Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:14171

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-11-2018
Datum publicatie
07-12-2018
Zaaknummer
C/09/548723 / HA ZA 18-228
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verkrijging van een perceel water door bevrijdende verjaring. Bewijsopdracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/548723 / HA ZA 18-228

Vonnis van 21 november 2018 (bij vervroeging)

in de zaak van

1 [eisende partij sub 1] , te [plaats] ,

2. [eisende partij sub 2], te [plaats] ,

eisers,

advocaat mr. B.K.M. Thuijs te Amsterdam,

tegen

ARENBORG BEHEER B.V., te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. W. Leistra te Nijmegen.

Eisers zullen hierna gezamenlijk [eiser c.s.] (mannelijk enkelvoud) en ieder afzonderlijk [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] genoemd worden. Gedaagde zal hierna Arenborg genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 14 februari 2018, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 16 mei 2018, waarbij een comparitie van partijen is bevolen;

  • -

    de akte aanvulling bewijsaanbod van de zijde van [eiser c.s.] ;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 23 oktober 2018, met de daarin vermelde stukken.

1.2.

Het proces-verbaal van de comparitie is met instemming van partijen buiten hun aanwezigheid opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken over het proces-verbaal voor zover het feitelijke onjuistheden betreft. Partijen hebben van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. [eiser c.s.] heeft bij brief van 13 november 2018

van die gelegenheid gebruik gemaakt. Deze brief maakt onderdeel uit van het procesdossier.

1.3.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser c.s.] is eigenaar van een perceel water langs de [Straat] te [plaats] , kadastraal bekend als gemeente [Gemeente] [sectie ...] nummer [nummer 1] (hierna: perceel water). [eiser c.s.] heeft de eigendom van dit perceel verkregen op 16 april 2003 van de heer [A] (hierna: [A] ), de oom van [eisende partij sub 2] , die het perceel op 7 september 1984 gekocht heeft van het Waterschap De Oude Veenen (hierna: het Waterschap). In die koopovereenkomst staat vermeld dat de Googer Polder de rechtsvoorganger van het Waterschap is. Tevens staat vermeld dat de Googer Polder de eigendom van het perceel water door middel van verjaring heeft verkregen.

2.2.

In het perceel water lagen op het moment van de levering aan [eiser c.s.] drie woonarken. [eiser c.s.] was en is nog steeds eigenaar van één van deze woonarken. De andere woonarken behoorden in eigendom toe aan de heer [B] (hierna: [B] ) en [C] .

2.3.

[B] heeft zijn woonark, die bekend is onder de naam [de woonark] (hierna: de woonark), in 1962 gebouwd en laten registreren bij het kadaster, onder nummer [nummer 2] . De woonark heeft toen ook zijn ligplaats gekregen in het perceel water. [B] woonde samen met zijn echtgenote (hierna gezamenlijk: [B c.s.] ) in de woonark.

2.4.

Bij besluit van 3 januari 1968 heeft het Hoogheemraadschap Rijnland (hierna: Hoogheemraadschap) [B] tot 1 januari 1972 ontheffing verleend van het in de Algemene Keur vervatte verbod tot (onder meer) het hebben van een ligplaats met een permanent bewoonde woonboot in het perceel water. In het besluit staat vermeld dat de ontheffing strikt aan de persoon van de ontheffinghouder is gebonden. Het Hoogheemraadschap heeft de ontheffing bij brief van 21 april 1972 verlengd tot 1 januari 1977.

2.5.

Bij besluit van 2 september 1970 hebben Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland (hierna: Gedeputeerde Staten) aan [B] tot 1 januari 1975 ontheffing verleend van het in de Woonschepenverordening Zuid-Holland vervatte verbod tot het hebben van een ligplaats met een bedrijfsvaartuig (opslagruimte) in het perceel water. [B] heeft om deze ontheffing verzocht omdat hij een drijvende schuur wilde bouwen. In het besluit staat vermeld dat de ontheffing strikt persoonlijk is.

