Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:13835

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-10-2018
Datum publicatie
22-11-2018
Zaaknummer
NL1817663 en NL18.17664
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Zwitserland, ander beleid tav Eritrese asielzoekers in Zwitserland maakt niet dat niet langer uit kan worden gegaan van interstatelijk vertrouwensbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: NL18.17663 (bodem) en NL18.17664 (voorlopige voorziening)


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[de persoon] , eiser

(gemachtigde: mr. G. Tuenter),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. C. Brand).

Procesverloop

Met het besluit van 26 september 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en om een voorlopige voorziening gevraagd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk in de taal Tigrinja is verschenen S. Abraha. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1.

Eiser is van Eritrese nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] 1996.

1.2.

Eiser heeft op 28 juli 2015 in Zwitserland asiel aangevraagd. De Zwitserse autoriteiten hebben deze aanvraag met het besluit van 7 december 2017 afgewezen. Eiser heeft tegen dit besluit geen beroep ingesteld en is naar Duitsland gegaan, waar hij op 4 januari 2017 asiel heeft aangevraagd. Eiser heeft verklaard dat Duitsland hem heeft overgedragen aan Zwitserland en dat hij vervolgens is doorgereisd naar Nederland, waar hij op 24 mei 2018 een asielaanvraag heeft ingediend.

1.3.

Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening (Dv)1 is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

1.4.

In dit geval heeft Nederland bij Zwitserland een verzoek om terugname gedaan. Zwitserland heeft dit verzoek op 3 juli 2018 aanvaard.

2. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte de asielaanvraag niet in behandeling heeft genomen op grond van artikel 17, eerste lid, Dv2. Bij overdracht aan Zwitserland loopt hij gevaar op (indirect) refoulement. Eiser stelt dat hij Eritrea op illegale wijze heeft verlaten omdat hij was opgeroepen voor militaire dienst. De Zwitserse autoriteiten achten zijn illegale uitreis onvoldoende om voor asiel in aanmerking te komen. In Nederland zou hij op deze grond wel asiel hebben gekregen. Uit de AIDA-update 20173 blijkt dat in Zwitserland ongemotiveerde of herhaalde asielaanvragen zonder formele beschikking worden afgedaan en dat daartegen geen beroep openstaat. Eiser maakt daaruit op dat er sprake is van een aan het Zwitserse systeem gerelateerde tekortkoming, omdat hij door zijn illegale uitreis uit Eritrea bij een gedwongen terugkeer wel degelijk gevaar loopt. Verweerder kan daarom niet uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser wijst ter onderbouwing van zijn stellingen op de uitspraak van 27 juli 2018 van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle (NL18.10072).

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het gaat in de Dublinprocedure om de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat voor het in behandeling nemen van een asielverzoek en niet om vast te stellen of de andere lidstaat het asielrelaas van een vreemdeling op de juiste inhoudelijke wijze heeft beoordeeld. Volgens verweerder heeft eiser met de door hem overgelegde Zwitserse beschikking en zijn relaas niet aannemelijk gemaakt dat Zwitserland in strijd handelt met de verplichtingen uit het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het EVRM4. Evenmin heeft eiser aannemelijk gemaakt dat zich in Zwitserland aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voordoen. Daarom heeft verweerder geen aanleiding gezien gebruik te maken van de bevoegdheid het asielverzoek op grond van artikel 17, eerste lid, Dv aan zich te trekken.


Beoordeling door de rechtbank

4.1.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat Zwitserland zijn verdragsverplichtingen ingevolge het Vluchtelingenverdrag en het EVRM jegens hem niet na zal komen en dat bij zijn terugkeer een situatie zal ontstaan die strijdig is met artikel 3 van het EVRM. Verweerder heeft bovendien deugdelijk gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat in Zwitserland sprake is van ernstige aan het systeem gerelateerde tekortkomingen op grond waarvan niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan en hij een risico loopt op (indirect) refoulement omdat hij vreest dat Zwitserland hem terug zal sturen naar Eritrea. Het enkele feit dat Nederland een ander beleid voert ten aanzien van Eritrese asielzoekers, maakt niet dat verweerder niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan. Als eisers verzoek om internationale bescherming bij overdracht door Zwitserland wordt aangemerkt als opvolgend asielverzoek of als eiser na overdracht aan Zwitserland zelfstandig een opvolgend asielverzoek indient, gaat de rechtbank ervan uit dat de Zwitserse autoriteiten die aanvraag zorgvuldig zullen behandelen en dat eiser tegen een eventuele afwijzing een effectief rechtsmiddel kan aanwenden. Met het claimakkoord hebben de Zwitserse autoriteiten gegarandeerd het onderhavige asielverzoek in behandeling te nemen, zodat eiser zijn asielmotieven of nieuwe feiten of omstandigheden bij de Zwitserse autoriteiten naar voren kan brengen.

4.2.

De rechtbank ziet geen aanleiding de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 27 juli 2018 (NL18.10072), te volgen. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 11 september 2018 (NL18.15065) en zittingsplaats Amsterdam, van 19 september 2018 (NL18.15477). De rechtbank is van oordeel dat, indien en voor zover Zwitserland zich niet houdt aan de Opvangrichtlijn, de Kwalificatierichtlijn en/of de Procedurerichtlijn, verweerder onder verwijzing naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk van 2 december 2008 (zaaknummer 32733/08, JV 2009/41), terecht het standpunt heeft ingenomen dat eiser zich hierover dient te beklagen bij de (hogere) Zwitserse autoriteiten of de geëigende instanties. Het uitgangspunt is dat over een eventuele schending van artikel 3 van het EVRM kan worden geklaagd vanuit de betrokken verantwoordelijke lidstaat. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als sprake is van ernstige structurele tekortkomingen in het systeem van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen, zoals bedoeld in het arrest van het EHRM van 21 januari 2011 in de zaak M.S.S. tegen België en Griekenland (zaaknummer 30696/09). Uit wat eiser heeft aangevoerd kan niet worden afgeleid dat de asielprocedure in Zwitserland dergelijke structurele gebreken vertoont.

4.3.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder niet ten onrechte geen aanleiding gezien met toepassing van artikel 17, eerste lid, Dv het asielverzoek van eiser onverplicht te behandelen.


Conclusie

5. Het beroep is ongegrond.

6. Omdat de rechtbank op het beroep heeft beslist, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

in de zaak geregistreerd onder nummer NL18.17663:

- verklaart het beroep ongegrond;

in de zaak geregistreerd onder nummer NL18.17664:

- wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Kalse-Spoon, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 De Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend.

2 Een lidstaat kan een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de Dublinverordening niet verplicht.

3 Asylum Information Database, Country Report: Switserland, update 2017.

4 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.