Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:14183

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-11-2018
Datum publicatie
31-01-2019
Zaaknummer
C/09/526209 / FA RK 17-746
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Echtscheiding met nevenvoorzieningen, waaronder verdeling huwelijksgemeenschap; benoeming deskundige ivm waardering aandelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummers: FA RK 17-746 (scheiding) / FA RK 18-3580 (verdeling)

Zaaknummers: C/09/526209 (scheiding) / C/09/553312 (verdeling)

Datum beschikking: 30 november 2018

Echtscheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 27 januari 2017 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoekster] ,

de vrouw,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: eerst mr. C. Elsinga te Gouda, nu mr. P.B. van Eck-Molenaar te Gouda.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[belanghebbende]

de man,

wonende te [woonplaats]

advocaat: mr. M.E.M. Beijersbergen te Den Haag.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift van 27 januari 2017, met bijlagen van de zijde van de vrouw;

- de brief van 25 september 2017 van de zijde van de vrouw;

- de brief van 29 december 2017 van de zijde van de man;

- de brief van 9 januari 2018 van de zijde van de vrouw;

- de brief van 24 januari 2018 van de zijde van de man;

- de brief van 25 januari 2018 van de zijde van de vrouw;

- de brief van 13 februari 2018, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;

- het verweerschrift met zelfstandige verzoeken van 9 maart 2018, met bijlagen van
de zijde van de man;

- de brief van 25 april 2018, met bijlage, van de zijde van de vrouw;

- het formulier verdelen en verrekenen van 26 april 2018 van de zijde van de man;

- de brief van 21 september 2018, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;

- de brief van 24 september 2018 van de zijde van de man;

- de brief van 24 september 2018, met bijlagen, van de zijde van de man;

- de brief van 25 september 2018 van de zijde van de vrouw;

- de brief van 25 september 2018, met bijlage, van de zijde van de vrouw;

- de brieven van 26 september 2018 van de zijde van de man.

Op 5 oktober 2018 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en (tijdens een gedeelte van de zitting) door de heer [naam financieel adviseur] , en de man, bijgestaan door zijn advocaat.

Verzoeken en verweren

Het verzoekschrift van de vrouw, zoals dat nu luidt, strekt tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:

  1. vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van € 5.000,-- bruto per maand, maandelijks bij vooruitbetaling te voldoen;

  2. (voorwaardelijk, indien naar aanleiding van nader onderzoek zou blijken dat de man een inkomen in box 1 en 2 verwerft of kan verwerven van meer dan € 90.000,-- bruto per jaar:) vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van € 7.500,-- bruto per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;

  3. veroordeling van de man om een deugdelijke opstelling van het huwelijkse vermogen te verstrekken, bewijsstukken van zijn draagkracht, ondersteund met bewijsstukken en de administratie over 2014 tot en met heden aan te leveren, binnen 14 dagen na afgifte van de tussenbeschikking, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- per dag voor iedere dag dat de man nalaat aan deze veroordeling te voldoen;

  4. vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap (naar de rechtbank begrijpt:) overeenkomstig het voorstel van de vrouw;

  5. (voorwaardelijk, in het geval de echtscheiding al wordt uitgesproken en de beslissing over de nevenverzoeken wordt aangehouden:) bepaling dat de man aan de vrouw binnen veertien dagen na afgifte van de te wijzen tussenbeschikking een voorschot van € 150.000,-- dient te betalen op de verdeling;

  6. (naar de rechtbank begrijpt:) voortgezet gebruik door de vrouw van de echtelijke woning met inboedel,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De man heeft zich ten aanzien van de verzochte echtscheiding en het verzochte voortgezet gebruik van de echtelijke woning gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De man heeft verweer gevoerd tegen de overige verzoeken van de vrouw, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

De man heeft zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken met nevenvoorzieningen tot:

- veroordeling van de vrouw haar medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van haar onverdeelde aandeel in de eigendom van de woning aan de [echtelijke woning] , en in het geval de vrouw niet haar onvoorwaardelijke medewerking verleent aan de verkoop en levering van de woning, bepaling dat aan de man een machtiging toekomt om de verkoop en levering met uitsluiting van de vrouw te bewerkstelligen, waarbij de beschikking van de rechtbank in de plaats zal treden van de vereiste medewerking van de vrouw aan verkoop en levering van de woning aan derden;

- bepaling dat de door de man opgestelde vermogensopstelling per 1 januari 2017 d.d. juli 2017 als uitgangspunt zal worden genomen voor de verdeling van de huwelijksgemeenschap;

- bepaling dat de verdeling van de huwelijksgemeenschap zal plaatsvinden op de door de man onder de punten 77 tot en met 83 van het verweerschrift en de in de vermogensopstelling per 1 januari 2017 d.d. juli 2017 uiteengezette wijze;

- bepaling dat de vrouw de bankafschriften van de op haar naam staande betaal- en spaarrekeningen vanaf zes maanden voorafgaand aan de indiening van het verzoek tot echtscheiding in januari 2017 in het geding dient te brengen;

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vrouw heeft, behoudens voor wat betreft de echtscheiding, verweer gevoerd tegen de verzoeken van de man, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Feiten

- De vrouw en de man zijn gehuwd op [huwelijksdatum] te [huwelijksplaats] .

- Zij zijn gehuwd in gemeenschap van goederen.

Beoordeling

Goede procesorde

De man heeft de rechtbank verzocht geen acht te slaan op de inhoud van de brief van de vrouw van 21 september 2018, maar enkel op de bij die brief gevoegde producties 12 tot en met 24. De brief behelst volgens de man meer dan een toelichting op de aanvullende producties en is volgens de man in feite een aanvullend/extra processtuk, waarin uitgebreid wordt gereageerd op het verweerschrift van de man. Daarnaast heeft de man de rechtbank verzocht geen acht te slaan op de brief van 25 september 2018 met als bijlage een brief van de vrouw, nu dit stuk niet door tussenkomst van een advocaat is ingediend.

De rechtbank zal, zoals ter zitting toegelicht, wel acht slaan op de inhoud van de brief van 21 september 2018 van de vrouw. Anders dan de man beschouwt de rechtbank de inhoud van deze brief als een toelichting op de stukken, zoals de rechtbank ook de brief van de man van 24 september 2018 als een toelichting op de stukken beschouwt. Van strijd met de goede procesorde is tot zover naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

De rechtbank zal echter de brief met bijlage van 25 september 2018 wel buiten beschouwing laten. Hoewel het voldoende duidelijk is dat die brief door of namens de advocaat van de vrouw is ingediend en niet, zoals de man stelt, door de secretaresse van de vrouw, bevat deze brief een inhoudelijke reactie waartoe de vrouw van de rechtbank niet meer de gelegenheid heeft gekregen. Het accepteren van deze brief zou naar het oordeel van de rechtbank wel in strijd zijn met de goede procesorde.

