Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:13978

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-11-2018
Datum publicatie
27-12-2018
Zaaknummer
NL18.20299
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Duitsland

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.20299


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer],

(gemachtigde: mr. E. El-Sharkawi),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.M. van Duren).

Procesverloop

Bij besluit van 23 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.20300, plaatsgevonden op 15 november 2018. Eiser is met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is volgens zijn eigen verklaringen van Marokkaanse nationaliteit en geboren op [geboortedatum] 1984.

Op 23 augustus 2018 heeft eiser de onderhavige aanvraag ingediend.

Op grond van de gegevens over eiser in Eurodac heeft verweerder vastgesteld dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers verzoek om internationale bescherming.

Met verweerders verzoek aan Duitsland om terugname van eiser op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening (EU) 604/2013, is Duitsland op

11 september 2018 akkoord gegaan.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

3. Eiser betwist niet dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag. Hij voert echter aan dat verweerder de behandeling aan zich zou moeten trekken, omdat ten aanzien van Duitsland niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser heeft in Duitsland geen recht op gefinancierde rechtsbijstand, hetgeen in strijd is met artikel 19 en 20 van de Richtlijn 2013/32/EU (de Procedurerichtlijn) en artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (het Handvest). Ook kan eiser in Duitsland geen beroep doen op door de overheid betaalde tolk- en vertaaldiensten. In Duitsland is eiser niet goed behandeld en was de besluitvorming in zijn asielprocedure onzorgvuldig. Eiser was niet in staat om tegen de afwijzende beschikking beroep in te stellen, omdat hij niet door een advocaat werd bijgestaan en de kosten van een beroepsprocedure niet kon voldoen. Daarnaast is sprake van slechte opvang in Duitsland. Eiser verzoekt daarom om zijn aanvraag om internationale bescherming in de Nederlandse nationale procedure te behandelen.

4. Verweerder heeft ter zitting in reactie op de beroepsgronden verwezen naar een uitspraak van rechtbank Den Haag van 8 maart 2018 (ECLI:NL:RBDHA:2018:3236), waarin soortgelijke grieven in een soortgelijke zaak zijn aangevoerd.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder er in beginsel van uitgaan dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen jegens eiser nakomt. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat Duitsland dit niet doet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser hierin niet is geslaagd.

De rechtbank heeft in de voornoemde uitspraak van 8 maart 2018 (ECLI:NL:RBDHA:2018:3236) overwogen, dat uit artikel 19 en verder van de Procedurerichtlijn niet volgt dat iedere vreemdeling onvoorwaardelijk recht heeft op kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging in asielprocedures, zowel in eerste aanleg als in beroepsprocedures. In artikel 20, tweede lid, van de Procedurerichtlijn is bepaald dat lidstaten kunnen voorzien in kosteloze rechtsbijstand en/of vertegenwoordiging in de asielprocedure in eerste aanleg. Van een verplichting is geen sprake. Ook biedt artikel 20, derde lid, van de Procedurerichtlijn lidstaten expliciet de mogelijkheid om geen kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging aan te bieden wanneer het beroep volgens de rechterlijke instantie of een andere bevoegde autoriteit geen reële kans van slagen heeft. Het door Duitsland gehanteerde systeem dat een vreemdeling recht heeft op kosteloze bijstand indien door de rechter wordt beoordeeld dat het beroep een kans van slagen heeft, is dus in overeenstemming met de Procedurerichtlijn.

Voorts heeft de rechtbank overwogen dat in punt 60 van de considerans van de Procedurerichtlijn uitdrukkelijk is opgenomen dat bij de totstandkoming van de bepalingen van die richtlijn het Handvest in acht is genomen, en dat de Procedurerichtlijn aldus een uitwerking van het bepaalde in het Handvest is.

De rechtbank ziet in hetgeen eiser naar voren heeft gebracht thans geen grond voor een ander oordeel. Nu het Duitse systeem in overeenstemming met het bepaalde in de Procedurerichtlijn is, kan in beginsel geen sprake zijn van strijd met artikel 47 van het Handvest. De enkele stelling dat eiser in Duitsland niet over de nodige tolk- en vertaaldiensten beschikt, is onvoldoende om aan te nemen dat Duitsland internationale verplichtingen in dat kader niet nakomt. Bovendien dient eiser, indien hij van mening is dat Duitsland zich niet houdt aan de Procedurerichtlijn, zich hierover in Duitsland te beklagen. Niet is gebleken dat de autoriteiten van Duitsland eiser niet kunnen of willen helpen.

De enkele niet nader onderbouwde stelling dat eiser door de politie in Duitsland slecht werd behandeld toen eiser over een opvangbewoner wilde klagen, is onvoldoende voor een ander oordeel. Eiser heeft na het gestelde voorval geen klacht ingediend bij de politie of een hogere autoriteit, noch heeft hij over het probleem met de opvangbewoner melding gemaakt bij de autoriteiten van de opvang.

Eiser heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat er bijzondere individuele omstandigheden zijn die maken dat een overdracht aan Duitsland van een onevenredige hardheid getuigt.

Verweerder heeft gezien het vorenstaande dan ook geen grond hoeven zien om de aanvraag van eiser, ondanks de verantwoordelijkheid hiervoor van Duitsland, in behandeling te nemen.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van

mr. I.N. Powell, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.