Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:14029

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-11-2018
Datum publicatie
27-11-2018
Zaaknummer
AWB 18/661
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mvv-nareis, beroep gegrond, motiveringsgebrek en hoorplicht geschonden.

Verweerder heeft, door zich op het standpunt te stellen dat eiseres met de overgelegde kerkelijke huwelijksakte haar identiteit en huwelijk niet heeft aangetoond, een onjuist toetsingskader gehanteerd. Volgens zijn vaste gedragslijn moet verweerder immers beoordelen of hij de kerkelijke huwelijksakte, nu die niet is ingeschreven, als onofficieel document als voldoende substantieel bewijs beschouwt voor de identiteit van eisers en het gestelde huwelijk met referent, om een aanvullend onderzoek aan te bieden, bijvoorbeeld door het houden van identificerende gehoren of DNA-testen. In dat verband is ook van belang dat, als uit het DNA-onderzoek blijkt dat het minderjarige kind de dochter is van eiseres en van referent, dat ook een nader indicatief bewijs zal zijn voor het gestelde huwelijk tussen eiseres en referent.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/661

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 15 november 2018 in de zaak tussen

[eiseres] ,

geboren op [geboortedatum 1] , eiseres,

mede ten behoeve van

[dochter] ,

geboren op [geboortedatum 2] ,

beiden van Eritrese nationaliteit,

(gemachtigde: mr. C. Chen, advocaat te Alkmaar),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,(gemachtigde: mr. S. Naarendorp)

Procesverloop

Bij besluit van 8 mei 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van [referent] (referent) tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aan eiseres in het kader van nareis, afgewezen.

Eiseres heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar.

Bij besluit van 14 februari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Het beroep van eiseres heeft op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede betrekking op het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2018. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Voorts is referent ter zitting verschenen. Als tolk is M. Ogbamichael verschenen. Verweerder is, met voorafgaand bericht van afwezigheid, niet verschenen.

Overwegingen

Het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit

  1. Verweerder heeft inmiddels een besluit genomen op het bezwaar van eiseres. Niet is gebleken dat eiseres nog belang heeft bij een beoordeling van het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank zal daarom het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk verklaren.

  2. Niet in geschil is dat verweerder niet tijdig op het bezwaar heeft beslist. De rechtbank zal daarom verweerder veroordelen in de kosten die eiseres heeft gemaakt in verband met het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Het bedrag van deze kosten stelt de rechtbank vast op € 125,25 voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 0,25).
    Het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 14 februari 2018

  3. Referent is op 17 maart 2016 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Op 26 april 2016 heeft hij een mvv-aanvraag voor eiseres ingediend. Referent stelt dat eiseres 1 zijn echtgenote is en [dochter] zijn minderjarige dochter.

  4. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen omdat zij toerekenbaar haar identiteit niet heeft aangetoond met een paspoort of een ander identificerend document. Daarnaast heeft zij haar identiteit ook niet op een andere wijze aannemelijk gemaakt. Volgens verweerder kan hij daarom de familierechtelijke relatie tussen haar en referent verder niet beoordelen.
    In het bestreden besluit heeft verweerder zich ten overvloede op het standpunt gesteld dat eiseres ook geen familierechtelijke documenten heeft overgelegd ter onderbouwing van haar huwelijk, en dat zij geen verklaring heeft gegeven voor het ontbreken van deze documenten. De overgelegde kopie van een kerkelijke huwelijksakte acht verweerder onvoldoende om het huwelijk aan te tonen.

5. Eiseres voert aan dat verweerder heeft miskend dat referent bij de aanvraag, bij brief van VluchtelingenWerk Nederland van 24 april 2017, kenbaar heeft gemaakt dat hij in het bezit is van de originele kerkelijk huwelijksakte. Referent kan die op verzoek overleggen. Volgens eiseres heeft verweerder ten onrechte geen onderzoek verricht naar de huwelijksakte.
Verder voert eiseres aan dat verweerder met een DNA-onderzoek de familierechtelijke relatie had kunnen vaststellen tussen referent en [dochter] , en tussen eiseres en [dochter] . Daaruit kan vervolgens ook de familierechtelijke relatie tussen referent en eiseres blijken.
Eiseres verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 mei 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1637).