Echtscheiding

De gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk is niet bestreden en staat dus in rechte vast, zodat de daarop steunende over en weer gedane verzoeken tot echtscheiding als op de wet en de feiten gegrond voor toewijzing vatbaar zijn.

Alimentatie

De rechtbank zal allereerst beoordelen het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van € 5.000,-- bruto per maand. De rechtbank zal dit verzoek beoordelen op basis van de huidige financiële gegevens zoals tot dusver gesteld of gebleken. Indien naderhand zou blijken van hogere inkomensgegevens van de man en indien de vrouw zou menen dat zij op basis daarvan aanspraak kan maken op een hogere partneralimentatie zoals beoogd met haar voorwaardelijke verzoek, dan ligt het op de weg van de vrouw een verzoek in te dienen tot wijziging van de partneralimentatie.

Behoefte en behoeftigheid van de vrouw

De vrouw heeft ter onderbouwing van haar behoefte een behoefteoverzicht overgelegd. De vrouw heeft gesteld dat zij chronisch ziek is en dat zij dagelijks wordt verzorgd door twee verzorgsters die verblijven in een bijgebouw dat bij de echtelijke woning hoort. De vrouw heeft haar behoefte eerst becijferd op € 14.749,-- netto per maand. Omdat de vrouw per september 2018 geen eigen bijdrage meer heeft voor haar persoonsgebonden budget (PGB) en voor haar zorg, heeft zij haar behoefteoverzicht aangepast en haar behoefte later becijferd op € 12.420,-- netto per maand.

De vrouw heeft gesteld dat zij voor een klein gedeelte in haar eigen levensonderhoud kan voorzien met de WAO-uitkeringen die zij ontvangt van het UWV van € 1.363,58 netto per maand plus € 965,33 vakantietoeslag per jaar, de aanvullende uitkering van Aegon van netto € 700,47 per maand en een PGB van naar de rechtbank uit productie 15 van de vrouw begrijpt € 188.585,28 per jaar in 2018. Van dit PGB worden volgens de vrouw haar zorgverleners betaald. Daarnaast verwacht de vrouw dat zij uit het vermogen dat zij zal krijgen uit de verdeling een rendement zal kunnen behalen van ongeveer € 500,-- netto per maand. De vrouw heeft verder gesteld dat de man op dit moment € 23.000,-- per maand overmaakt naar de gezamenlijke rekening om alle kosten te kunnen betalen.

De man heeft de behoefte en behoeftigheid van de vrouw betwist en heeft een document overgelegd waarin hij inhoudelijk reageert op het behoefteoverzicht van de vrouw. De man is van mening dat de vrouw haar maandelijkse behoefte op een veel te hoog bedrag heeft becijferd. De man is voorts van mening dat de vrouw met haar uitkeringen, het PGB en het rendement uit haar deel van het vermogen dat zij zal ontvangen uit de verdeling van de huwelijksgemeenschap volledig in haar eigen behoefte kan voorzien. De man heeft vraagtekens gezet bij de ziekte van de vrouw. De man heeft gesteld dat uit een totaalonderzoek door medisch specialisten in het Groene Hart ziekenhuis is gebleken dat de ziekte van de vrouw psychische oorzaken heeft, en geen fysieke. De vrouw weigert volgens de man professionele hulp op dit vlak en het is daarmee de keuze van de vrouw om ziek te blijven. De man heeft erop gewezen dat de vrouw in het geheel geen verklaring van een medisch specialist of andere documentatie van medische aard heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij ziek is. De man heeft gesteld dat de vrouw cum laude afgestudeerd psycholoog is en van middelbare leeftijd. Nergens blijkt volgens de man uit dat de vrouw niet in staat is om te werken. De man is van mening dat de vrouw een verdiencapaciteit heeft en deze dient te benutten. De man heeft betwist dat hij € 23.000,-- per maand overmaakt naar de gezamenlijke rekening; hij heeft in de afgelopen maanden € 15.000, -- per maand gestort op de en/of rekening. Dit omdat er op deze rekening een overschot dreigde te ontstaan omdat de werkelijke uitgaven van partijen vele malen lager waren dan de geschatte uitgaven.

De rechtbank zal een exacte berekening van de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw achterwege laten, omdat de rechtbank alles afwegende van oordeel is dat de door de vrouw concreet verzochte partneralimentatie van € 5.000,-- bruto per maand haar minimale aanvullende huwelijksgerelateerde behoefte niet overschrijdt. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Niet in geschil is tussen partijen dat de man tot medio 2016 partner is geweest bij Ernst & Young waar hij als register accountant en belastingadviseur werkzaam was. De vrouw heeft gesteld dat de man tot dan een inkomen genereerde van ongeveer € 600.000,-- per jaar.

Volgens de man zijn de stellingen van de vrouw over zijn inkomsten bij Ernst & Young niet juist. De man heeft voor zijn inkomsten verwezen naar de door hem overgelegde en door de partneradministratie van Ernst & Young opgestelde jaarrekeningen en aangiftes vennootschapsbelasting. De man heeft erop gewezen dat door de vrouw en haar adviseurs geen onderscheid gemaakt wordt tussen winst uit onderneming en salaris ontvangen bij Ernst & Young. Dat leidt tot dubbeltellingen in de aannames die zij doen over de inkomsten van de man in het verleden.

