat eiseres in staat wordt geacht om te reizen en dat bij het uitblijven van de medische behandeling eiseres naar alle waarschijnlijkheid niet in een medische noodsituatie op korte termijn terecht zal komen.

4. Naar aanleiding van de informatie in het bezwaarschrift heeft verweerder het BMA verzocht om een aanvullend advies uit te brengen. Het BMA heeft op 4 januari 2018 een aanvullend advies uitgebracht. Het BMA heeft het advies gebaseerd op de informatie uit de “Bijlage Toestemmingsverklaring medische gegevens” ingevuld door [B] ( [B] ) van 5 december 2017, het formulier “Bijlage Bewijs omtrent medische situatie vreemdeling” ingevuld door [B] van 12 december 2017 en medische stukken afkomstig van GGZ [..] van 15 december 2017. De BMA-arts heeft overwogen dat uit deze stukken geen nieuwe gezichtspunten blijken. De angstklachten worden bij GGZ [..] (vooralsnog) verklaard vanuit een angststoornis waar de eerdere behandelaar van PTSS sprak. Dat gegeven leidt niet tot andere conclusies. Vanuit het toestandsbeeld zelf en de voorgeschiedenis zijn onvoldoende aanwijzingen om tot ontstaan van een medische noodsituatie op korte termijn te concluderen indien behandeling uitblijft. De door de familie gegeven zorg en ondersteuning was eveneens bekend. Dit betreft geen mantelzorg die noodzakelijk is voor het welslagen van de medische behandeling. Verweerder heeft met inachtneming van voorgaande het bezwaar ongegrond verklaard.

5. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder door slechts aan de hand van de definitie van medische noodsituatie op korte termijn zoals deze in het BMA-protocol is opgenomen na te gaan of uitstel van vertrek aan de orde is, zich geen rekenschap geeft van de omstandigheid dat een aanvraag respectievelijk bezwaar ingevolge artikel 64 Vw tevens ambtshalve dient te worden beoordeeld of in geval van uitzetting artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) wordt geschonden. De beoordeling of sprake is van een medische noodsituatie mag niet langer worden beperkt tot de gevolgen van het uitblijven van de behandeling in Nederland. Eiseres heeft in dit kader verwezen naar het arrest het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 13 december 2016 inzake Paposhvili tegen België (zaaknummer 41738/10) en het arrest van het Hof van Justitie van 16 februari 2017 inzake C.K. tegen Slovenië (ECLI:EU:C:2017:127; hierna: het arrest C.K.). Verweerder moet ook aan het BMA voorleggen welke invloed de uitzetting als zodanig naar redelijke verwachting op de vreemdeling zal hebben. Indien het BMA hierover niet adviseert, dient verweerder uit te gaan van de informatie die de behandelaars van de vreemdeling hierover hebben verstrekt. Verweerder moet zich vergewissen dat de (medische) omstandigheden bij of na de uitzetting zodanig zijn dat het risico op schending van artikel 3 van het EVRM wordt afgewend. Het feit dat de medische voorgeschiedenis van eiseres niet duidt op een of meer suïcidepogingen, gedwongen opname, of psychoses maakt niet dat de uitzetting zelf geen medische noodsituatie zal opleveren. Eiseres heeft in dit kader verwezen naar de brief van 27 juli 2017 van [A] en de brief van haar behandelaar van 15 december 2017.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

7. Uit het arrest C.K. volgt dat niet kan worden uitgesloten dat de overdracht van een asielzoeker met een bijzonder slechte gezondheid op zich voor de betrokkene een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest kan inhouden, ongeacht de kwaliteit van de opvang en de zorg die aanwezig zijn in een lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn verzoek. Wanneer een asielzoeker objectieve gegevens verstrekt die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen, mogen de autoriteiten van de betrokken lidstaat, de rechterlijke instanties daaronder begrepen, die gegevens bijgevolg niet buiten beschouwing laten. Het is dus aan die autoriteiten om iedere ernstige twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheidstoestand van de betrokkene weg te nemen. In heb bijzonder wanneer er sprake is van een ernstige psychische aandoening, mag daarbij niet worden volstaan met te kijken naar de gevolgen van het fysieke vervoer van de betrokkene van een lidstaat naar een andere, maar moet rekening worden gehouden met alle aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen die uit de overdracht zouden voortvloeien.

8. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft in een uitspraak van 3 november 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2980) geoordeeld dat de vraag of de vreemdeling ter plaatse moet worden overgedragen aan een (medisch) deskundige los staat van de vraag naar de weerslag van de behandeling in het land van herkomst op de gezondheidstoestand van de vreemdeling, maar ziet op de tenuitvoerlegging van het overdrachtsbesluit. De vraag of dit noodzakelijk is, betreft daarnaast een medische beoordeling die de rechtbank niet zelfstandig kon maken. De ABRvS heeft in deze uitspraak verder overwogen dat uit het arrest C.K. verder volgt dat niet kan worden uitgesloten dat de overdracht van een asielzoeker met een ernstige mentale of lichamelijke aandoening op zichzelf een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand zou inhouden.

9. De rechtbank overweegt dat artikel 4 van het Handvest gelijkluidend is aan artikel 3 van het EVRM. Op grond van artikel 52, derde lid, van het Handvest heeft een dergelijk, met een door het EVRM gegarandeerd recht, corresponderend artikel 'dezelfde inhoud en reikwijdte' als het EVRM-recht, waarbij - volgens de toelichting op artikel 52, derde lid - die inhoud en reikwijdte niet alleen wordt bepaald door de tekst van het EVRM-recht, maar ook door de rechtspraak van het EHRM. De rechtbank is daarom van oordeel dat ook bij de vraag of sprake is van een schending van artikel 3 EVRM het arrest C.K. een rol speelt.

10. Uit de door eiseres overgelegde brief van 27 juli 2017 van [A] blijkt dat haar klachten na het starten van de medicatie aanvankelijk wat verbeterd waren, maar door de aanhoudende aanslagen in Irak en de dreiging daar naar terug te moeten of op straat te belanden zijn de klachten onlangs weer sterk toegenomen. Uit de brief van 15 december 2017 van haar behandelaar blijkt dat eiseres aan een angststoornis lijdt, zij voor de hiermee gepaarde klachten al langdurig onder behandeling staat, dat de behandeling door GGZ [....] slechts beperkt effect had vanwege de wetenschap van een mogelijke terugkeer naar Irak en dat zij de zorg nodig heeft van haar naaste familieleden om een drastische verslechtering van de angstklachten te voorkomen. De rechtbank stelt vast dat het BMA deze stukken weliswaar bij het advies heeft betrokken, maar niet heeft beoordeeld of de gevolgen van de uitzetting op zichzelf kunnen leiden tot een medische noodsituatie (schending van artikel 3 van het EVRM). Gelet op de verklaringen van [A] en de GGZ-behandelaar kan zonder nader BMA-advies niet worden uitgesloten dat de uitzetting van eiseres vanwege haar ernstige mentale aandoening op zichzelf een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van haar gezondheidstoestand zal inhouden (het arrest C.K.) Daarom had verweerder deze vraag aan het BMA moeten stellen. Nu verweerder dit niet heeft gedaan, is het bestreden besluit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.

11. Zoals hiervoor is overwogen onder 10. is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om het gebrek te herstellen, moet verweerder het BMA vragen of de gevolgen van de uitzetting op zichzelf voor eiseres kunnen leiden tot een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 3 van het EVRM. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.

12. Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

13. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in deze tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de ABRvS van 12 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA2877).

14. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

- draagt verweerder op binnen twee weken aan de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Karman, rechter, in aanwezigheid van L.S. Lodder, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 november 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.