Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:14109

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-11-2018
Datum publicatie
29-11-2018
Zaaknummer
C/09/558259 / KG ZA 18-848
Rechtsgebieden
Aanbestedingsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Aanbesteding. Voorzieningenrechter komt niet terug op bindende eindbeslissing in tussenvonnis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/558259 / KG ZA 18-848

Vonnis in kort geding van 28 november 2018

in de zaak van

PS MEDIA B.V.,

gevestigd te Veenendaal,

eiseres,

advocaat mr. A.L. Appelman te Zwolle,

tegen:

1 GEMEENTE WESTLAND,

zetelend te Naaldwijk,

2. GEMEENTE DELFT,

zetelend te Delft,

3. GEMEENTE ZOETERMEER,

zetelend te Zoetermeer,

4. GEMEENTE RIJSWIJK,

zetelend te Rijswijk,

5. GEMEENTE LEIDSCHENDAM-VOORBURG,

zetelend te Leidschendam,

gedaagden,

advocaat mr. J.N.E. Weyne te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als enerzijds 'PS Media' en anderzijds 'de Gemeenten' (voor zover gezamenlijk bedoeld).

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 26 oktober 2018;

  • -

    de akte houdende overlegging producties van de Gemeenten;

  • -

    de antwoord akte van PS Media, met producties.

2 De beoordeling

2.1.

Ter uitvoering aan het onder 1.1 vermelde tussenvonnis van 26 oktober 2018 hebben de Gemeenten vijf - op 8 november 2018 ondertekende - overeenkomsten tussen enerzijds LM en anderzijds de vijf afzonderlijke gemeenten, in het geding gebracht. Hierin is telkens - in overeenstemming met het antwoord op vraag 10 in de eerste Nota van Inlichtingen - een looptijd opgenomen van twee jaar, met de mogelijkheid tot verlenging met tweemaal één jaar.

2.2.

In rechtsoverweging 4.18 van het tussenvonnis is uitdrukkelijk - en zonder voorbehoud - overwogen dat in die situatie de vorderingen van PS Media zullen worden afgewezen.

2.3.

De stellingen van PS Media in haar antwoordakte komen er op neer dat zij de voorzieningenrechter verzoekt terug te komen op die bindende eindbeslissing.

2.4.

De voorzieningenrechter stelt in dat verband voorop dat volgens vaste jurisprudentie de rechter, die in een tussenuitspraak een of meer geschilpunten uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft beslist, daaraan - in beginsel - in het verdere verloop van het geding is gebonden. Deze gebondenheid heeft een - uit een oogpunt van goede procesorde positief te waarderen - op beperking van het debat gerichte functie. Zij geldt evenwel niet onverkort. De eisen van een goede procesorde brengen immers tevens mee dat de rechter aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een dictum vervatte, eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen.

2.5.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan in het bestek van dit geding niet ervan worden uitgegaan dat de in het tussenvonnis opgenomen - en door PS Media bestreden - eindbeslissing is gebaseerd op een onjuiste feitelijke of juridische grondslag.

2.6.

Anders dan PS Media stelt kan niet worden aangenomen dat LM en de Gemeenten bij het sluiten van de (oorspronkelijke) overeenkomsten niet de intentie hadden overeenkomsten te sluiten met een looptijd van twee jaar met de mogelijkheid tot verlenging met tweemaal één jaar, waarmee zij kennelijk beoogt te stellen dat er tussen LM en de Gemeenten op dat moment geen wilsovereenstemming bestond over een dergelijke looptijd. Daarvoor is het volgende van belang.

2.7.

Naar aanleiding van het verloop van de zitting van dit kort geding op 18 oktober 2018 hebben de Gemeenten bij e-mailbericht van 22 oktober 2018 het volgende medegedeeld aan LM:

"Tijdens de aanbestedingsprocedure zijn vragen gesteld met betrekking tot de duur van de overeenkomst, als gevolg waarvan in het antwoord op vraag 10 van de Nota van Inlichtingen d.d. 25 september 2017 de looptijd van de overeenkomst is aangepast naar een looptijd van 2 jaar met de mogelijkheid om twee maal één jaar te verlengen.