Uit de door de man overgelegde producties leidt de rechtbank af dat het inkomen van de man bij Ernst & Young laatstelijk minimaal € 500.000,-- bruto op jaarbasis bedroeg. Gesteld kan derhalve worden dat partijen gedurende het huwelijk een aanzienlijke welstand hebben gekend. De man heeft een aantal posten uit het behoefteoverzicht van de vrouw betwist, maar ook indien de rechtbank met deze posten geen rekening zou houden, dan zal het door de vrouw verzochte bedrag van € 5.000,-- bruto per maand aan partneralimentatie, rekening houdend met het eigen inkomen van de vrouw uit uitkeringen en PGB en de te verwachten inkomsten uit vermogen haar aanvullende huwelijksgerelateerde behoefte niet overschrijden. Toepassing van de Hofnorm zal niet tot een ander oordeel leiden. Daarnaast is de rechtbank, anders dan de man en met de vrouw, van oordeel dat niet te verwachten valt dat de vrouw in de toekomst door inkomsten uit arbeid redelijkerwijs zelf in haar onderhoud zal kunnen voorzien. Ook tijdens het huwelijk was de vrouw immers al jarenlang ziek, werkte zij niet en werd zij intensief verzorgd. Dit blijkt onder meer uit de door de vrouw als productie 12 overgelegde e-mail van de man van 7 april 2016 (‘Mijn vrouw heeft van ’s ochtends 6:30 tot ’s avonds 12:00 uur zorg nodig en dat is er niet beter op geworden. Ze moet nu zelfs met een lepel worden gevoerd, en aangekleed, gewassen, hulp bij eten en drinken etc.’) De rechtbank gaat ervan uit dat aan de vrouw – gelet op de toetredingseisen die instanties als het UWV en CIZ/VGZ hanteren – op goede gronden een WAO-uitkering en een PGB worden toegekend en dat herintreding op de arbeidsmarkt, mede gelet op haar leeftijd en ontbrekende recente werkervaring, feitelijk niet aan de orde is.

Draagkracht man

De vrouw heeft gesteld dat in het kader van de draagkracht van de man niet alleen gekeken dient te worden naar hetgeen hij daadwerkelijk verdient, maar ook en met name naar hetgeen hij zou kunnen verdienen. Na zijn vertrek bij Ernst & Young is de man zich intensief gaan bezig houden met de besloten vennootschap [BV van partijen 1] ., een internationaal zorgbemiddelingsbureau. De aandelen van deze vennootschap worden volgens de vrouw gehouden door [BV van partijen 2] . De man doet aanzienlijke privé-opnames vanuit [BV van partijen 2] en stelt dat de man wel degelijk inkomen ontvangt uit [BV van partijen 2] en mogelijk ook uit andere BV’s. Daarnaast treedt de man als tussenpersoon op bij verbouwingen door bouwvakkers uit Slowakije. Onder verwijzing naar een memo van haar financieel adviseur, [naam financieel adviseur] , stelt de vrouw de verdiencapaciteit van de man op minimaal € 90.000,-- bruto per jaar.

De man heeft geen draagkrachtberekening overgelegd. Hij heeft het volgende naar voren gebracht. De man ontvangt geen inkomsten meer uit arbeid. Het was de bedoeling dat hij na zijn uittreding bij Ernst & Young verder zou gaan op contractorniveau. De man heeft echter in 2016 maar één factuur van € 6.500,-- en in 2017 maar één factuur van € 16.000,-- aan Ernst & Young gestuurd. In 2018 heeft hij geen facturen meer gestuurd. De man ontvangt geen salaris en geen managementvergoeding van [BV van partijen 2] . In 2018 heeft de man een levenslooppolis van ABN AMRO laten uitkeren om in zijn eigen levensonderhoud te kunnen voorzien. Die levensloopuitkering bedroeg € 100.000,-- bruto en € 48.000,-- netto in 2018. Ook zijn er aandelen van de BV’s verkocht. De aandelen van de BV’s zijn verkocht om liquide middelen over te brengen naar privé. De verkoop van die aandelen was ook nodig om in het eigen levensonderhoud te kunnen voorzien, aldus de man. Het is de man onduidelijk op basis waarvan de vrouw zijn verdiencapaciteit schat op € 90.000,-- bruto per jaar.

Gelet op de stellingen van partijen is met name in geschil de verdiencapaciteit van de man. De rechtbank stelt voorop dat de door de vrouw gestelde verdiencapaciteit van de man van € 90.000,--, afgezet tegen het inkomen dat de man als partner van Ernst & Young genereerde tijdens het huwelijk, op het eerste gezicht niet onredelijk voorkomt. Ter zitting heeft de man nader toegelicht dat hij de twee belangrijkste ondernemingen – [BV van partijen 1] en [BV van partijen 2] – heeft opgezet uit maatschappelijke betrokkenheid en niet uit winstbejag. Hij heeft ter zitting verder aangegeven dat hij sinds zijn 13e jaar heeft gewerkt, dat hij tropenjaren heeft gekend en dat ‘het genoeg geweest is’. De rechtbank leidt hieruit af dat de man van mening is dat het zijn vrije keuze is om het rustiger aan te doen, althans om zijn werkzaamheden op een andere manier in te richten. De vraag is echter of deze keuze van de man in financiële zin (mede) mag worden afgewenteld op de vrouw. Meer specifiek dient in deze procedure de vraag te worden beantwoord of van de man, in het kader van zijn wettelijke onderhoudsverplichting jegens de vrouw, in redelijkheid nog verwacht kan worden dat hij inkomen uit arbeid genereert. De rechtbank is van oordeel dat dit laatste het geval is, mede gelet op het rollenpatroon tijdens het huwelijk. De rechtbank neemt daarbij eveneens in overweging de leeftijd van de man (hij heeft de AOW-leeftijd nog niet bereikt) en het arbeids- en inkomensverleden van de man. De man heeft hiermee naar het oordeel van de rechtbank in beginsel nog verdiencapaciteit, en van hem mag verwacht worden dat hij deze aanwendt teneinde aan zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw te voldoen.

Over de hoogte van de verdiencapaciteit van de man overweegt de rechtbank als volgt. Niet valt in te zien waarom de man zich als DGA van de ondernemingen waarin hij arbeid verricht geen inkomen zou kunnen toekennen. De rechtbank is van oordeel dat de man zich ten minste een inkomen zou kunnen en moeten toekennen gelijk aan het inkomen van de meest verdienende werknemer en verwijst hiertoe naar de zogeheten gebruikelijke loonregeling (artikel 12a, eerste lid, aanhef en onder b van de Wet op de Loonbelasting). De man heeft de stelling van de vrouw dat één van de werknemers van de zorgonderneming van de man, mevrouw [naam werknemer] , ongeveer € 100.000,-- per jaar verdient, niet weersproken. Ook indien dit anders zou zijn, dan kan van de man , in het kader van de partneralimentatie, verwacht worden dat hij zijn potentieel als register accountant en belastingadviseur te gelde maakt.

Dit alles in ogenschouw nemend acht de rechtbank het redelijk aan de man een verdiencapaciteit toe te kennen van minimaal € 90.000,-- bruto per jaar. Nu de man geen draagkrachtberekening heeft overgelegd en hij de stelling van de vrouw dat hij met een verdiencapaciteit van € 90.000,-- bruto in staat moet worden geacht om een alimentatie te voldoen van € 5.000,-- per maand ook niet heeft weersproken, zal de rechtbank het verzoek van de vrouw toewijzen.

