Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:14085

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-11-2018
Datum publicatie
28-11-2018
Zaaknummer
18/2740
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Rekestprocedure
Beschikking
Inhoudsindicatie

Artikel 182 Sv

De rechtbank is van oordeel dat niet elke onderzoekswens waarvan op voorhand onduidelijk is of de uitvoering ervan kan bijdragen aan enige in de zaak te nemen beslissing moet worden toegewezen. Het opsommen van de mogelijke voor de verdediging gunstige resultaten van de ondervraging is niet voldoende als onderbouwing van het verzoek, wanneer voor de gestelde mogelijke vormverzuimen geen concreet aanknopingspunt wordt geboden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2019/59
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Parketnummer: 09/993002-17

Kenmerk RK: 18/2740

Beslissing van de rechtbank Den Haag, meervoudige raadkamer in strafzaken, op het bezwaarschrift ex artikel 182, zesde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van:

[appellant] ,

geboren op [geboortedatum] 1961 te [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] ,

hierna: de verdachte.

Procesgang

Het bezwaarschrift is blijkens de daarvan opgemaakte akte op 10 september 2018 ter griffie van deze rechtbank ingediend. Het is gericht tegen de beschikking van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, van 27 augustus 2018, waarbij de rechter-commissaris het verzoek van de verdachte tot het horen van de getuige [getuigen 1] (hierna: [getuigen 1] ) heeft afgewezen. In raadkamer heeft de raadsman verklaard dat het bezwaarschrift zo moet worden gelezen dat het zich ook richt tegen de afwijzing van het verzoek tot het horen van de getuigen [getuigen 2] (hierna: [getuigen 2] ) en [getuigen 3] (hierna: [getuigen 3] ).

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafdossier met voornoemd parketnummer, voor zover van belang in de onderhavige zaak.

De rechtbank heeft het bezwaarschrift op 30 oktober 2018 in raadkamer behandeld.

De verdachte is - hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen - niet in raadkamer verschenen. Namens de verdachte is mr. R. van der Hoeven in raadkamer verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr. H.C. Vermaseren is ook in raadkamer verschenen en gehoord. Zij heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het bezwaar.

Beoordeling van het bezwaar

De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het bezwaar.

Het bezwaarschrift is tijdig ingediend. De verdachte is dus ontvankelijk in zijn bezwaar.

Uit de stukken en het onderzoek in raadkamer is het volgende naar voren gekomen.

Achtergrond van de zaak

De verdediging heeft de rechter-commissaris bij brief van 10 oktober 2017 verzocht onderzoekshandelingen te verrichten, bestaande uit het horen van een aantal getuigen.

De rechter-commissaris heeft bij beschikking van 7 december 2017, deels voorlopig, op de verzoeken van de verdachte beslist.

De raadsman heeft namens de verdachte bij brief van 14 juni 2018 aan de rechter-commissaris de eerdere onderzoekswens om [getuigen 1] te horen gehandhaafd en heeft aanvullend verzocht tot het horen van getuigen [getuigen 3] en [getuigen 2] .

De rechter-commissaris heeft bij beschikking van 27 augustus 2018 de verzoeken betreffende het horen van deze getuigen afgewezen. Zij heeft onder meer overwogen dat het met betrekking tot het horen van de getuige [getuigen 1] evident is dat de verdediging vindt dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (hierna: de NVWA) de MEI-regeling in (onderdelen van) dit onderzoek niet goed heeft uitgelegd. Wat daar ook van zij, dit brengt niet met zich dat sprake is geweest van onrechtmatigheden in de opsporing, in die zin dat het onderzoek geen waarheidsvinding tot doel zou hebben gehad: er zijn geen aanwijzingen dat willens en wetens getuigen dan wel de verdachten op het verkeerde spoor zouden zijn gezet of dat opsporingsbevoegdheden zonder grondslag zouden zijn ingezet. De verdediging heeft ook geen concrete voorbeelden genoemd. Wat door de verdediging is aangevoerd biedt geen grondslag voor een gegrond vermoeden dat zich dergelijke onregelmatigheden hebben voorgedaan. De vraag of er in deze zaak MEI-regels zijn overtreden, is een vraag van juridische aard die, als de zaak op zitting komt, bij uitstek aan de rechtbank is om te beoordelen. Het horen van [getuigen 1] kan daaraan niet bijdragen, aldus de rechter-commissaris. Met betrekking tot het horen van de getuigen [getuigen 2] en [getuigen 3] heeft de rechter-commissaris overwogen dat de beslissing om de zaak strafrechtelijk af te doen in het startproces-verbaal (p. 118-128) is beschreven. De verdediging heeft niet duidelijk gemaakt welke aanvullende vragen zij daarover aan genoemde getuigen wenst te stellen.

Het standpunt van de verdachte

Namens de verdachte is in het bezwaarschrift verzocht het bezwaar gegrond te verklaren en te gelasten dat de rechter-commissaris overgaat tot het horen van de getuige [getuigen 1] ; in raadkamer is dit zoals vermeld uitgebreid met [getuigen 2] en [getuigen 3] . Daartoe is - samengevat - het volgende aangevoerd.

