Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:14023

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-11-2018
Datum publicatie
27-11-2018
Zaaknummer
AWB 18/5909
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mvv-nareis, beroep gegrond, onzorgvuldig onderzoek, motiveringgebrek en hoorplicht geschonden.

Dat eiser geen voogdijverklaring heeft overgelegd, waaruit blijkt dat referent het gezag over hem heeft, staat op zichzelf niet in de weg aan het aanbieden van nader onderzoek naar de gestelde feitelijke gezinsband tussen eiser en referent. Dat de moeder van eiser, naar verweerder stelt, nog het gezag over eiser heeft, staat daarnaast op zichzelf niet eraan in de weg dat een feitelijke gezinsband kan zijn ontstaan tussen eiser, als pleegkind, en referent, als pleegouder. Verweerder heeft dus op onjuiste gronden aangenomen dat nog een feitelijke gezinsband bestaat tussen eiser en zijn moeder en dat referent daarom niet als pleegouder van eiser kan worden aangemerkt. Dat betekent dat verweerder op onjuiste gronden heeft geweigerd aanvullend onderzoek naar de gestelde feitelijke gezinsband tussen eiser en referent te verrichten.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingencirculaire 2000 (C)
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/5909

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 15 november 2018 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] , van Eritrese nationaliteit,

eiser,

(gemachtigde: mr. C. Chen, advocaat te Alkmaar),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,(gemachtigde: mr. S. Naarendorp)

Procesverloop

Bij besluit van 8 mei 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van [referent] (referent) tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aan eiser in het kader van nareis, afgewezen.

Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar.

Bij besluit van 14 februari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Het beroep van eiser heeft op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede betrekking op het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2018. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voorts is referent ter zitting verschenen. Als tolk is M. Ogbamichael verschenen. Verweerder is, met voorafgaand bericht van afwezigheid, niet verschenen.

Overwegingen
Het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit

1. Verweerder heeft inmiddels een besluit genomen op het bezwaar van eiser. Niet is gebleken dat eiser nog belang heeft bij een beoordeling van zijn beroep, voor zover gericht tegen het niet tijd nemen van een besluit. De rechtbank zal daarom het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk verklaren.
2. De gemachtigde van eiser heeft gelijktijdig beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar in de zaak van [naam echtgenote] en [naam kind] , de gestelde echtgenote en kind van referent. De rechtbank merkt daarom in zoverre de zaak van eiser aan als samenhangend met de zaak van [naam echtgenote] en [naam kind] . Omdat bij uitspraak van vandaag (AWB 18/661) de rechtbank in de zaak van [naam echtgenote] en [naam kind] verweerder heeft veroordeeld in de kosten voor het maken van beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar, bestaat geen aanleiding om verweerder in de zaak van eiser te veroordelen in de proceskosten.
Het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 14 februari 2018
3. Referent is op 17 maart 2016 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Op 26 april 2016 heeft hij een mvv-aanvraag voor eiser ingediend. Referent stelt dat eiser de minderjarige zoon is van zijn zus en dat eiser inmiddels zijn pleegkind is.
4. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen omdat hij de feitelijke gezinsband met referent niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiser heeft niet met officiële documenten, zoals een voogdijverklaring, aangetoond dat het gezag van eiser ten tijde van het vertrek van referent uit het gezin niet bij de biologische ouders van eiser, maar bij referent lag. Omdat in ieder geval de moeder van eiser tot het moment van vertrek van referent in staat was het ouderlijk gezag over eiser uit te oefenen, kan volgens verweerder referent niet als de pleegouder van eiser worden gezien. Volgens verweerder behoorde eiser tot het vertrek van referent feitelijk tot het gezin van zijn biologische ouder(s). Er is niet gebleken van een uitzonderlijke situatie waardoor de feitelijke gezinsband tussen eiser en zijn moeder als verbroken moet worden beschouwd.

5. Eiser voert aan dat verweerder hem ten onrechte geen DNA-onderzoek heeft aangeboden. Eiser is immers de neef van referent. Een DNA-onderzoek zou de genetische verwantschap aantonen.

5.1.

Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 16 mei 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1508) volgt dat verweerder, als hij een aanvraag in het kader van nareis afwijst, deugdelijk moet motiveren waarom die aanvraag, gelet op de overgelegde officiële en onofficiële documenten en afgelegde verklaringen, niet voor inwilliging in aanmerking komt. Daarnaast moet verweerder, als sprake is van substantieel bewijs van de gestelde gezinsband, nader onderzoek aanbieden, bijvoorbeeld in de vorm van een DNA-onderzoek.

5.2

Volgens het beleid van verweerder, zoals van toepassing ten tijde van de aanvraag van eiser en opgenomen in paragraaf C2/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), kan, anders dan bij biologische kinderen, bij pleegkinderen niet door middel van een DNA-onderzoek worden aangetoond dat de referent en het kind tot elkaar in relatie staan. In deze gevallen moet op een andere manier worden getoetst of er sprake was van een feitelijke gezinsband tussen de referent en het pleegkind. De referent en de vreemdeling moet dit aannemelijk maken.

De rechtbank is van oordeel dat dit beleid niet wegneemt dat een DNA-onderzoek wel kan bijdragen aan de aannemelijkheid van een gestelde pleegouder- en kindrelatie, in de situatie dat gesteld wordt dat de gestelde pleegouder familie is van het kind.

Volgens het hiervoor genoemde beleid wordt bij de beoordeling of het pleegkind feitelijk deel uitmaakt van het gezin van de referent, onder meer betrokken:
- de duur van de opname van het pleegkind in het gezin van de referent;
- de (financiële) afhankelijkheid van het pleegkind van referent;
- de reden waarom het pleegkind is opgenomen in het gezin.

In het geval van pleegkinderen worden alle feiten en omstandigheden van voor binnenkomst van de referent in Nederland betrokken bij de beoordeling van de gezinssituatie. Het moet daarbij gaan om feiten en omstandigheden die erop wijzen dat er sprake is geweest van een feitelijke gezinsband met de referent.

Verder blijkt uit dit beleid dat verweerder geen mvv verleent voor gezinshereniging in het kader van nareis, als de achterblijvende biologische ouder(s) geen toestemmingsverklaring heeft afgegeven met het oog op het vertrek van de kinderen naar Nederland.

Verweerder verleent de mvv uitsluitend als:
- de referent documenten heeft overgelegd, waaruit blijkt dat de achterblijvende biologische ouder geen toestemmingsverklaring kan overleggen;
- de referent aanvullende gegevens en/of plausibele, aannemelijke en consistente verklaringen heeft verstrekt over de reden waarom de toestemmingsverklaring niet kan worden overgelegd, indien de referent het ontbreken van een toestemmingsverklaring niet met documenten kan onderbouwen;
- de kinderen voldoen aan de overige voorwaarden uit paragraaf C2/4.1 Vc.

5.3

Dat eiser geen voogdijverklaring heeft overgelegd, waaruit blijkt dat referent het gezag over hem heeft, staat, gelet op de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 16 mei 2018, op zichzelf niet in de weg aan het aanbieden van nader onderzoek naar de gestelde feitelijke gezinsband tussen eiser en referent. Dat de moeder van eiser, naar verweerder stelt, nog het gezag over eiser heeft, staat daarnaast op zichzelf niet eraan in de weg dat een feitelijke gezinsband kan zijn ontstaan tussen eiser, als pleegkind, en referent, als pleegouder (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 7 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3074). Dat volgens het beleid in C2/4.1 Vc, waarnaar verweerder heeft verwezen, slechts in zeer uitzonderlijke situaties de gezinsband tussen ouders en hun minderjarige biologische kinderen eindigt, betekent evenmin dat geen feitelijke gezinsband kan zijn ontstaan tussen eiser en referent. In dat verband is van belang dat referent heeft verklaard dat de ouders van eiser zijn gescheiden toen hij twee jaar oud was, dat zijn moeder is hertrouwd en in een ander dorp is gaan wonen, dat zijn moeder niet meer voor hem kon zorgen en hem heeft achtergelaten, dat hij toen bij zijn grootouders is gaan wonen en dat hij daarna bij referent is gaan wonen nadat referent was getrouwd. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat verweerder die verklaringen van referent heeft betrokken bij de beoordeling van de vraag of aannemelijk is dat de gezinsband van eiser met zijn ouders is verbroken en dat een feitelijke gezinsband is ontstaan met referent.