Verdeling huwelijksgemeenschap

Tussen de man en de vrouw bestaat een gemeenschap van goederen. De gemeenschap omvat alle tegenwoordige en toekomstige goederen en schulden van de echtgenoten (ongeacht door wie verkregen of door wie aangegaan). Bij de verdeling van de ontbonden gemeenschap hebben de echtgenoten een gelijk aandeel in die ontbonden gemeenschap (artikel 1:100 BW).

Peildatum

Partijen zijn ter zitting overeengekomen dat, in afwijking van de wettelijke voorschriften, als peildatum voor de samenstelling en de waardering van de huwelijksgemeenschap zal gelden 1 januari 2017. Zij hebben hierop één uitzondering gemaakt. Zij zijn voor wat betreft de waardering van de echtelijke woning overeengekomen dat als peildatum zal gelden de datum van taxatie van die woning.

Bestanddelen huwelijksgemeenschap

Partijen hebben de volgende vermogensbestanddelen gesteld die in de verdeling dienen te worden betrokken:

  1. de echtelijke woning met bijgebouwen en grond aan de [echtelijke woning] , gemeente [woonplaats] en de daarop rustende hypotheken;

  2. de beleggingsrekeningen;

  3. de aandelen;

  4. de kapitaalverzekeringen;

  5. de belastingteruggave (IB 2016);

  6. de schulden;

  7. de vordering op de zus en (ex)zwager van de man, [naam zus man] en [naam (ex) zwager man] ;

  8. de bankrekeningen;

  9. de inboedel;

  10. de auto en de motor;

  11. de frequent flyerpunten.

1. De echtelijke woning met bijgebouwen en grond en de daarop rustende hypotheken

De vrouw wenst dat de echtelijke woning met bijgebouwen en grond aan haar wordt toegedeeld. Mocht zij financieel niet in staat blijken te zijn om de volledige eigendom van de woning over te nemen, heeft de vrouw gesteld te zullen medewerken aan verkoop en levering aan een derde.

De man is van mening dat de echtelijke woning met bijgebouwen en grond moet worden verkocht en geleverd aan een derde, waarna de verkoopopbrengst na algehele aflossing van de twee hypothecaire geldleningen en na betaling van de makelaarskosten bij helfte moet worden verdeeld.

Ter zitting zijn partijen het erover eens geworden dat zij op korte termijn gezamenlijk aan Van ’t Hof Makelaardij opdracht zullen geven de echtelijke woning met bijgebouwen en grond te taxeren, dat zij beiden bij die taxatie aanwezig zullen kunnen zijn, dat een en ander in onverhuurde staat zal worden getaxeerd, dat die taxatie bindend zal zijn en dat zij de kosten van die taxatie gezamenlijk zullen dragen.

Na de bindende taxatie van de onroerende zaak zal de vrouw kunnen bezien of zij financieel in staat is om de man uit te kopen en te doen ontslaan uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid jegens de hypotheekhouders. De rechtbank geeft de vrouw daartoe de gelegenheid totdat over de waarde van de aandelen van de hierna te noemen besloten vennootschappen en over het aandeel dat de vrouw uiteindelijk zal toekomen uit de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap zal worden beslist. Naar het zich nu laat aanzien zal daartoe een tweede zitting van de rechtbank nodig zijn op een nader te bepalen datum en tijdstip in 2019.

2. De beleggingsrekeningen

Ter vereenvoudiging van de verdeling hebben partijen ter zitting op het desbetreffende voorstel van de rechtbank afgesproken dat de twee hypothecaire geldleningen bij de Rabobank (€ 739.661,75) en bij Grasshoppers Matchmakers Holding B.V. (€ 386.850,43) alvast zoveel mogelijk zullen worden afgelost met de daartoe toereikende saldi van de beleggingsrekeningen bij Alex Binckbank (rekeningnummer [bankrekeningnummer 7] , € 949.980,24) en Rabobank (rekeningnummer 22412913, € 185.726,34). De rechtbank zal partijen in het vervolg van deze procedure zoveel mogelijk houden aan deze afspraak ter eerste zitting en gaat ervan uit dat die afspraak ter tweede zitting ook daadwerkelijk zal zijn geëffectueerd.

3. De aandelen

Er zijn vier BV’s waarin de man in privé als DGA aandelen heeft, namelijk:

a. [BV1]

b. [BV2]

c. [BV3] ;

d. [BV4]

De man en de vrouw zijn het erover eens dat de aandelen aan de man moeten worden toegedeeld, onder verrekening van de helft van de waarde met de vrouw. Zij verschillen echter van mening over de waarde van de aandelen, mede met het oog op de nog te verwachten belastingclaims.

Deskundigenonderzoek en benoeming deskundige

Zoals ter zitting is besproken is de rechtbank van oordeel dat de aandelen van de man door een onafhankelijk deskundige gewaardeerd moeten worden. Partijen kunnen zich hierin vinden. De rechtbank zal derhalve een deskundige benoemen. Ter zitting hebben beide partijen hun voorkeur uitgesproken voor de deskundige de heer [naam deskundige 1] , die als Register Valuator (RV) is verbonden aan [deskundigeburo] . De rechtbank heeft na de zitting contact opgenomen met deze door partijen voorgestelde deskundige en hij heeft zich in staat en bereid verklaard de benoeming te aanvaarden.

Zoals ter zitting al in grote lijnen is besproken zal de deskundige verzocht worden de rechtbank adviseren over de volgende vragen:

 Wat was volgens de methode van de intrinsieke (balans-georiënteerde) waarde op 1 januari 2017 (peildatum) de waarde van de aandelen van de man in de volgende vier BV’s:

a) [BV1]

b) [BV2]

c) [BV3] ;

d) [BV4]

 Wat was op 1 januari 2017 de waarde van de aandelen van de man in deze zelfde vier BV’s volgens de methode van de discounted cash flow (DCF)?

 Wat is volgens elk van beide bovengenoemde waarderingsmethoden de waarde van het pensioen van de man in eigen beheer bij [BV1] en bij [BV4] per de peildatum 1 januari 2017?

 Partijen verschillen van mening over de (hoogte van de) latente belastingclaim op bovengenoemde vermogensbestanddelen. Kunt u in uw hoedanigheid van deskundige, zonder hierbij een rechtsvraag te beantwoorden [opmerking rechtbank: dit is immers aan de rechtbank zelf], een uitspraak doen over de hoogte van de redelijkerwijs te verwachten belastingclaim?

 Geeft – met inachtneming van het debat tussen partijen, zoals dit uit het procesdossier blijkt – uw onderzoek u nog aanleiding tot het maken van nadere opmerkingen?