2.6.

[B] heeft vervolgens deze drijvende schuur gebouwd. Deze is naast de woonark en in het perceel water gelegen.

2.7.

Bij besluit van 14 september 1977 heeft het Hoogheemraadschap, gelet op het bepaalde in de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, de Verordening Waterkwaliteit Rijnland en de Algemene Keur, aan [B] een vergunning verleend voor het lozen van afvalwater afkomstig van de woonark en het slaan en hebben van meerpalen in boezemwater dan wel in de boezemkade. .

2.8.

In november 2016 heeft [B c.s.] de woonark verlaten en heeft hij een seniorenwoning betrokken.

2.9.

Op 22 december 2016 heeft [eiser c.s.] [B c.s.] aangeschreven met de mededeling dat de woonark in water ligt dat zijn eigendom is en heeft hij [B c.s.] verzocht en gesommeerd de woonark te verwijderen uit het perceel water.

2.10.

In antwoord op die brief heeft mr. Goudriaan [eiser c.s.] bij brief van 18 januari 2017 bericht dat [B c.s.] de woonark niet zou verwijderen en zich op het standpunt gesteld dat het gebruik van het perceel water is gebaseerd op een overeenkomst van bruikleen.

2.11.

Namens [eiser c.s.] heeft mr. De Groot bij brief van 1 maart 2017 [B c.s.] gesommeerd de woonark te verwijderen uit het perceel water. In zijn aan mr. Goudriaan gerichte brief heeft mr. De Groot uiteengezet dat geen sprake is van een overeenkomst van bruikleen.

2.12.

[B] en [eiser c.s.] hebben onderhandeld over verkoop van de woonark door [B c.s.] aan [eiser c.s.]

2.13.

Op 31 mei 2017 heeft [B] de woonark verkocht aan Ik Verkoop Verhuur B.V. (hierna: Ik Verkoop). De levering heeft plaatsgevonden op 8 juni 2017.

2.14.

Ik Verkoop Verhuur B.V. heeft de woonark doorverkocht aan Arenborg. De levering heeft plaatsgevonden op 11 september 2017.

2.15.

In zijn tussenvonnis van 7 februari 2018 heeft de rechtbank Den Haag in de door [eiser c.s.] tegen [B] op 17 juli 2017 aanhangig gemaakte procedure geoordeeld dat op 26 april 2017 tussen [eiser c.s.] en [B] een overeenkomst tot stand is gekomen waarbij [B] aan [eiser c.s.] de woonark heeft verkocht en dat [B] die overeenkomst niet is nagekomen. De door [eiser c.s.] gevorderde medewerking van [B] aan levering van de woonark is door de rechtbank afgewezen, omdat [B] geen eigenaar meer was. Na bewijslevering door [eiser c.s.] heeft de rechtbank in zijn eindvonnis van 26 augustus 2018 [B] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 7.000,-- aan [eiser c.s.] voor de schade die hij heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van [B] .

2.16.

Op 12 september 2017 heeft [eiser c.s.] een kort geding procedure aanhangig gemaakt tegen Arenborg. Inzet van deze procedure was dat Arenborg de woonark uit het perceel water diende te verwijderen. De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag heeft de vordering van [eiser c.s.] bij vonnis van 30 november 2017 afgewezen. Daartoe overwoog de voorzieningenrechter – samengevat – dat in deze kort geding procedure niet kon worden vastgesteld wie rechthebbende is op de ligplaats van de woonark nu partijen hierover van mening verschilden.

3 Het geschil

3.1.

