Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:13946

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-11-2018
Datum publicatie
27-12-2018
Zaaknummer
NL18.20130
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Statushouder Griekenland

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.20130


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. M.R.F. Berte),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.M. van Duren).

Procesverloop

Bij besluit van 29 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000).

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens ter zitting was A. Dahmani als tolk aanwezig.

Overwegingen

1. Eiser stelt dat hij geboren is op [geboortedatum] 1997 en dat hij de Jemenitische nationaliteit heeft.

Eiser heeft op 20 november 2017 in Griekenland een asielaanvraag ingediend en op

24 januari 2018 hebben de Griekse autoriteiten aan eiser internationale bescherming verleend. Op 16 oktober 2018 heeft eiser zich gemeld in AC Ter Apel waar hij een asielaanvraag heeft ingediend.

2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 niet-ontvankelijk kan worden verklaard in de zin van artikel 33 van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet. In dit geval blijkt uit Eurodac dat eiser in Griekenland internationale bescherming geniet. Dit levert een sterke(re) band op met Griekenland.

3. Eiser heeft in de beroepsgronden, samengevat, het volgende aangevoerd.

3.1

Volgens eiser blijkt uit het Aida-rapport (update van 30 maart 2018), het rapport van Amnesty International over vrouwelijke vluchtelingen van 5 oktober 2018 en het meest recente mensenrechtenrapport van de US Department of State van 20 april 2018 dat de tekortkomingen in de opvang van statushouders in Griekenland dermate schrijnend zijn dat sprake is van structurele uitzichtloosheid op een menswaardig bestaan. Voor eiser is er namelijk geen mogelijkheid op werk, een Grieks BSN, huisvesting en zijn er geen reële mogelijkheden om in aanmerking te komen voor sociale voorzieningen of adequate integratieprogramma’s. Voormelde update is niet meegenomen in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 30 mei 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1795) en daardoor had verweerder niet mogen uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser meent dat Nederland ook zelf invulling moet geven aan dit interstatelijk vertrouwensbeginsel met het oog op de Turkije-deal. Verder voert eiser aan dat vanwege het korte verblijf op het asielzoekerscentrum Budel hij nog geen reële mogelijkheid gehad heeft om hulp te krijgen bij het GGZ in verband met zijn psychische situatie. Eiser heeft een iMMO signaleringslijst overgelegd alsmede een schrijven van een medewerker van VluchtelingenWerk Nederland. Voorts heeft eiser verwezen naar een uitspraak van 6 april 2018 van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam (ECLI:NL:RBDHA:2018:10010). In deze zaak kon verweerder zich niet zonder nadere motivering beroepen op het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Tenslotte heeft eiser aangevoerd dat op basis van gemeenschapstrouw de beantwoording van de aan het Hof van Justitie voorgelegde vragen van het Duitse Bundesverwaltungsgericht van

28 augustus en 15 september 2017 afgewacht moet worden. Indien de rechtbank niet tot een gegrondverklaring van het beroep komt, is eiser van mening dat de rechtbank gehouden is de beoordeling van het beroep aan te houden totdat uitspraak is gedaan op de prejudiciële vragen in de zaken C-517/17, C-540/17 en C-541/17.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1

Niet in geschil is dat door de Griekse autoriteiten aan eiser internationale bescherming is verleend op 24 januari 2018.

4.2

In de uitspraak van 30 mei 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1795) heeft de Afdeling geoordeeld dat ten aanzien van Griekenland in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling heeft overwogen dat de situatie voor statushouders in Griekenland moeilijk is en dat er weliswaar zorgen over de leefomstandigheden van statushouders in Griekenland zijn en de tekortkomingen in hun toegang tot de arbeidsmarkt, medische zorg, huisvesting en bepaalde sociale voorzieningen, maar dat deze omstandigheden niet voldoende zijn voor het oordeel dat er sprake is van een situatie in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). Het enkele feit dat een persoon terugkeert naar een lidstaat waar zijn economische positie slechter zal zijn dan in de lidstaat waar hij thans verblijft, is niet voldoende om te oordelen dat artikel 3 van het EVRM in dat geval zal worden geschonden. Artikel 3 van het EVRM verplicht in zijn algemeenheid de lidstaten ook niet te waarborgen dat een ieder binnen de jurisdictie van een lidstaat onderdak heeft of financiële ondersteuning ontvangt waarmee een bepaalde levensstandaard kan worden gewaarborgd.

4.3

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in zijn besluitvorming terecht op het standpunt gesteld dat uit de door eiser aangehaalde documenten, voor zover deze in voormelde uitspraak nog niet zijn beoordeeld, geen wezenlijk ander beeld naar voren komt dan in de jurisprudentie van de Afdeling wordt geschetst.

Hoewel de rechtbank aanneemt dat voor statushouders in Griekenland de situatie zorgwekkend is, volgt de rechtbank eiser derhalve niet in zijn stelling dat Griekenland zijn verdragsverplichtingen niet nakomt en dus niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De verklaring van eiser dat hij in Griekenland geen toegang had tot huisvesting, werk en sociale bijstand, heeft verweerder niet tot een andere conclusie hoeven brengen. De praktijk dat statushouders deze rechten niet altijd kunnen realiseren, maakt niet dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Van eiser mag worden verwacht dat hij zich eerst tot de (hogere) Griekse autoriteiten, dan wel de geëigende instanties, wendt om over de gestelde tekortkomingen te klagen. Uit eisers verklaring is niet gebleken dat hij een klacht heeft ingediend of andere stappen heeft ondernomen om zijn situatie in Griekenland te verbeteren. De niet nader onderbouwde verwijzing naar de Turkije-deal en het argument dat Nederland zich ook moet houden aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel, treft geen doel.

Ook de verwijzing van eiser naar de uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, ECLI:NL:RBDHA:2018:10010, leidt niet tot een ander oordeel. Allereerst dateert deze uitspraak van vóór de Afdelingsuitspraak van 30 mei 2018 en is voorts niet gebleken dat het gaat om gelijke gevallen.

4.4

Ten aanzien van de psychische problemen van eiser is de rechtbank met verweerder van oordeel dat niet is gebleken dat Nederland het meest aangewezen land is om hem medisch te behandelen. Eiser heeft als statushouder dezelfde rechten en plichten als een Griekse staatsburger en derhalve gelijke toegang tot de gezondheidszorg in Griekenland. Eiser heeft niet aangetoond dat de medische behandeling die hij eventueel nodig zou hebben in Griekenland niet voorhanden is.

4.5

Nu is geoordeeld dat er ten aanzien van eiser van uit moet worden gegaan dat hij in Griekenland zal worden behandeld overeenkomstig de waarborgen die voortvloeien uit het EVRM en de Kwalificatierichtlijn, ziet de rechtbank geen aanleiding om de behandeling van het beroep aan te houden met het oog op de door eiser genoemde prejudiciële vragen.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.E. Maas, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.