Werkwijze deskundige

De opdracht dient door de deskundige zelf te worden uitgevoerd. Het staat de deskundige vrij zich bij de uitvoering van zijn werkzaamheden te laten bijstaan door derden, als hij deskundige dit voor de uitvoering van zijn werkzaamheden noodzakelijk acht. Voordat hij derden bij zijn werkzaamheden inzet, zal hij de rechtbank daarover moeten informeren en consulteren. De deskundige kan bij elk van partijen (bij de man ook als DGA van de BV’s) alle nadere informatie en bewijsstukken opvragen die hij voor de uitvoering van zijn werkzaamheden noodzakelijk acht.

Aansprakelijkheid deskundige

De deskundige wenst de opdracht alleen te aanvaarden indien zijn algemene voorwaarden op de opdracht van toepassing zijn. Deze voorwaarden zijn aan de beschikking gehecht.

Klachten over de deskundige

De deskundige dient zijn werkzaamheden te verrichten conform de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels. Indien een partij een klacht tegen de deskundige wenst in te dienen, dient deze partij de rechtbank daarvan in kennis te stellen, zodat de rechtbank in staat is – na partijen en de deskundige te hebben gehoord – te beoordelen of die partij conform artikel 198 lid 3 Rv aan het onderzoek zijn of haar medewerking heeft verleend.

Kosten deskundige

De kosten van het deskundigenonderzoek zullen vooralsnog door beide partijen ieder voor de helft gedragen moeten worden, zoals ter eerste zitting ook is besproken.

Ter dekking van de kosten van de deskundige stelt de rechtbank conform de begroting van de deskundige het voorschot vast op € 23.474,-- inclusief BTW. De rechtbank zal bepalen dat partijen voorlopig ieder de helft van dit voorschot moeten betalen. Hiertoe ontvangen zij separaat een factuur van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR) met betaalinstructies. De deskundige zal pas met zijn onderzoek mogen aanvangen nadat de griffier van de rechtbank heeft bevestigd dat het gehele voorschot door het LDCR is ontvangen. Mocht het voorschot niet toereikend blijken te zijn, dan geldt het bepaalde in artikel 199, tweede lid, Rv.

Deskundigenbericht

Het met redenen omklede concept-deskundigenbericht zal volgens de vooraf gemaakte inschatting van de deskundige binnen drie maanden – te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het procesdossier en van het volledige voorschot – worden verzonden aan partijen voor het maken van opmerkingen en voor het doen van verzoeken. Partijen krijgen twee weken de tijd voor het maken van opmerkingen en het doen van verzoeken. Het met redenen omklede definitieve deskundigenbericht, eventueel voorzien van commentaar van de deskundige, zal daarna binnen twee weken toegestuurd moeten worden aan de griffier van de rechtbank, met gelijktijdige kopie aan beide advocaten. De rechtbank verwacht derhalve omstreeks 15 mei 2019 het deskundigenbericht te hebben ontvangen.

Medewerking van partijen aan het deskundigenonderzoek en aan betaling van het voorschot

De rechtbank wijst er op dat indien een procespartij zonder gewichtige redenen desgevraagd weigert bepaalde stellingen toe te lichten of bepaalde nadere informatie of bewijsstukken aan de deskundige over te leggen en/of weigert het voorschot te betalen, zij daaraan in het vervolg van deze procedure alle gevolgen kan verbinden die zij geraden en gepast acht, met name in het nadeel van de in gebreke blijvende procespartij.

De rechtbank zal met inachtneming van het voorgaande een deskundigenonderzoek bevelen.

4. De kapitaalverzekeringen

Partijen hebben in hun vermogensoverzichten de volgende drie kapitaalverzekeringen opgenomen:

- Nationale Nederlanden Levensloop met een waarde op de peildatum van € 50.574,16;

- ABN AMRO Levensloop met een waarde op de peildatum van € 228.568,11;

- Interpolis met een omstreden waarde op de peildatum.

Over de hiervoor vermelde brutowaarden van de twee financiële producten bij Nationale Nederlanden en ABN AMRO zijn partijen het eens. Oneens zijn partijen het over de brutowaarde van de koopsomrekening bij Interpolis. De man stelt dat de waarde hiervan
€ 17.943,28 is. Omdat echter uit de bewijsstukken (productie 8, tabblad I van de man) volgt dat de uitkering door Interpolis op 29 april 2017 niet alleen bestond uit de door de man genoemde beleggingscomponent (waarde: € 17.943,29) maar ook uit een garantiecomponent (totale waarde: € 9.518,06), volgt de rechtbank de vrouw in haar standpunt dat de bruto waarde van dit financiële product (€ 17.943,29 + € 9.518,06 =) € 27.491,34 is.

Partijen verschillen van mening over de nettowaarde van deze drie kapitaalverzekeringen. Volgens de man worden de verzekeringen belast tegen 52%. De vrouw gaat uit van een belastingdruk van 35%.

Mede omdat ter zitting van 5 oktober 2018 desgevraagd bleek dat de man toen nog geen aangifte inkomstenbelasting 2017 had gedaan, valt nog niet met zekerheid vast te stellen tegen welk percentage de uitkeringen van de drie kapitaalverzekeringen belast zijn of nog zullen worden. De rechtbank zal schattenderwijs het midden houden tussen de stellingen van beide procespartijen en dus vooralsnog uitgaan van een belastingpercentage van 42,5%.

Partijen zijn het erover eens dat deze drie kapitaalzekeringen moeten worden toegedeeld aan de man onder verrekening van helft van de netto waarden met de vrouw. De rechtbank zal te zijner tijd bij eindbeschikking aldus beslissen.

5. De IB 2016 belastingteruggave

Partijen zijn het erover eens dat de belastingteruggave IB 2016 € 40.901,-- bedroeg.

De man heeft gesteld dat de vrouw dit bedrag heeft overgemaakt naar haar privérekening. De teruggave dient volgens de man daarom aan de vrouw te worden toegedeeld onder verrekening van een bedrag van € 20.000,-- met de man.

De vrouw heeft gesteld dat met de teruggave achterstallige gemeenschappelijke rekeningen zijn voldaan. Uit een door de vrouw overgelegde e-mail blijkt dat zij de man hiervan op 31 juli 2017 op de hoogte heeft gesteld. Bij deze e-mail heeft de vrouw de man een gedetailleerd overzicht doen toekomen waaruit volgt welke gemeenschappelijke betalingen zij met het geld heeft gedaan.