De verwijzing door verweerder naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 4 november 2013 (AWB 13/10571; niet gepubliceerd) biedt in dit verband geen grond voor een ander oordeel. Uit die uitspraak blijkt dat de vreemdeling in die zaak, anders dan eiser, ten tijde van het vertrek van de referent nog bij zijn biologische ouders woonde. Van een verbreking van de gezinsband van de minderjarige vreemdeling met zijn ouders was in die zaak om die reden dus geen sprake.

5.4

Uit het voorgaande volgt dat verweerder op onjuiste gronden heeft aangenomen dat nog een feitelijke gezinsband bestaat tussen eiser en zijn moeder en dat referent daarom niet als pleegouder van eiser kan worden aangemerkt. Dat betekent dat verweerder op onjuiste gronden heeft geweigerd aanvullend onderzoek naar de gestelde feitelijke gezinsband tussen eiser en referent te verrichten.
De beroepsgrond slaagt.

6. Ter zitting heeft referent erkend dat het gezag over eiser niet aan hem is overgedragen. Voor zover er daarom vanuit moet worden gegaan dat de moeder van eiser of zijn beide ouders nog het gezag over hem hebben, staat die omstandigheid, zoals hiervoor is overwogen, op zichzelf niet eraan in de weg dat een feitelijke gezinsband kan zijn ontstaan tussen eiser en referent. Verweerder heeft onder verwijzing naar de hiervoor genoemde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, gesteld dat het uitoefenen van ouderlijk gezag door de biologische ouder(s) volgens het Nederlandse familierecht in de weg staat aan het kunnen aannemen van het pleegouderschap. Dat ligt evenwel anders als de gezinsband tussen de biologische ouder(s) en het kind is verbroken en vervolgens een feitelijke gezinsband is ontstaan tussen de pleegouder en kind en de achterblijvende biologische ouder(s) toestemming hebben gegeven voor het vertrek van het kind naar Nederland, zoals bedoeld in paragraaf C2/4.1 Vc.

In dit geval is niet gebleken dat de biologische ouder(s) van eiser toestemming hebben gegeven voor zijn vertrek naar Nederland. De rechtbank stelt echter vast dat verweerder die omstandigheid niet ten grondslag heeft gelegd aan de afwijzing van de aanvraag van eiser. De rechtbank ziet in die omstandigheid daarom geen aanleiding om het hiervoor geconstateerde gebrek in het bestreden besluit met toepassing van artikel 6:22 Algemene wet bestuursrecht te passeren. Eiser is immers door verweerder niet in de gelegenheid gesteld om een dergelijke toestemmingsverklaring (alsnog) te overleggen of om te onderbouwen of aannemelijk te maken dat hij een toestemmingsverklaring niet kan overleggen, zoals bedoeld in paragraaf C2/4.1 Vc. Voor zover verweerder bij het nieuw te nemen besluit voornemens is de aanvraag af te wijzen wegens het ontbreken van een toestemmingsverklaring van de biologische ouder(s) van eiser, dan zal hij eiser die gelegenheid alsnog moeten bieden.

7. Eiser voert verder aan dat verweerder hem ten onrechte niet heeft gehoord naar aanleiding van zijn bezwaar.

7.1

Gelet op hetgeen in het voorgaande is overwogen, is er geen grond voor het oordeel dat er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar van eiser niet had kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Verweerder heeft daarom ten onrechte ervan afgezien eiser of referent te horen in bezwaar.
De beroepsgrond slaagt.

8. Het beroep is gegrond.

9. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2, 7:2, eerste lid, en 7:12, eerste lid, Awb en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser.

10. De rechtbank zal verweerder veroordelen in de door eiser gemaakte kosten in verband met het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 14 februari 2018. Het bedrag van deze kosten stelt de rechtbank vast op € 1.002,- voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

11. Verder zal de rechtbank gelasten dat verweerder het betaalde griffierecht moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 14 februari 2018, gegrond;

- vernietigt het besluit van 14 februari 2018;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.002,-;

- draagt verweerder op € 170,- te betalen aan eiser als vergoeding voor het betaalde griffierecht.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J van der Kluit, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Pirs, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 november 2018.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.