Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:14124

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-11-2018
Datum publicatie
03-12-2018
Zaaknummer
18.20769
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2019:386, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Dublin Italie, opvolgende asielaanvraag, ten onrechte is decreet niet als novum aangemerkt. Niet duidelijk is wat de gevolgen zijn van het decreet op de opvangvoorzieningen. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.20769


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. L.M. Weber),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S.H.F. Pools).

Procesverloop

Bij besluit van 30 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Sium. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is van Eritrese nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] .

2. Op 27 december 2017 heeft eiser een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft op 24 juli 2018 deze aanvraag niet in behandeling genomen, omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag. Dit besluit staat in rechte vast door de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 20 augustus 2018.1

3. Op 8 oktober 2018 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze, onder toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)2, niet in behandeling genomen. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser ten opzichte van de voorgaande procedure geen nieuwe feiten en/of omstandigheden heeft aangevoerd.

4. Op 9 oktober 2018 is eiser overgedragen aan de autoriteiten van Italië. Op de zitting heeft eiser aangegeven dat hij na tien dagen zelfstandig is teruggekeerd naar Nederland.

5.1.

Eiser voert in beroep aan dat verweerder zijn aanvraag ten onrechte op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb heeft afgedaan.

5.2.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 25 oktober 20183, waarin is geoordeeld dat het niet in behandeling nemen van een asielaanvraag geen afwijzend besluit is in de zin van artikel 4:6 van de Awb, oordeelt de rechtbank dat deze beroepsgrond slaagt. Verweerder heeft dit op de zitting ook erkend en de rechtbank gevraagd dit gebrek te passeren onder toepassing van artikel 6:22 van de Awb.

5.3.

Eiser heeft verder een beroep gedaan op het decreet van de Italiaanse regering, dat inmiddels op 5 oktober 2018 geldende wetgeving is geworden. Hierin is onder andere de toegang tot het SPRAR-opvangsysteem beperkt tot personen die internationale bescherming genieten en niet-begeleide kinderen. Asielzoekers en personen met een humanitaire beschermingsstatus zouden daardoor van opvang in een SPRAR-locatie worden uitgesloten en alleen toegang hebben tot grootschalige eerstelijns- en tijdelijke opvangcentra (CAS), waar de levensomstandigheden vaak kritiek zijn. Eiser heeft in dit verband verwezen naar diverse uitspraken van deze rechtbank, waaronder die van deze zittingsplaats van 18 oktober 20184, artikelen uit The Guardian uit september en oktober 2018 en een uitspraak van een administratief hof in Luxemburg van 10 juli 2018 waaruit volgt dat in Italië sprake is van een aantal systematische tekortkomingen en er voldoende bewijsmateriaal is om aan te voeren dat de asielprocedures en opvangvoorzieningen in Italië ontoereikend zijn. Ook heeft eiser heeft op de zitting toegelicht dat hij, nadat hij in Italië uit het vliegtuig kwam, is meegenomen door de politie en daarna zonder informatie of begeleiding op straat is gezet. Hij heeft tien dagen op straat geleefd, tussen andere asielzoekers die in parkjes en groenstroken op de grond lagen. Eiser heeft de rechtbank op de zitting foto’s daarvan laten zien. Hij heeft geprobeerd opvang en een tolk te krijgen, maar hij kreeg te horen dat de kampen vol of gesloten waren. Daarnaast heeft eiser te maken gehad met racistisch geweld. Hij is met flessen bekogeld door autochtone Italianen en is vervolgens lopend naar Frankrijk gevlucht.

5.4.

De rechtbank is van oordeel dat ook deze grond slaagt. Verweerder heeft het decreet ten onrechte niet heeft aangemerkt als novum. Dat het decreet eiser niet raakt omdat hij geen kwetsbaar persoon is en dus, net als voorheen, terecht kan in de normale opvang, acht de rechtbank onvoldoende gemotiveerd. Gelet op de overgelegde informatie is het voor de rechtbank niet duidelijk wat de bredere gevolgen zijn van het beperken van de opvang in de SPRAR-locaties voor de opvangvoorzieningen in Italië in het algemeen, die gelet op de overgelegde stukken al behoorlijk onder druk stonden. Ook eisers relaas over zijn recente ervaringen in Italië illustreert dit standpunt. Dat verweerder onder verwijzing naar de uitspraken van de uitspraak van de Afdeling van 7 juni 20185 en 10 augustus 20186 stelt dat nog steeds kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, vindt de rechtbank daarom ontoereikend gemotiveerd.

Conclusie

6. Het beroep is gegrond. De rechtbank is van oordeel dat eiser door de geconstateerde gebreken in zijn belangen is geschaad. Er is daarom geen aanleiding toepassing te geven aan artikel 6:22 van de Awb. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Journée, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Zaaknummer NL18.13839.

2 Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat wanneer geen nieuwe feiten of omstandigheden worden vermeld, een aanvraag kan worden afgewezen onder verwijzing naar een eerdere afwijzing.

3 ECLI:NL:RVS:2018:3504.

4 Zaaknummer NL18.17748 (ECLI:NL:RBDHA:2018:12420).

5 ECLI:NL:RVS:2018:1910.

6 ECLI:NL:RVS:2016:2278.