5.1

Verweerder heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat de originele kerkelijke huwelijksakte niet in de beoordeling kan worden betrokken, vanwege de ex-tunc toetsing in beroep. Volgens verweerder heeft eiseres voor het eerst in beroep naar voren gebracht dat referent over het origineel van de kerkelijke huwelijksakte beschikt. Dat verweerder die niet eerder kon laten onderzoeken, komt daarom voor risico van eiseres.
Verder heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de kerkelijke huwelijksakte niet is ingeschreven bij de Eritrese autoriteiten en dat ook al daarom met de huwelijksakte het huwelijk niet kan worden aangetoond. Daar komt volgens verweerder bij dat eiseres haar gestelde identiteit niet heeft aangetoond. Ook daarom zal een nader onderzoek naar de originele kerkelijke huwelijksakte niet tot een wijziging van zijn standpunt over de gestelde gezinsband leiden.

5.2

Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 16 mei 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1508) blijkt dat verweerder een nieuwe vaste gedragslijn volgt bij de beoordeling of herbeoordeling van alle op 23 november 2017 lopende nareisaanvragen. Die vaste gedragslijn is daarom ook van toepassing op de aanvraag van eiseres. Die vaste gedragslijn houdt kort gezegd in dat verweerder bereid is om onofficiële documenten te betrekken bij zijn beoordeling of de vreemdeling zijn gestelde familierelatie met de referent aannemelijk heeft gemaakt. Dat betekent dat verweerder bereid is ook aanvullend onderzoek naar de familierelatie aan te bieden als die vreemdeling substantieel bewijs van de gestelde familierelatie heeft overgelegd in de vorm van één of meer onofficiële documenten over die familierelatie. Verweerder doet dit nu ongeacht of die vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij in bewijsnood verkeert om officiële documenten te kunnen overleggen.

Uit het voorgaande volgt dat in het midden kan blijven of verweerder terecht van eiseres heeft verlangd dat zij aannemelijk maakt dat zij in bewijsnood verkeert om officiële documenten te overleggen ter onderbouwing van haar identiteit en haar familierelatie met referent en of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres die bewijsnood niet aannemelijk heeft gemaakt. Uit het bestreden besluit blijkt immers dat verweerder ook een standpunt heeft ingenomen over de kerkelijke huwelijksakte. Volgens verweerder is de kerkelijke huwelijksakte onvoldoende om het huwelijk aan te tonen. Verder heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de huwelijksakte niet op echtheid kan worden onderzocht, omdat die in kopie is overgelegd.

5.3

Er is geen grond voor de stelling van verweerder dat eiseres voor het eerst in beroep melding heeft gemaakt van het feit dat referent in het bezit is van de originele kerkelijke huwelijksakte.
In de brief van VluchtelingenWerk Nederland van 24 april 2017 bij de aanvraag van referent is al gesteld dat referent beschikt over een kerkelijke huwelijksakte. Dat die huwelijksakte in kopie bij die brief was gevoegd, betekent niet dat er grond was om zonder meer aan te nemen dat referent ook alleen over een kopie van de huwelijksakte beschikte. Verweerder heeft referent immers niet gevraagd het origineel van de huwelijksakte alsnog te overleggen. Verweerder had referent weliswaar eerder, in zijn brief van 7 april 2017, in de gelegenheid gesteld om originele documenten op te sturen, maar daarin heeft hij alleen gevraagd om een originele huwelijksakte die is afgegeven door de autoriteiten.
Verweerder heeft zich vervolgens in het primaire besluit op het standpunt gesteld dat de aanvraag wordt afgewezen, omdat eiseres geen officiële documenten heeft overgelegd ter onderbouwing van haar gestelde identiteit en daarom de gestelde familierechtelijke relatie niet heeft beoordeeld. Verweerder had reeds daarom de kerkelijke huwelijksakte niet in zijn beoordeling betrokken. Daarom was er voor eiseres op dat moment geen aanleiding om in bezwaar alsnog het origineel van de huwelijksakte te overleggen.
Eerst in het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat hij de kerkelijke huwelijksakte niet op echtheid heeft kunnen laten onderzoeken, omdat die in kopie is overgelegd. Ook in bezwaar heeft verweerder eiseres niet gevraagd of zij de originele kerkelijke huwelijksakte kan overleggen.