Naar aanleiding van een door C. [verbalisant] bij [naam] uitgevoerde controle op de uitvoering van de MEI-regeling is overgegaan tot het strafrechtelijk onderzoek [onderzoek naam] , dat zich onder meer tegen de verdachte richt. In dit onderzoek is mogelijk onrechtmatig gehandeld. Zo is in het [onderzoek naam] , onder meer uit de verhoren bij de rechter-commissaris, aannemelijk geworden dat [verbalisant] niet beschikte over de vereiste kennis en deskundigheid om te controleren of aan de MEI-regeling was voldaan. Bij de voorbereiding en het eerste deel van het strafrechtelijk onderzoek is uitgegaan van een volkomen onjuiste interpretatie van het begrip “meerkosten”. Dat deze fout is gemaakt, is inmiddels erkend, maar er is onvoldoende beschreven hoe deze fout is gemaakt en welke consequenties dit heeft gehad voor het vervolg van het onderzoek. [getuigen 1] is teamleider van het [onderzoek naam] . Gebleken is dat [getuigen 1] met vrijwel hetzelfde NVWA-team ook een deel van een strafrechtelijk onderzoek ‘ [naam] ’ tegen de [naam] heeft uitgevoerd, dat betrekking had op een mogelijke overtreding van een andere subsidieregeling. Dit wekt op zijn minst de schijn dat er ten aanzien van de beslissing om in de MEI-zaak tot strafrechtelijk onderzoek over te gaan andere dan juridische motieven een beslissende rol hebben gespeeld. Gelet hierop is het aannemelijk dat het strafrechtelijk onderzoek niet is gestart op basis van een redelijk vermoeden van schuld.

De verdediging wil de verzochte getuigen vragen stellen over de aanvang en het verloop van het strafrechtelijk onderzoek en over de geconstateerde feiten en de betekenis daarvan in het perspectief van de MEI-regeling en heeft een aantal van die vragen ter zitting genoemd. De antwoorden op die vragen zijn volgens de verdediging in het kader van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv zonder meer relevant.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft in raadkamer geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het bezwaar omdat de verdediging onvoldoende concreet heeft onderbouwd dat uit hetgeen verbalisanten hebben geverbaliseerd blijkt van enige onregelmatigheid in het onderzoek.

Het toetsingskader

De Hoge Raad heeft in zijn overzichtsarrest van 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, inzake het oproepen en horen van getuigen (ter zitting) op verzoek van de verdediging in strafzaken overwogen dat in de rechtspraak en de doctrine wordt aangenomen dat het verdedigingsbelang het Openbaar Ministerie onderscheidenlijk de rechter ertoe noopt een verzoek tot oproeping van getuigen te beoordelen vanuit de gezichtshoek van de verdediging en met het oog op het belang van de verdediging bij de inwilliging van het verzoek. Dit brengt mee dat alleen dan kan worden gezegd dat de verdachte door afwijzing van het verzoek redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad, indien de punten waarover de getuige kan verklaren, in redelijkheid niet van belang kunnen zijn voor enige in zijn strafzaak te nemen beslissing dan wel redelijkerwijze moet worden uitgesloten dat die getuige iets over bedoelde punten zou kunnen verklaren.

Voorts heeft de Hoge Raad in dit overzichtsarrest overwogen dat met het oog op het in de praktijk vaak voorkomende geval dat wordt verzocht om het horen van getuigen ter onderbouwing van een beroep op een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv, nog het volgende kan worden toegevoegd. Bij zo een verweer wordt van de verdediging verlangd dat duidelijk en gemotiveerd aan de hand van de in die bepaling genoemde factoren wordt aangegeven tot welk in art. 359a Sv omschreven rechtsgevolg dit dient te leiden, want alleen op een zodanig verweer is de rechter gehouden een met redenen omklede beslissing te geven. In lijn hiermee mag van de verdediging die met het oog op de onderbouwing van zo een verweer getuigen wenst te doen horen aan de hand van wier verklaringen de verdediging de vraag naar de rechtmatigheid van het voorbereidend onderzoek aan de orde wil stellen, worden gevergd dat zij gemotiveerd uiteenzet waarom daartoe getuigen dienen te worden gehoord.

De rechtbank zal, zij het terughoudend, moeten toetsen of de beslissing van de rechter-commissaris in het licht van het vorenstaande kan standhouden. Hoewel het bezwaar alleen betrekking heeft op getuige [getuigen 1] , zal zij om redenen van proceseconomie rekening houden met het feit dat de raadsman heeft gevraagd het te beschouwen als mede betrekking hebbend op de afwijzing van het verzoek tot het horen van [getuigen 2] en [getuigen 3] .

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank leidt uit het strafdossier het volgende af.

Op 5 februari 2013 heeft de Dienst Regelingen van het ministerie van Economische Zaken (hierna: de DR) de divisie toezicht van de NVWA verzocht een reguliere verificatie uit te voeren ten aanzien van het project [bedrijf 1] te [plaats] . Dit in verband met de hiervoor toegekende subsidie Marktintroductie Energie-Innovatie 2011 (de MEI-subsidie).