Nu de man in het licht van voormelde e-mail niet, althans onvoldoende heeft weersproken dat met de teruggave achterstallige gemeenschappelijke rekeningen zijn voldaan, gaat de rechtbank ervan uit dat de belastingteruggave inderdaad is gebruikt om gemeenschappelijke rekeningen te betalen. Daarom is de vrouw niet overbedeeld en valt er niets meer te verrekenen. De rechtbank zal deze belastingteruggave bij eindbeschikking dus niet in de verdeling betrekken.

6. De schulden

Partijen hebben in hun vermogensoverzichten de volgende schulden opgenomen:

- schuld van de man aan [BV3] ter hoogte van € 120.464,--;

- schuld van de man aan [BV4] ter hoogte van € 35.566,--.

Schulden komen niet voor verdeling in aanmerking omdat een schuld geen goed is zoals bedoeld in artikel 3:182 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Verder is het niet mogelijk om wijzigingen aan te brengen in de aansprakelijkheid van beide (ex-)echtgenoten tegenover schuldeisers zoals dat is geregeld in artikel 1:102 BW.

In de onderlinge verhouding tussen de echtgenoten geldt op grond van artikel 1:100 BW het volgende. Voor zover bij de ontbinding van de gemeenschap de goederen van de gemeenschap niet toereikend zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen, worden deze schulden door beide (ex)echtgenoten voor een gelijk deel gedragen, tenzij schriftelijk anders is overeengekomen of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid – mede in verband met de aard van de schulden – een andere draagplicht voortvloeit. Als één van de (ex)echtgenoten wordt aangesproken door een schuldeiser en hierdoor meer heeft bijgedragen in de schuld dan het gedeelte dat hem of haar aangaat, dan heeft hij of zij voor dit meerdere op grond van artikel 6:10 BW een regresrecht op de andere (ex)echtgenoot.

De man en de vrouw zijn het erover eens dat de hiervoor vermelde twee schulden van de man aan zijn BV’s tot de ontbonden gemeenschap behoren. Nu zij geen andere afspraken hebben gemaakt, gelden in hun onderlinge verhouding de hiervoor genoemde uitgangspunten. De rechtbank zal dit bij de algehele verdeling in de eindbeschikking te zijner tijd tot uitdrukking brengen.

7. De vordering op [naam zus man] en [naam (ex) zwager man]

De vrouw heeft gesteld dat de man een vordering heeft op de zus en (ex)zwager van de man die in de ontbonden gemeenschap valt. In het formulier Verdelen en verrekenen heeft de vrouw aangegeven dat de vordering op de peildatum € 15.042,-- bedroeg.

De man heeft het bestaan van die aldus gestelde vordering niet of onvoldoende betwist. Ook heeft de man niet aangetoond dat die vordering oninbaar is.

De rechtbank zal deze vordering daarom bij eindbeschikking aan de man toedelen, onder de verplichting om daarvoor € 7.521,-- wegens overbedeling aan de vrouw te betalen.

8. De bankrekeningen

Partijen hebben in hun vermogensoverzichten de volgende bankrekeningen opgenomen (saldi afgerond op hele euro’s per peildatum):

- NIBC Bank rekeningnummer [bankrekeningnummer 1] (en/of), saldo € 1.128,--;

- Postbank kapitaalrekening rekeningnummer [bankrekeningnummer 2] (en/of), saldo € 3,--;

- Postbank girorekening rekeningnummer [bankrekeningnummer 2] (en/of), saldo € 1.950,--;

- ING rekeningnummer [bankrekeningnummer 3] (vrouw), saldo € 42.000,--;

- ING rekeningnummer [bankrekeningnummer 4] (vrouw), saldo € 1.989,--;

- ING rekeningnummer [bankrekeningnummer 5] (vrouw), saldo € 352,--;

- Rabobank basisrekening rekeningnummer [bankrekeningnummer 6] (en/of), saldo 61,--;

- Alex beleggersbank rekeningnummer [bankrekeningnummer 7] (en/of) saldo € 2.203,--;

- Rabobank beleggersrekening rekeningnummer [bankrekeningnummer 8] (en/of), saldo € 4.710,--.

De vrouw heeft aangegeven dat zij alle bankrekeningen toegedeeld wil krijgen.

De man heeft aangegeven dat hij alleen de rekeningen bij Alex beleggersbank en de beleggersrekening bij de Rabobank toegedeeld wil krijgen.

Omdat de man degene is die feitelijk belegt, ligt het voor de hand dat de beleggersrekeningen bij Alex Binckbank en bij de Rabobank aan de man wordt toegedeeld. De overige bankrekeningen zullen bij eindbeschikking worden toegedeeld aan de vrouw, alles onder verrekening bij helfte van de bovenstaande banksaldi per de peildatum.

9. De inboedel

Bij gebrek aan onderbouwing door partijen kan de rechtbank de wijze van verdeling van de inboedelzaken bij helfte niet vaststellen. De rechtbank zal bij eindbeschikking aldus beslissen.

10. De auto en de motor

Partijen zijn het erover eens dat de auto Mitsubishi Galant, kenteken [kenteken] zonder verrekening kan worden toegedeeld aan de vrouw. De vrouw heeft zich verder niet uitgelaten over de door de man gestelde motor Honda Supermagna. De rechtbank acht het bij deze stand van zaken redelijk dat deze motor op haar beurt zonder verrekening wordt toegedeeld aan de man. De rechtbank zal bij eindbeschikking aldus beslissen.

11. De frequent flyerpunten

De vrouw heeft gesteld dat de frequent flyerpunten op naam van de man een aanzienlijke waarde vertegenwoordigen. Zij wil daarom dat deze punten worden verdeeld. De man heeft zich op het standpunt gesteld dat de frequent flyerpunten niet voor verdeling in aanmerking komen, omdat deze punten door vluchten van de man voor Ernst & Young zijn verkregen.

De op de overeengekomen peildatum 1 januari 2017 aanwezige frequent flyerpunten van de man vallen in de ontbonden huwelijksgemeenschap. Omdat de man de punten op zijn naam heeft verkregen is de rechtbank van oordeel dat deze punten aan de man dienen te worden toegedeeld. De vrouw heeft recht op de helft van de waarde van die punten. De man zal aan de vrouw alsnog opgave moeten doen van de hoeveelheid en de waarde van de frequent flyerpunten op de peildatum 1 januari 2017, onderbouwd met alle mogelijke bewijsstukken. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen dit in overleg met hun advocaten zullen afhandelen.