[eiser c.s.] vordert uitvoerbaar bij voorraad:

I. een verklaring voor recht dat [eiser c.s.] eigenaar is van het perceel water, althans dat [B c.s.] noch Ik Verkoop noch Arenborg door verjaring eigenaar is geworden van het perceel water en dat Arenborg, als eigenaar van de woonark, derhalve inbreuk maakt op het eigendomsrecht van [eiser c.s.] en onrechtmatig handelt jegens [eiser c.s.] ;

II. Arenborg te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting de woonark uit het perceel water te verwijderen en verwijderd te houden, met al hetgeen dat en al diegenen die bij de woonark behoren, binnen twee weken na het wijzen van het vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- per dag dat Arenborg hiermee in gebreke blijft, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijn en dwangsom;

III. [eiser c.s.] te machtigen de veroordeling onder II op kosten van Arenborg zelf ten uitvoer te brengen door een deurwaarder, zo nodig met behulp van politie en justitie, en

IV. Arenborg te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf twee weken nadat het vonnis is gewezen tot de dag der algehele voldoening.

3.2.

[eiser c.s.] legt aan zijn vorderingen, kort samengevat, ten grondslag dat hij eigenaar is van het perceel water en dat de woonark van Arenborg zonder recht of titel in het perceel water ligt. Arenborg maakt hierdoor inbreuk op het eigendomsrecht van [eiser c.s.] en handelt onrechtmatig op grond van artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek (BW).

3.3.

Arenborg voert verweer. Arenborg betwist dat [eiser c.s.] eigenaar is van het perceel water. Arenborg betoogt dat haar rechtsvoorganger [B] op 1 januari 1993 de eigendom van het perceel water, althans in ieder geval van het gedeelte van het perceel water waar de naast de woonark drijvende schuur zich bevindt, heeft verkregen door middel van bevrijdende verjaring als bedoeld in artikel 3:105 BW. Aangezien de woonark van Arenborg zich niet op water in eigendom van [eiser c.s.] bevindt, dienen de vorderingen van [eiser c.s.] te worden afgewezen. Arenborg voert voorts aan dat, ongeacht de eigendomspositie van [eiser c.s.] , de rechtsvordering van [eiser c.s.] tot opheffing van de door hem gestelde onrechtmatige toestand op grond van artikel 3:314 BW in verbinding met artikel 3:306 BW is verjaard en ook om die reden de vorderingen van [eiser c.s.] dienen te worden afgewezen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Allereerst moet worden beoordeeld of [eiser c.s.] de eigendom van het perceel water, althans het gedeelte van het perceel water waar de drijvende schuur is gelegen, door verkrijgende verjaring, op voet van artikel 3:105 lid 1 BW, verloren is aan [B] . Indien de rechtbank die vraag bevestigend zal beantwoorden, dienen de vorderingen van [eiser c.s.] reeds op die grond te worden afgewezen. Bij ontkennende beantwoording van deze vraag komt het beroep van Arenborg op verjaring op grond van artikel 3:314 BW in verbinding met artikel 3:306 BW aan de orde.

4.2.

Op grond van artikel 3:105 lid 1 BW verkrijgt hij die een goed bezit dat goed op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid, ook al was zijn bezit niet te goeder trouw. De in artikel 3:105 BW bedoelde verjaringstermijn is twintig jaar (artikel 3:306 BW) en begint op de dag volgende op die waarop een niet-rechthebbende bezitter is geworden (artikel 3:314 lid 2 BW). Gelet op het bepaalde in artikel 72 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek, kan de verkrijgende verjaring niet eerder zijn voltooid dan op 1 januari 1993. Partijen zijn het daar ook over eens. Een vereiste voor verkrijgende verjaring is ondubbelzinnig bezit. De vraag of sprake is van bezit moet worden beantwoord aan de hand van de maatstaven van artikel 3:107 BW en volgende. Artikel 3:107 BW omschrijft bezit als het houden van een goed voor zichzelf, dat wil zeggen het uitoefenen van de feitelijke macht over een goed met de pretentie rechthebbende te zijn. Gebruik van een goed met toestemming van de eigenaar geschiedt niet krachtens een vermeend eigen recht, maar krachtens houderschap. In dat geval is geen sprake van bezit (HR 21 maart 2001, NJ 2001, 305). Het antwoord op de vraag of iemand de voor bezit vereiste feitelijke macht uitoefent wordt, evenals de vraag of hij voor zichzelf of voor een ander houdt, bepaald naar verkeersopvatting en overigens op grond van de uiterlijke feiten (artikel 3:108 BW). Nodig is dat de bezitter zich zodanig gedraagt dat de eigenaar, tegen wie de vordering loopt, daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert rechthebbende te zijn, zodat deze tijdig maatregel kan nemen om de inbreuk op zijn recht te beëindigen. In dat kader kan betekenis toekomen aan uitlatingen die de bezitter tegenover de eigenaar heeft gedaan over zijn pretentie van het uitoefenen van de feitelijke macht (zie concl. A-G mr. G.R.B. van Peursem, ECLI:NL:PHR:2017:2014).