De aanvraag voor die subsidie was gedaan door de firma [bedrijf 2] (later omgezet in [bedrijf 3] ). [bedrijf 1] wordt bestuurd door [bedrijf 3] .

Hierop heeft toezichthouder [verbalisant] van de NVWA een controle ingesteld bij opdrachtgever [bedrijf 1] en uitvoerend bouwer [bedrijf 4] .

Op 19 februari 2013 heeft verbalisant [verbalisant] de financiële administratie van [bedrijf 1] ingezien (deelonderzoek 1). Op 20 februari 2013 heeft hij de bouwlocatie in [plaats] aan een visuele inspectie onderworpen (deelonderzoek 2). Op 7 maart 2013 heeft [verbalisant] de nacalculatie gecontroleerd in het bijzijn van [naam] (Algemeen Directeur [bedrijf 4] ) om inzicht te krijgen in de daadwerkelijke kosten achteraf (deelonderzoek 3). Tijdens dit onderzoek heeft verbalisant [verbalisant] een aantal opmerkelijkheden geconstateerd. Hierover heeft [verbalisant] mondeling en schriftelijk (per e-mail) contact gehad met [naam] .

Op basis van het door [verbalisant] ingestelde onderzoek ontstond bij hem het vermoeden dat een deel van de niet-subsidiabele kosten opzettelijk is verschoven naar de subsidiabele kosten om daarmee meer subsidie te kunnen genereren. Op 14 maart 2013 en op 7 mei 2013 heeft [verbalisant] overleg gevoerd met de [.] , [getuigen 3] en [getuigen 2] . Toen werd besloten dat het dossier voor strafrechtelijk onderzoek zou worden overgedragen aan de Inlichtingen- en Opsporingsdienst van de NVWA. Ten behoeve hiervan heeft [verbalisant] op verzoek van [getuigen 2] op 16 mei 2013 een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt. Hierna hebben in het kader van het strafrechtelijk onderzoek op 15 april 2014 doorzoekingen plaatsgevonden op de bedrijfslocaties van [bedrijf 3] , [bedrijf 1] en [bedrijf 4] en in de woning van [naam] . Tevens werd uitlevering gevorderd bij [naam] en [bedrijf 5] , waarbij digitale en fysieke administratie in beslag is genomen.

De rechtbank is van oordeel dat de rechter-commissaris in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat uit het dossier genoegzaam blijkt hoe de beslissing om een strafrechtelijk onderzoek te starten tot stand is gekomen. Bovendien heeft zij in redelijkheid tot het oordeel kunnen komen dat uit het dossier niet blijkt dat er sprake is geweest van een gegrond vermoeden dat zich onregelmatigheden, zoals het willens en wetens op het verkeerde spoor zetten van getuigen dan wel de verdachten of het bewust en/of het zonder grondslag inzetten van opsporingsbevoegdheden, hebben voorgedaan.

Namens de verdachte is gesteld dat het probleem in deze zaak juist is gelegen in wat er niet in het dossier is beschreven. Het horen van de verbalisanten zal mogelijk aantonen dat er sprake is geweest van onrechtmatigheden in het onderzoek.

De rechtbank merkt op dat hoewel het verdedigingsbelang de rechter ertoe noopt een verzoek om getuigen te horen vanuit de gezichtshoek van de verdediging en met het oog op het belang van de verdediging bij de inwilliging van het verzoek te beoordelen, dit niet betekent dat elke onderzoekswens waarvan op voorhand onduidelijk is of de uitvoering ervan kan bijdragen aan enige in de zaak te nemen beslissing moet worden toegewezen. Het opsommen van de mogelijke voor de verdediging gunstige resultaten van de ondervraging is niet voldoende als onderbouwing van het verzoek, wanneer voor de gestelde mogelijke vormverzuimen geen concreet aanknopingspunt wordt geboden. Nu de onderzoekswensen slechts zijn onderbouwd met veronderstellingen en vermoedens, is de rechtbank van oordeel dat de rechter-commissaris de verzoeken tot het horen van de verzochte getuigen heeft kunnen afwijzen.

Voorts heeft de rechter-commissaris de juiste maatstaf gehanteerd bij de overweging dat de vraag of er in deze zaak MEI-regels zijn overtreden, een vraag van juridische aard is, die als de zaak op zitting komt aan de orde kan worden gesteld.

De rechter-commissaris heeft derhalve in redelijkheid tot afwijzing van het verzoek tot het horen van de getuigen [getuigen 1] , [getuigen 2] en [getuigen 3] kunnen komen, nu niet is gebleken dat het horen van deze getuigen kan bijdragen aan enige door de rechtbank te nemen beslissing.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het bezwaarschrift ongegrond.

Aldus beslist te Den Haag door:

mr. J. Eisses, voorzitter,

mr. M.J.C. Dijkstra, rechter,

mr. J. Montijn, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. V. van Rhijn, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 13 november 2018.