Hoewel partijen een looptijd van 2 jaar met de mogelijkheid om tweemaal één jaar te verlengen, zijn overeengekomen, is in de tekst van de overeenkomsten van alle vijf gemeenten abusievelijk een onjuiste looptijd

opgenomen. Helaas heeft geen van de betrokken partijen deze administratieve fout bij ondertekening van de overeenkomsten opgemerkt.

Zou u mij willen bevestigen dat LM Tietopalvelut Oy en elk van de vijf gemeenten zijn overeengekomen dat de opdracht een looptijd heeft conform het antwoord op vraag 10 van de Nota van Inlichtingen d.d. 25 september 2017, te weten 2 jaar met de mogelijkheid om twee maal één jaar te verlengen? Per gemeente loopt de overeenkomst derhalve van 1 mei 2018 tot en met 30 april 2020, met de optie de overeenkomst twee maal één jaar te verlengen. De overeenkomst eindigt van rechtswege op 30 april 2022. De indexering zoals opgenomen in vraag 10 van de Nota van Inlichtingen is eveneens van toepassing.

Om ook administratief een en ander af te hechten zullen wij u per gemeente een overeenkomst toezenden waarin de looptijd is gecorrigeerd"

In reactie daarop heeft LM - binnen een half uur en zonder enige(e) commentaar/nuancering - aan de Gemeenten bericht dat zij bereid is nieuwe contracten - met een aangepaste looptijd - te ondertekenen, wat vervolgens ook is gebeurd op 8 november 2018.

2.8.

Het bovenstaande bevestigt het beeld dat destijds al (wils)overeenstemming bestond tussen LM en de Gemeenten over een looptijd van de overeenkomsten conform dat wat is vermeld in de eerste Nota van Inlichtingen, ook al wijken de aanvankelijk ondertekende overeenkomsten in dat opzicht af.

2.9.

Daaraan doet niet af dat PS Media de Gemeente Westland destijds heeft gewezen op een van de aanbestedingsstukken afwijkende looptijd in de door die gemeente aan haar toegezonden wachtkamerovereenkomst. Die omstandigheid brengt - ook al volgt uit de aanbestedingstukken dat de looptijden van de met de 'winnaar' van de aanbestedingsprocedure te sluiten overeenkomsten en de wachtkamerovereenkomsten moeten overeenstemmen - niet mee dat moet worden aangenomen dat voormelde wilsovereenstemming ontbrak toen de oorspronkelijke overeenkomsten met LM werden gesloten/ondertekend. Aan de overige door PS Media aangevoerde omstandigheden die haar doen twijfelen aan de juistheid van de stelling van de Gemeenten dat bij vergissing onjuiste looptijden zijn opgenomen in de oorspronkelijke overeenkomsten met LM moet ook worden voorbijgegaan. Enkel het wekken/hebben van twijfels is onvoldoende om in dit geschil aan te nemen dat het anders ligt. Overigens zijn - mede bezien in het licht van hetgeen hiervoor al is overwogen - de door PS Media in dat verband naar voren gebrachte feiten en/of omstandigheden onvoldoende om ervan uit te gaan dat over de aanvankelijk vastgelegde doorlooptijden wilsovereenstemming bestond tussen LM en de Gemeenten.

2.10.

Tot slot valt niet in te zien dat het feit dat de aangepaste overeenkomsten pas op 8 november 2018 daadwerkelijk zijn ondertekend, terwijl LM al op 22 oktober 2018 had aangegeven daartoe bereid te zijn, er toe zou moeten leiden dat dient te worden teruggekomen op de hier aan de orde zijnde bindende eindbeslissing.

2.11.

De slotsom is dat de vorderingen van PS Media zullen worden afgewezen.

2.12.

Uiteindelijk trekt PS Media aan het kortste eind. Gelet echter op de gehele gang van zaken, waarbij in de verhouding tussen partijen het opnemen van een onjuiste looptijd in de oorspronkelijke overeenkomsten voor rekening en risico van de Gemeenten behoort te komen, zullen de proceskosten op de hieronder in het dictum vermelde wijze worden gecompenseerd.

3 De beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1.

wijst de vorderingen van PS Media af;

3.2.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 28 november 2018.

jvl