4.3.

Het beroep op verjaring is een zelfstandig verweer van Arenborg tegen het door [eiser c.s.] gevorderde. Het is daarom op grond van de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) aan Arenborg om feiten ten omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen waaruit volgt dat haar beroep op verjaring slaagt.

4.4.

Arenborg stelt dat haar rechtsvoorganger, [B] , op 1 januari 1993 eigenaar is geworden van het perceel water omdat hij vanaf 1962 het onafgebroken bezit hiervan heeft gehad. Arenborg legt hieraan ten grondslag dat het liggen van de woonark in het perceel water zonder onderliggende afspraak en/of betaling daarvoor een ondubbelzinnige en naar buiten toe kenbare bezitsdaad is. Volgens Arenborg blijkt het bezit verder uit het feit dat [B] zelf alle vergunningen voor de woonark heeft aangevraagd, de aansluitingen heeft verzorgd, alle onderhoud heeft verricht aan beschoeiing, meerpalen en bodem, onder meer door het uitvoeren van baggerwerkzaamheden, en naast de woonark nog een drijvende schuur heeft gebouwd. Zij heeft daarbij benadrukt dat [B] – anders dan voor het gebruik van de waloever – nooit enige vergoeding heeft betaald voor het gebruik van het perceel water en dat [B] nooit enige overeenkomst heeft gesloten of afspraak heeft gemaakt met de eigenaar van het perceel water over zijn ligplaats.

4.5.

[eiser c.s.] heeft de stellingen van Arenborg gemotiveerd weersproken. [eiser c.s.] betoogt dat [B] slechts houder van het perceel water is geweest, aangezien aan hem door de eigenaar van het perceel water toestemming is verleend voor het gebruik daarvan. De toestemming vloeit volgens [eiser c.s.] voort uit de persoonsgebonden ontheffingen en vergunning die het Hoogheemraadschap, destijds eigenaar van het perceel water, en Gedeputeerde Staten aan [B] hebben verleend. Verder heeft [A] in 1984 toestemming aan [B c.s.] verleend voor het gebruik van het perceel water ten behoeve van zijn woonark. [eiser c.s.] betwist dat [B] onderhoudswerkzaamheden, waaronder baggerwerkzaamheden, ter zake van het perceel water heeft uitgevoerd. [eiser c.s.] betwist verder dat het vragen van vergunningen voor de woonark kwalificeert als bezitsdaad ten aanzien van het perceel water. Hij betwist verder dat [eiser c.s.] de aansluitingen heeft verzorgd, en zo dat al juist is, betwist [eiser c.s.] dat dat kwalificeert als bezitsdaad ten aanzien van het perceel water. [eiser c.s.] stelt ten slotte dat hij er niet bedacht op hoefde te zijn dat [B] pretendeerde eigenaar van het perceel water te zijn, nu [B] [eiser c.s.] diverse malen, waaronder in 1984, heeft gevraagd of hij het deel van het perceel water waarin zijn woonark lag van [eiser c.s.] kon kopen. Arenborg betwist dit alles.

4.6.