Inzage bewijsstukken

De vrouw heeft de rechtbank verzocht de man te veroordelen om een deugdelijke opstelling van het huwelijkse vermogen te verstrekken, bewijsstukken van zijn draagkracht, ondersteund met bewijsstukken en de administratie over 2014 tot en met heden aan te leveren, binnen 14 dagen na afgifte van de tussenbeschikking, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- per dag voor iedere dag dat de man nalaat aan deze veroordeling te voldoen.

In de visie van de man heeft hij reeds voldaan aan het verzoek van de vrouw om een deugdelijke opstelling van het huwelijkse vermogen te verstrekken, bewijsstukken van zijn draagkracht, ondersteund met bewijsstukken en de administratie over 2014 tot en met heden. De man heeft als productie 6 overgelegd de inhoudsopgave van het dossier zoals hij dat op 1 mei 2017 aan de vrouw en haar adviseurs heeft overhandigd. Nu de rechtbank de heer [naam deskundige 2] als deskundige zal benoemen en het aan hem is om te bezien welke eventuele extra bewijsstukken in aanvulling op het huidige procesdossier eventueel nog nodig zijn om tot een juiste waardering van de aandelen te komen, zal de rechtbank dit nevenverzoek van de vrouw bij eindbeschikking afwijzen. Daar komt bij dat de vrouw onvoldoende concreet heeft gesteld welke relevante bewijsstukken aan de zijde van de man nu nog ontbreken.

De man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw de bankafschriften van de op haar naam staande betaal- en spaarrekeningen vanaf zes maanden voorafgaand aan de indiening van het verzoek tot echtscheiding in januari 2017 (de rechtbank begrijpt tot 1 januari 2017) in het geding dient te brengen. De man heeft aangegeven dat hij over sterke aanwijzingen beschikt dat de vrouw de advocaat van mevrouw [naam] , met wie de man een zakelijk geschil heeft, betaalt. Hoewel de vrouw dit heeft betwist, is de rechtbank van oordeel dat de man een rechtens relevant belang heeft bij zijn nevenverzoek, zodat dit zal worden toegewezen.

In dit licht is de rechtbank van oordeel dat ook de vrouw een rechtens relevant belang heeft bij haar (naar de rechtbank leest:) nevenverzoek tot inzage van de volgende bewijsstukken, zoals vermeld bij randnummer 16 van de brief van 21 september 2018:

 rekeningafschriften van de American Express Card vanaf 1 juli 2016;

 rekeningafschriften van de Amex Card vanaf 1 juli 2016;

 bankafschriften van de levenslooprekening vanaf 1 juli 2016;

 bankafschriften van eventuele andere rekeningen op naam van de man, dan wel rekeningen waarvan privé uitgaves gedaan zijn vanaf 1 juli 2016;

 bankafschriften van alle BV’s van de man vanaf 1 juli 2016;

 de uittreedbrief van Ernst & Young.

Nu de peildatum echter 1 januari 2017 is, heeft de vrouw zonder nadere toelichting, die ontbreekt, geen belang bij inzage in deze bewijsstukken voor zover deze betrekking hebben op de periode daarna. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw daarom toewijzen op de wijze zoals hierna bij de beslissingen is weergegeven.

Voorschot op de verdeling

De vrouw heeft voorwaardelijk – voor het geval dat de echtscheiding al wordt uitgesproken maar de beslissingen over de nevenverzoeken worden aangehouden – verzocht te bepalen dat de man aan de vrouw binnen veertien dagen na afgifte van de te wijzen tussenbeschikking een voorschot op de verdeling moet betalen van € 150.000,--.

Omdat de rechtbank de vaststelling van de algehele wijze van verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap zal moeten aanhouden komt de rechtbank toe aan een beoordeling van dit nevenverzoek van de vrouw. De vrouw heeft ter zitting aangegeven dat het bedrag bedoeld is om te voorzien in haar levensonderhoud en advocatenkosten en het verzoek voornamelijk gedaan is voor het geval het alimentatieverzoek zal worden aangehouden. Nu de rechtbank echter een deskundigenonderzoek zal gelasten waaraan ook de vrouw zal moeten meebetalen en de vrouw ook haar advocatenkosten heeft te betalen acht de rechtbank het redelijk dat de man aan de vrouw een voorschot betaalt. De man heeft niet weersproken dat hij in staat is het door de vrouw verzochte voorschot te betalen. De rechtbank zal het voorschot echter beperken tot een bedrag van € 50.000,--, gelet op de toewijzing van het alimentatieverzoek van de vrouw.

Voortgezet gebruik echtelijke woning

Het verzoek van de vrouw tot het voortgezet gebruik van de echtelijke woning met inboedel kan als niet of onvoldoende weersproken en op de wet gegrond worden toegewezen op de wijze zoals hierna bij de beslissingen is vermeld.

Voortgang procedure

Gelet op al het bovenstaande zal de rechtbank de eindbeschikking over de vaststelling van de wijze van de algehele verdeling van de ontbonden gemeenschap moeten aanhouden in afwachting van 1) het deskundigenbericht over de waarde van de aandelen van de man in de BV’s en 2) de bindende taxatie en de verdere ontwikkelingen rondom de gemeenschappelijke onroerende zaak of zaken te Reeuwijk met de daarop nu nog rustende twee gemeenschappelijke hypothecaire geldleningen en de ter eerste zitting afgesproken algehele aflossing daarvan uit de twee gemeenschappelijke beleggingsrekeningen.

De rechtbank zal de procedure daartoe nu vooralsnog aanhouden tot 1 juni 2019 pro forma. Uiterlijk op die datum verwacht de rechtbank van beide advocaten, vanzelfsprekend met gelijktijdige kopie aan de andere advocaat, een schriftelijk bericht te hebben ontvangen over a) de door iedere advocaat gewenste voortgang van deze procedure en over b) de stand van zaken rondom de verdeling van de onroerende zaak te Reeuwijk met de twee hypothecaire geldleningen en de afgesproken aflossing daarvan uit de twee beleggingsrekeningen. Dit met c) een kopie van het afgesproken bindend taxatierapport en met d) een opgave van de verhinderdata aan de eigen zijde voor een eventuele tweede zitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank over de algehele verdeling in de maanden juli t/m december 2019. Daarna zal de rechtbank over die voortgang van de procedure beslissen. Een na onderhandelingen alsnog gesloten en ondertekend echtscheidingsconvenant kan uiteraard aan een eindbeschikking worden gehecht zonder dat nog een tweede zitting nodig is.