Gelet op het voorgaande is er geen grond voor het oordeel dat het feit dat referent beschikt over de originele kerkelijke huwelijksakte en die aan verweerder kan overleggen voor onderzoek, buiten de beoordeling in beroep moet blijven.

5.4

De Afdeling heeft in haar uitspraak van 18 mei 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1637) het volgende overwogen (onder punt 12.1):

[…] Gelet op de nieuwe vaste gedragslijn […] had de staatssecretaris de door de vreemdeling overgelegde kerkelijke huwelijksakte bij zijn beoordeling moeten betrekken en moeten beoordelen of hij dit document als substantieel bewijs beschouwt van de gestelde familierelatie. De staatssecretaris heeft dit niet gedaan. Verder had hij, als hij de huwelijksakte als substantieel bewijs beschouwt, moeten beoordelen of de vreemdeling in aanmerking komt voor aanvullend onderzoek ook al heeft zij haar identiteit niet aangetoond met officiële documenten. Aanvullend onderzoek is immers onder meer mogelijk als een vreemdeling substantieel bewijs van zijn identiteit in de vorm van één of meer onofficiële identiteitsdocumenten heeft overgelegd. Uit het besluit valt echter niet af te leiden dat de staatssecretaris bereid is geweest om onofficiële documenten te betrekken bij zijn beoordeling of de vreemdeling haar identiteit aannemelijk heeft gemaakt. […]”

Hieruit volgt dat verweerder met zijn standpunt dat de kerkelijke huwelijksakte niet is ingeschreven bij de Eritrese autoriteiten en dat daarom het gestelde huwelijk niet is aangetoond, en dat met de kerkelijke huwelijksakte de identiteit van eiseres niet kan worden aangetoond, een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd. Volgens zijn vaste gedragslijn moet verweerder immers beoordelen of hij de kerkelijke huwelijksakte, nu die niet is ingeschreven, als onofficieel document als voldoende substantieel bewijs beschouwt voor de identiteit van eisers en het gestelde huwelijk met referent, om een aanvullend onderzoek aan te bieden, bijvoorbeeld door het houden van identificerende gehoren of DNA-testen. In dat verband is ook van belang dat, als uit het DNA-onderzoek blijkt dat [dochter] de dochter is van eiseres en van referent, dat ook een nader indicatief bewijs zal zijn voor het gestelde huwelijk tussen eiseres en referent.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder het bestreden besluit ondeugdelijk heeft gemotiveerd, door de aanvraag af te wijzen op de gronden zoals weergegeven onder 4, en aangevuld bij het verweerschrift, zoals weergegeven onder 5.1.

De beroepsgrond slaagt.

6. Eiseres voert verder aan dat verweerder haar ten onrechte niet heeft gehoord naar aanleiding van haar bezwaar.

6.1

Verweerder heeft in het primaire besluit de aanvraag uitsluitend afgewezen op de grond dat eiseres haar gestelde identiteit niet heeft aangetoond met originele documenten. Er is daarom geen grond voor het oordeel, mede gelet op hetgeen in het voorgaande is overwogen, dat er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar van eiseres niet had kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Verweerder heeft daarom ten onrechte ervan afgezien eiseres of referent te horen in bezwaar.
De beroepsgrond slaagt.

7. Het beroep is grond.

8. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2, 7:2, eerste lid, en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

9. De rechtbank zal verweerder veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten in verband met het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 14 februari 2018. Het bedrag van deze kosten stelt de rechtbank vast op € 1.002,- voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en wegingsfactor 1).

10. De rechtbank zal verweerder gelasten het betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres in verband met het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, tot een bedrag van € 125,25;

- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 14 februari 2018, gegrond;

- vernietigt het besluit van 14 februari 2018;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van de verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres, met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres in verband met het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 14 februari 2018, tot een bedrag van € 1.002,-;

- draagt verweerder op € 170,- te betalen aan eiseres als vergoeding voor het betaalde griffierecht.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J van der Kluit, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Pirs, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 november 2018.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.