De rechtbank zal allereerst beoordelen of aan [B] toestemming is verleend voor het gebruik van het water ten behoeve van zijn woonark. [eiser c.s.] heeft in dat verband een beroep gedaan op de door het Hoogheemraadschap en Gedeputeerde Staten aan [B] verleende vergunningen en ontheffingen. Naar het oordeel van de rechtbank moet onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds de publiekrechtelijke bevoegdheid van het Hoogheemraadschap en Gedeputeerde Staten om ontheffing te verlenen van de verboden die zijn opgenomen in de hiervoor bij de feiten genoemde wet- en regelgeving en beleidsregels en anderzijds de privaatrechtelijke bevoegdheid om toestemming te geven voor het gebruik van het perceel water (vgl. HR 9 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0736).

4.7.

Op grond van zijn publiekrechtelijke bevoegdheden heeft het Hoogheemraadschap [B] op 3 januari 1968 een ontheffing voor het hebben van een ligplaats met de woonark verleend en op 14 september 1977 een vergunning voor het lozen van afvalwater in het perceel water. Ook het besluit van Gedeputeerde Staten van 2 september 1970 berust op publiekrechtelijke bevoegdheden. Naar het oordeel van de rechtbank is met deze vergunningen en ontheffingen niet tevens civielrechtelijk toestemming gegeven voor het hebben van een woonark in het perceel water. Dat de ontheffingen persoonsgebonden zijn, maakt dit niet anders. Dit geldt in dit geval eens te meer, nu de vergunningverleners en de eigenaar van het perceel water niet één en dezelfde (lijken te) zijn geweest. Uit de stukken, in het bijzonder de in r.o. 2.1 genoemde notariële koopovereenkomst van 7 september 1984, volgt dat het Waterschap en daarvoor de Googer Polder eigenaar zijn geweest van het perceel water. [eiser c.s.] heeft gesteld dat het Hoogheemraadschap eigenaar was en hiervan bewijs aangeboden, maar aan nadere bewijslevering over de eigendomspositie wordt niet meer toegekomen, aangezien [eiser c.s.] zijn stelling, mede in het licht van voormelde koopovereenkomst, in onvoldoende mate met feiten en omstandigheden heeft onderbouwd.

4.8.

[eiser c.s.] betoogt voorts dat [A] toestemming heeft verleend aan [B c.s.] voor het gebruik van het perceel water aangezien hij het in bruikleen heeft gegeven aan [B c.s.] voor de ligplaats van de woonark. [B c.s.] mocht de ligplaats gebruiken zolang hij in de woonark woonde. [B c.s.] was voor dit gebruik geen tegenprestatie verschuldigd. Er is sprake van een bruikleenovereenkomst in de zin van artikel 7A:1777 BW, aldus [eiser c.s.] Ter comparitie heeft [eiser c.s.] gesteld dat deze overeenkomst in 1984 mondeling is gesloten tussen [A] en [B c.s.] De overeenkomst is volgens [eiser c.s.] overgenomen c.q. voortgezet toen [eiser c.s.] van [A] de eigendom van het perceel water verkreeg. Arenborg heeft gemotiveerd weersproken dat een bruikleenovereenkomst met de door [eiser c.s.] gestelde inhoud tot stand is gekomen. Arenborg voert aan dat [B c.s.] met [A] (en nadien [eiser c.s.] ) nooit afspraken heeft gemaakt over de ligplaats en ook geen toestemming heeft gevraagd of gekregen voor het gebruik van de ligplaats. Arenborg beroept zich ter onderbouwing van haar stellingen op de door haar overgelegde schriftelijke verklaring van [B] .

4.9.