Beslissingen

De rechtbank:

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [huwelijksplaats] op [huwelijksdatum] ;

bepaalt dat de vrouw jegens de man bevoegd is de bewoning van de echtelijke woning te [adres en plaatsnaam echtelijke woning] , en het gebruik van de zaken, die behoren bij deze woning en tot de inboedel daarvan, voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand, mits deze woning op het ogenblik van die inschrijving door de vrouw wordt bewoond en aan de man uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt;

bepaalt dat de man met ingang van de dag dat deze beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw tot haar levensonderhoud zal moeten uitkeren een bedrag van € 5.000,-- bruto per maand, maandelijks telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat de man aan de vrouw binnen veertien dagen na heden een bedrag van € 50.000,-- zal betalen als voorschot op hetgeen hij aan de vrouw verschuldigd zal zijn uit hoofde van de verdeling van de huwelijksgemeenschap van partijen;

bepaalt dat de vrouw aan de man binnen vier weken na heden ter inzage zal moeten afgeven alle bankafschriften van de op haar naam staande betaal- en spaarrekeningen in de periode van 1 juli 2016 tot 1 januari 2017;

bepaalt dat de man aan de vrouw binnen vier weken na heden ter inzage zal moeten afgeven:

 alle rekeningafschriften van de American Express Card vanaf 1 juli 2016 tot 1 januari 2017;

 alle rekeningafschriften van de Amex Card vanaf 1 juli 2016 tot 1 januari 2017;

 alle bankafschriften van de levenslooprekening vanaf 1 juli 2016 tot 1 januari 2017;

 alle bankafschriften van eventuele andere rekeningen op naam van de man, dan wel rekeningen waarvan privé uitgaves gedaan zijn vanaf 1 juli 2016 tot 1 januari 2017;

 alle bankafschriften van alle BV’s van de man vanaf 1 juli 2016 tot 1 januari 2017;

 de uittreedbrief van Ernst & Young;

wijst af al hetgeen meer of anders is verzocht voor wat betreft de nevenvoorzieningen bij en na echtscheiding, met uitzondering van de vaststelling van de wijze van verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap van partijen;

beveelt een onderzoek door de deskundige, ter gemotiveerde beantwoording van de volgende vragen van de rechtbank over de vaststelling van de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap:

 Wat was - volgens de methode van de intrinsieke (balans-georiënteerde) waarde - op de peildatum 1 januari 2017 de waarde van de aandelen van de man in de volgende vier BV’s:

e) [BV1]

f) [BV2]

g) [BV3] ;

h) [BV4]

 Wat was op 1 januari 2017 de waarde van de aandelen van de man in deze zelfde vier BV’s volgens de methode van de discounted cash flow (DCF)?

 Wat is volgens elk van beide bovengenoemde waarderingsmethoden de waarde van het pensioen van de man in eigen beheer bij [BV1] en bij [BV4] per de peildatum 1 januari 2017?

 Partijen verschillen van mening over de (hoogte van de) latente belastingclaim op bovengenoemde vermogensbestanddelen. Kunt u in uw hoedanigheid van deskundige, zonder hierbij een rechtsvraag te beantwoorden [opmerking rechtbank: dit is immers aan de rechtbank zelf], een uitspraak doen over de hoogte van de redelijkerwijs te verwachten belastingclaim?

 Geeft – met inachtneming van het debat tussen partijen, zoals dit uit het procesdossier blijkt – uw onderzoek u nog aanleiding tot het maken van nadere opmerkingen?

benoemt daartoe tot deskundige:

de heer [naam deskundige 1] verbonden aan [deskundigeburo] ;

[adres deskundigeburo]

telefoon [telefoonnummer] ;

bepaalt dat de griffier daartoe zo spoedig mogelijk een afschrift van deze beschikking en van het gehele procesdossier met alle producties tot dusver aan de hiervoor genoemde deskundige zal moeten toesturen;

bepaalt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige op het door de deskundige begrote bedrag van € 23.474,-- inclusief BTW;

bepaalt dat de man en de vrouw ieder de helft van dit door de deskundige begrote voorschot en dus ieder € 11.737,- zullen moeten betalen, dit binnen veertien dagen na ontvangst van de desbetreffende nota van het Landelijk Dienstencentrum van de Rechtspraak (LDCR);

bepaalt dat de deskundige pas met zijn onderzoek zal mogen aanvangen nadat de griffier van de rechtbank hem heeft bevestigd dat het gehele voorschot door het LDCR is ontvangen;

bepaalt dat de deskundige de griffier zal moeten verzoeken om vaststelling van een extra voorschot indien en zodra hem in de loop van zijn onderzoek zal blijken dat dit partijen meer zal gaan kosten dan het bedrag van € 23.474,-- inclusief BTW dat eerder door hem is begroot. In dat geval zal een extra factuur van het LDCR volgen en zal de deskundige zijn werkzaamheden pas mogen voortzetten nadat hij bericht van de griffier heeft ontvangen dat de man en de vrouw het extra voorschot voor de deskundige geheel hebben betaald;

bepaalt dat beide procespartijen (de man ook als DGA van zijn BV’s) alle nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige moeten verstrekken, indien deze daarom verzoekt, aan de deskundige toegang moeten verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen en aan de deskundige ook voor het overige alle gelegenheid moeten geven voor het verrichten van zijn onderzoek;

bepaalt dat de deskundige beide procespartijen via hun advocaten in de gelegenheid zal moeten stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen. De deskundige zal hiervan, en van de inhoud van die opmerkingen en verzoeken en van zijn eventuele reactie daarop, in zijn schriftelijk bericht moeten doen blijken. Indien een procespartij schriftelijke opmerkingen aan de deskundige doet toekomen, zal de deskundige daarvan zo spoedig mogelijk een afschrift aan de wederpartij via beide advocaten moeten verstrekken; 2 223 lid 5 Rv

bepaalt dat de deskundige zijn gemotiveerde deskundigenbericht met zijn einddeclaratie zo mogelijk uiterlijk op 15 mei 2019 moet hebben toegezonden aan de griffier van de rechtbank onder vermelding van de rekest- en zaaknummers: FA RK 17-746 (scheiding) / FA RK 18-3580 (verdeling) en C/09/526209 (scheiding) / C/09/553312 (verdeling), met gelijktijdige kopie aan beide advocaten;

verklaart deze beschikking tot zover zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, met uitzondering van de uitspraak van de echtscheiding;

bepaalt de verdere procesgang op de wijze zoals de rechtbank hiervoor heeft vermeld bij het kopje “voortgang procedure”;

houdt iedere verdere beslissing over de wijze van verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap aan tot 1 juni 2019 pro forma.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Olland, H. Wien en J.T.W. van Ravenstein, rechters, bijgestaan door P. Lahman als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 30 november 2018.