Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:13888

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-11-2018
Datum publicatie
07-12-2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 2357
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vw, tbk + irv

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/2357

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 november 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A. Orhan),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 maart 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2018.

Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1982 en heeft de Turkse nationaliteit.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder bepaald dat eiser de Europese Unie onmiddellijk dient te verlaten. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken als bedoeld in artikel 62, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw), aangezien hij Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen en zich in strijd met de vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken. Ook heeft eiser zich niet aan één of meer van de voor hem geldende verplichtingen gehouden als bedoeld in hoofdstuk 4 van het Vreemdelingenbesluit 2000 en beschikt hij niet over een vaste woon- of verblijfplaats. Als gevolg van het terugkeerbesluit heeft verweerder aan eiser op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, een inreisverbod van twee jaar opgelegd.

3. Eiser betoogt dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij niet beschikt over een vaste woon- of verblijfplaats. Hij verblijft bij zijn vriendin. Voorts beroept eiser zich op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 mei 2017 (ECLI:EU:C:2017:354; Chavez-Vilchez), omdat hij samen met zijn vriendin zorgdraagt voor haar minderjarig kind met de Nederlandse nationaliteit.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1

Vastgesteld wordt dat eiser enkel de grond dat hij niet beschikt over een vaste woon- of verblijfplaats heeft bestreden. Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie onder meer de uitspraken van 23 april 2010, zaaknummer 201002892/1/V3, en 5 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3199) dat voor de beoordeling of iemand zijn vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft, verweerder in redelijkheid als uitgangspunt kan nemen of iemand is ingeschreven in de Basis Registratie Personen (hierna: BRP). Niet in geschil is dat eiser ten tijde van het bestreden besluit niet in de BRP stond ingeschreven. Eiser heeft niet met stukken onderbouwd dat hij inmiddels wel staat ingeschreven, zodat verweerder ervan heeft kunnen uitgaan dat eiser niet over een vaste woon- of verblijfplaats beschikt.

Naar het oordeel van de rechtbank kan derhalve uit de aan het terugkeerbesluit ten grondslag gelegde gronden worden geconcludeerd dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Gelet hierop was verweerder niet verplicht hem een termijn voor vrijwillig vertrek te bieden. Voorts heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat het arrest Chavez-Vilchez op eiser van toepassing is. De verklaring van eiser in zijn gehoor van 25 maart 2018 dat hij niet de natuurlijke vader van het kind is, maar dat hij wel voornemens is het kind te erkennen en de zorg voor het kind op zich te nemen, is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van de vereiste afhankelijkheidsverhouding tussen hem en het minderjarige kind en biedt derhalve onvoldoende aanknopingspunten dat eiser declaratoire rechten kan ontlenen aan artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 november 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.