Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:13913

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-11-2018
Datum publicatie
23-11-2018
Zaaknummer
NL18.19340
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gelet op het arrest Gnandi en de beschikking C,J en S mag een vreemdeling gedurende de periode dat tegen de afwijzing van een asielverzoek een rechtsmiddel kan worden ingesteld dan wel, als een rechtsmiddel is ingesteld, totdat op dat rechtsmiddel is beslist, krachtens artikel 46, zesde lid, aanhef en onder a, gelezen in samenhang met artikel 46, achtste lid, van de Procedurerichtlijn (richtlijn 2013/32), op het grondgebied van de lidstaat blijven, hoewel dat verblijf illegaal is in de zin van de Terugkeerrichtlijn.

De vraag die daarom moet worden beantwoord is of het verblijf van een vreemdeling in die periode kan worden aangemerkt als ‘rechtmatig verblijf’ in de zin van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Zij volgt daarin het standpunt van verweerder, zoals dat is weergegeven in de uitspraak van de Afdeling van 27 augustus 2018. Dat standpunt houdt kort gezegd in dat een situatie als thans aan de orde artikel 82, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw buiten toepassing moet blijven en dat artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw richtlijnconform moet worden uitgelegd. Dat betekent dat eiser na de afwijzing van zijn asielaanvraag geacht moet worden rechtmatig in Nederland te hebben verbleven en dat de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw, voort kon duren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.19340


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

gemachtigde: mr. L.I. Siers,

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

gemachtigde: E. Staatman.

Procesverloop

Verweerder heeft op 4 september 2018 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Bij besluit van 15 oktober 2018 heeft verweerder eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31 van de Vw in verbinding met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, e, f en h van de Vw en is de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, derde lid, van de Vw met ten hoogste drie maanden verlengd.

De maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.

Eiser heeft hierop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Bij brief van 7 november 2018 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en verweerder in de gelegenheid gesteld een nader standpunt in te nemen over de grondslag van de maatregel na afwijzing van de asielaanvraag. Verweerder heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt en gemachtigde heeft op 12 november 2018 gereageerd. Nadien heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Georgische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum].

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 20 september 2018 (in de zaak NL18.16318) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 13 september 2018) de maatregel van bewaring rechtmatig is.

3. Uit het dossier blijkt dat aan eiser eerder een terugkeerbesluit is opgelegd op 4 juni 2018, dat hij aan deze terugkeerverplichting niet heeft voldaan en dat de vertrektermijn is verstreken. In het besluit tot afwijzing van eisers asielaanvraag heeft verweerder daarop gewezen en onder verwijzing naar de beschikking van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 5 juli 2018, C-269/18 (ECLI:EU:C:2018:544; C, J en S) aangegeven dat eiser, gedurende de termijn dat hij beroep kan instellen, in Nederland mag blijven. Indien hij binnen de beroepstermijn beroep instelt en een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening indient, mag hij in Nederland blijven om de uitspraak af te wachten. De maatregel van bewaring wordt daarom met ten hoogste drie maanden verlengd.

Op 16 oktober 2018 heeft eiser tegen het besluit tot afwijzing van zijn asielaanvraag beroep ingesteld en verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De zaak zal door zittingsplaats Noord-Holland ter zitting worden behandeld op 8 november 2018.

4. Eiser voert onder verwijzing naar het arrest van het HvJ EU van 19 juni 2018 in de zaak Gnandi tegen België ( ECLI:EU:2018:465) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam van 14 september 2018 (NL18.15975) aan dat verlenging van de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, derde lid van de Vw niet mogelijk is, omdat hij door de afwijzing van zijn asielaanvraag op 15 oktober 2018 geen rechtmatig verblijf meer heeft als bedoeld in artikel 8 van de Vw. De maatregel van bewaring dient vanaf 15 oktober 2018 dan ook onrechtmatig te worden geacht. Verder voert eiser aan dat ten onrechte geen categoriewijziging heeft plaatsgevonden, nu op zijn asielaanvraag is beslist en niet wordt ingezien welke gegevens thans nog verkregen zouden moeten worden. De maatregel is daarom niet langer noodzakelijk. Ook beschikt verweerder over eisers geldige paspoort, zodat ook hierin geen noodzaak is gelegen de maatregel van bewaring voort te laten duren.

5. Verweerder wijst op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 25 september 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:6813). Daarin oordeelt die zittingsplaats op grond van de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 27 augustus 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2828) en 11 september 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2992) dat - in een situatie als ook thans aan de orde is - de grondslag van de maatregel van bewaring niet kan worden gewijzigd naar artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw als de periode waarin een rechtsmiddel kan worden ingesteld nog niet is verstreken. De uitleg van verweerder dat sprake is van rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder h, van de Vw acht de Afdeling volgens zittingsplaats Amsterdam juist.

6.1

De rechtbank stelt allereerst vast dat de Afdeling zich in de uitspraak van 27 augustus 2018 heeft beperkt - voor zover hier van belang - tot de vaststelling dat tussen partijen niet langer in geschil was dat de maatregel van bewaring ten onrechte was opgelegd krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. De Afdeling heeft zich niet uitgelaten over de vraag of de maatregel op een andere grondslag kon worden voortgezet.

6.2

Gelet op voornoemd arrest en voornoemde beschikking van het HvJ EU mag een vreemdeling gedurende de periode dat tegen de afwijzing van een asielverzoek een rechtsmiddel kan worden ingesteld dan wel, als een rechtsmiddel is ingesteld, totdat op dat rechtsmiddel is beslist, krachtens artikel 46, zesde lid, aanhef en onder a, gelezen in samenhang met artikel 46, achtste lid, van de Procedurerichtlijn (richtlijn 2013/32), op het grondgebied van de lidstaat blijven, hoewel dat verblijf illegaal is in de zin van de Terugkeerrichtlijn.

6.3

De vraag die daarom moet worden beantwoord is of het verblijf van een vreemdeling in die periode kan worden aangemerkt als ‘rechtmatig verblijf’ in de zin van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Zij volgt daarin het standpunt van verweerder, zoals dat is weergegeven in de uitspraak van de Afdeling van

27 augustus 2018. Dat standpunt houdt kort gezegd in dat een situatie als thans aan de orde artikel 82, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw buiten toepassing moet blijven en dat artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw richtlijnconform moet worden uitgelegd. Dat betekent dat eiser na de afwijzing van zijn asielaanvraag geacht moet worden rechtmatig in Nederland te hebben verbleven en dat de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw, voort kon duren.

7. Ten aanzien van het betoog - zoals in rechtsoverweging 4 is opgenomen - dat de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b van de Vw niet langer noodzakelijk is, overweegt de rechtbank als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich ter zitting niet uitgelaten over voormeld betoog. In het kader van zorgvuldig onderzoek heeft de rechtbank daarom het onderzoek heropend en verweerder in de gelegenheid gesteld dit alsnog te doen. Verweerder heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank dat verweerder het betoog van eiser niet heeft weersproken en dat daarmee de onrechtmatigheid van de maatregel van bewaring is gegeven.

8. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf de afwijzing van de asielaanvraag bij besluit van 15 oktober 2018 onrechtmatig geworden. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 15 oktober 2018.

9. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 29 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) bewaring x € 80,- (verblijf detentiecentrum) = € 2.320,-.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.252,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor nadere reactie met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 15 oktober 2018;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 2.320,-, te betalen door de griffier;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.252,50.

De rechtbank te Den Haag beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding tot een bedrag van € 2.320,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J. van Lochem, rechter, in aanwezigheid van P.P. van Essen-van 't Ende, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Op 20 november 2018 is een hersteluitspraak gedaan.