De rechtbank overweegt dat wanneer aan [B c.s.] toestemming is verleend voor het gebruik van het perceel water dit aan bezit en daarmee aan verjaring in de weg staat. Omdat in 1984, het moment waarop volgens [eiser c.s.] de bruikleenovereenkomst tot stand zou zijn gekomen, de verjaringstermijn nog niet was verstreken, is relevant of de toenmalige eigenaar van het perceel water, [A] , toestemming heeft verleend aan [B c.s.] om met zijn woonark gebruik te mogen maken van het perceel water. Omdat Arenborg zich beroept op de rechtsgevolgen van haar stelling dat sprake is van verkrijgende verjaring, en van die stelling onderdeel uitmaakt de stelling dat [B c.s.] het perceel water in gebruik had zonder toestemming, zal zij worden toegelaten tot het bewijs van haar stelling dat haar rechtsvoorganger [B] het perceel water vanaf 1962 gedurende een periode van minstens dertig jaar onafgebroken in bezit heeft gehad, aldus zonder dat daaraan een afspraak met [A] ten grondslag lag.

4.10.

De andere vraag waarover partijen van mening verschillen is of [B] zich jegens [A] heeft uitgelaten over zijn pretenties van het uitoefenen van de feitelijke macht over het perceel water. [eiser c.s.] betoogt dat [B c.s.] aan [A] heeft gevraagd of hij (een deel van) het perceel water van hem mocht kopen en dat [A] heeft gezegd dat hij daartoe niet bereid was. [A] kon daaruit niet anders afleiden dan dat [B c.s.] zichzelf als houder beschouwde. Van bezit is daarom geen sprake, aldus [eiser c.s.] wijst ter onderbouwing van zijn stelling op de door hem overgelegde schriftelijke verklaring van [A] . Arenborg betwist de stellingen van [eiser c.s.] Volgens Arenborg was er geen contact tussen [B] en [A] over de ligplaats. Zij beroept zich ter onderbouwing van haar stelling op een schriftelijke verklaring van [B] waarin staat dat hij nooit met [A] heeft gesproken over de ligplaats.

4.11.

De rechtbank overweegt dat wanneer [B] aan [A] vóór 1 januari 1993, het moment waarop [B] door verjaring eigenaar zou zijn geworden van het perceel water, gevraagd heeft om het perceel water van hem te mogen kopen, dit zou impliceren dat [B] zichzelf beschouwde als houder van het perceel water en dat [A] ervan uit mocht gaan dat in de verhouding met [B] geen verkrijgende verjaringstermijn liep. Van verkrijgende verjaring kan dan geen sprake zijn geweest. Op Arenborg rust de stelplicht en de bewijslast ten aanzien van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat zij, althans haar rechtsvoorganger, het perceel water in bezit heeft genomen en gehouden, en daarmee dus ook van haar stelling dat [B] niet aan [A] heeft gevraagd of hij (een deel van) het perceel water mocht kopen. Arenborg heeft hiervan bewijs aangeboden en zal daartoe worden toegelaten.

4.12.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank Arenborg toelaten tot het leveren van bewijs als in het dictum te vermelden. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

laat Arenborg toe tot het bewijs dat haar rechtsvoorganger, [B] , vanaf 1962 gedurende ten minste dertig jaar het onafgebroken bezit heeft gehad van het perceel water, zonder dat daaraan een afspraak met [A] ten grondslag lag en zonder dat [B] aan [A] gevraagd heeft of hij (een deel van) het perceel water van hem mocht kopen;

5.2.

bepaalt dat, indien Arenborg het bewijs door middel van getuigen wil leveren, deze zullen worden gehoord door mr. B. Meijer op een door haar te bepalen dag en uur in een van de zalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te Den Haag;

5.3.

bepaalt dat de advocaat van [eiser c.s.] en Arenborg binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk aan de rechtbank – ter attentie van de griffie van de sector civiel – opgave zullen doen van de verhinderdata van alle betrokkenen voor een periode van drie maanden na heden, waarna dag en uur voor de verhoren zal worden bepaald;

5.4.

bepaalt dat, indien Arenborg het bewijs niet door getuigen wil leveren maar door overlegging van bewijsstukken en/of door een ander bewijsmiddel, Arenborg dit binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk aan de rechtbank – ter attentie van de griffie van de sector civiel – en aan de wederpartij moet opgeven;

5.5.

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.6.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. B. Meijer en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 november 2018.